Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ5715

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
08-01-2007
Zaaknummer
awb 05/1515
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BC2189, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

studiefinanciering / Wtos / hardheidsclausule

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1.1, tweede lid van de Wtos (Tweede Kamer, 2000-2001, 27 414, nr. 3, p. 23) blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest bij de vormgeving van de voorrangsregels ten aanzien van wettelijke vertegenwoordigers primair aansluiting te zoeken bij het antwoord op de vraag wie de kosten voor het kind draagt. De wetgever is daarbij ervan uit gegaan dat deze tevens de wettelijke vertegenwoordiger is die de kinderbijslag ontvangt. Nu vaststaat dat eisers ex-echtgenote niet wenst bij te dragen aan de onderhoudskosten van haar zoon doet zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voor die door de wetgever bij de totstandkoming van de Wtos, met name artikel 1.1, tweede lid, niet is voorzien.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser een beroep toekomt op de hardheidsclausule van artikel 11.4 van de Wtos. Het in het verweerschrift door verweerster ingenomen standpunt dat de hardheidsclausule niet kan worden toegepast, aangezien de reeds toