Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ6285

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/60845
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toelichting op kabinetsbesluit / intern stuk

Uit het kabinetsbesluit van 13 december 2006 blijkt niet dat vreemdelingen die strafrechtelijke antecedenten hebben en/of tot ongewenst vreemdeling zijn verklaard worden uitgesloten van de groep ten aanzien van wie de uitzetting wordt opgeschort. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar het hiervoor genoemde stuk genaamd ‘Toelichting op kabinetsbesluit niet nemen onomkeerbare stappen’. In dit stuk is inderdaad opgenomen dat vreemdelingen ten aanzien van wie openbare orde aspecten spelen, waaronder artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag en/of ongewenstverklaring, zijn uitgezonderd van de doelgroep van het kabinetsbesluit. De rechtbank kent aan dit stuk geen doorslaggevende betekenis toe. Nu verweerder niet heeft aangegeven van wie dit stuk afkomstig is en dit uit het stuk zelf evenmin kan worden afgeleid, gaat de rechtbank er van uit dat het bedoelde stuk kennelijk een intern stuk van verweerder betreft. Een dergelijk intern stuk kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet de grondslag zijn voor het maken van uitzonderingen op de door het kabinet aangewezen doelgroep, terwijl het kabinetsbesluit daartoe zelf geen enkele aanleiding biedt. Overigens kan in het op 14 december 2006 gehouden kamerdebat (Handelingen Tweede Kamer 2006-2007, nr. 27, pag. 1783-1805), waarnaar in het stuk wordt verwezen, een dergelijke aanleiding naar het oordeel van de rechtbank, evenmin worden gevonden. De rechtbank houdt derhalve vast aan de in het kabinetsbesluit van 13 december 2006 omschreven doelgroep. Nu niet kan worden uitgesloten dat eiser tot deze doelgroep behoort, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 06/60845

V-nummer: [v-nummer]

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. E.S. van Aken, advocaat te Zierikzee,

tegen: de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde S. Vermaas.

I Procesverloop

1Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1979 en de Angolese nationaliteit te bezitten. Op 23 oktober 2006 heeft verweerder eiser in bewaring gesteld.

2 Bij uitspraak van 9 november 2006 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep inzake de opheffing van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.

3 Op 13 december 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

4 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 januari 2007. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

5 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. De rechtbank heeft verweerder verzocht gedocumenteerd aan te geven of eiser onder de groep vreemdelingen valt van wie de uitzetting is opgeschort naar aanleiding van de brief van de Minister-president aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 december 2006. De rechtbank heeft verweerder daarbij met name verzocht in te gaan of eiser op het moment van de inbewaringstelling onder het project Terugkeer viel en de vraag naar de consequenties van het hebben van criminele antecedenten en een ongewenstverklaring voor het mogelijk behoren tot de groep als bedoeld in de genoemde brief. Gemachtigde van eiser is de gelegenheid geboden om op de door verweerder verschafte nadere inlichtingen te reageren. Zowel verweerder als gemachtigde van eiser hebben tijdig van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt.

6. De rechtbank heeft, na toestemming van partijen dat een nadere zitting achterwege kan blijven, het onderzoek op 10 januari 2007 gesloten.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), staat ter beoordeling of voortzetting van de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2 Verweerder heeft de rechtbank op 18 december 2006 en op 2 januari 2007 schriftelijke inlichtingen verstrekt over zijn handelen strekkend tot uitzetting van eiser. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat eiser in bewaring is gesteld nadat hij zijn medewerking aan zijn terugkeer heeft geweigerd. Eiser bevond zich vooraf aan zijn bewaring in de eerste fase van het project Terugkeer. Eiser weigerde mee te werken aan zijn terugkeer en is derhalve in bewaring gesteld. Aan het kabinetsbesluit van 13 december 2006 liggen de motie-Bos en de motie-Dijsselbloem ten grondslag. Eiser heeft criminele antecedenten en is ongewenst verklaard. Gelet hierop valt eiser niet onder de groep vreemdelingen van wie de uitzetting tijdelijk is opgeschort.

Per faxbericht van 4 januari 2007 heeft verweerder antwoord gegeven op de door de rechtbank gestelde vragen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet behoort tot de groep vreemdelingen van wie de uitzetting is opgeschort. In het kader van de pardonregeling is door de minister-president in zijn brief van 13 december 2006 een toezegging gedaan dat voor de groep ex-asielzoekers die in de laatste fase van behandeling zijn bij het project Terugkeer, gedurende de demissionaire periode gedwongen uitstroom uit het project niet wordt geëffectueerd wanneer dat op humanitaire bezwaren stuit, in het bijzonder bij gezinnen met kinderen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op het moment van inbewaringstelling behoorde tot het project Terugkeer. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niettemin niet tot de doelgroep als bedoeld in de brief van 13 december 2006 valt vanwege zijn criminele antecedenten alsmede zijn ongewenstverklaring. Verweerder verwijst in dit kader naar een bijgevoegd stuk genaamd ‘Toelichting op kabinetsbesluit niet nemen onomkeerbare stappen’, zonder daarbij aan te geven van wie dit stuk afkomstig is. Gelet op deze toelichting valt eiser onder de uitzondering op de doelgroep van het kabinetsbesluit.

3 Gemachtigde van eiser heeft -voor zover van belang- aangevoerd dat geen sprake is van zicht op uitzetting omdat eiser valt onder de groep als beschreven in het kabinetsbesluit van 13 december 2006. Eiser bevond zich tot aan het moment van de inbewaringstelling in de eerste fase van het project Terugkeer. Door de inbewaringstelling is eiser in een keer in de laatste fase van het project Terugkeer beland. Eiser voldoet aan alle voorwaarden en valt daarom onder de groep vreemdelingen die op dit moment niet mogen worden uitgezet. Uit het kabinetsbesluit valt voorts niet af te leiden dat het hebben van criminele antecedenten en/of een ongewenstverklaring een rol speelt. Tegen de ongewenstverklaring is een bezwaarschrift en een voorlopige voorziening ingediend overigens ziet de ongewenstverklaring op oude feiten en gelet hierop dient de ongewenstverklaring geen doorslaggevende rol te spelen.

De gemachtigde van eiser heeft in zijn schriftelijke reactie van 9 januari 2007 aangevoerd dat verweerder in zijn -door de rechtbank gevraagde- inlichtingen heeft onderkend dat eiser behoorde tot het project Terugkeer. Eiser heeft voor 1 april 2001 een asielaanvraag ingediend en eiser is op het moment van de oplegging van de maatregel in de laatste fase van behandeling bij project Terugkeer geraakt. Nu eiser onder de doelgroep van het kabinetsbesluit valt, is eiser van oordeel dat er geen termen zijn om de bewaring te continueren omdat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Voorts is aangevoerd dat de ongewenstverklaring van eiser geen invloed heeft op het vorenstaande nu dit niet in het kabinetsbesluit van 13 december 2006 is genoemd. Tevens stuit de gedwongen uitstroom van eiser uit het project Terugkeer op humanitaire bezwaren. Eiser verblijft sinds 1995 in Nederland, is volledig geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en heeft te kampen met psychische klachten.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij valt binnen de groep zoals omschreven in het kabinetsbesluit van 13 december 2006, zodat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. De rechtbank overweegt op dit punt het volgende. Het kabinetsbesluit van 13 december 2006 vermeldt onder meer het volgende:

“Het kabinet heeft daarom besloten om, zonder daarmee te anticiperen op toekomstige regelingen, ten aanzien van de groep ex-asielzoekers die in de laatste fase van behandeling zijn bij het project Terugkeer, gedurende de demissionaire periode gedwongen uitstroom uit het project niet te effectueren wanneer dat op humanitaire bezwaren stuit, in het bijzonder bij gezinnen met kinderen. De uitzettingen van deze groep worden per direct opgeschort.”

Van belang is derhalve of eiser behoort tot het project Terugkeer. Verweerder heeft dienaangaande in zijn brief van 4 januari 2007 aangegeven dat eiser op het moment van de inbewaringstelling behoorde tot het project Terugkeer. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser desondanks niet onder de doelgroep valt gelet op zijn strafrechtelijke antecedenten en de ongewenstverklaring. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit het kabinetsbesluit van 13 december 2006 blijkt niet dat vreemdelingen die strafrechtelijke antecedenten hebben en/of tot ongewenst vreemdeling zijn verklaard worden uitgesloten van de groep ten aanzien van wie de uitzetting wordt opgeschort. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar het hiervoor genoemde stuk genaamd ‘Toelichting op kabinetsbesluit niet nemen onomkeerbare stappen’. In dit stuk is inderdaad opgenomen dat vreemdelingen ten aanzien van wie openbare orde aspecten spelen, waaronder artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag en/of ongewenstverklaring, zijn uitgezonderd van de doelgroep van het kabinetsbesluit. De rechtbank kent aan dit stuk geen doorslaggevende betekenis toe. Nu verweerder niet heeft aangegeven van wie dit stuk afkomstig is en dit uit het stuk zelf evenmin kan worden afgeleid, gaat de rechtbank er van uit dat het bedoelde stuk kennelijk een intern stuk van verweerder betreft. Een dergelijk intern stuk kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet de grondslag zijn voor het maken van uitzonderingen op de door het kabinet aangewezen doelgroep, terwijl het kabinetsbesluit daartoe zelf geen enkele aanleiding biedt. Overigens kan in het op 14 december 2006 gehouden kamerdebat (Handelingen Tweede Kamer 2006-2007, nr. 27, pag. 1783-1805), waarnaar in het stuk wordt verwezen, een dergelijke aanleiding naar het oordeel van de rechtbank, evenmin worden gevonden. De rechtbank houdt derhalve vast aan de in het kabinetsbesluit van 13 december 2006 omschreven doelgroep. Nu niet kan worden uitgesloten dat eiser tot deze doelgroep behoort, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

4.2 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 13 december 2006 in strijd is met de Vw 2000.

4.3 Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 12 januari 2007.

4.4 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen 30 dagen (vanaf 13 december 2006 tot 12 januari 2007) onrechtmatige bewaring in het Huis van Bewaring te Maastricht ten bedrage van 30 x € 70,-- = € 2100,--.

4.5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1.) Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

rechtdoende:

1verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 januari 2007;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe ten bedrage van € 2100,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. C. Laukens, rechter, en uitgesproken in het openbaar op

12 januari 2007 in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Hoebergen, griffier.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

afschrift verzonden op: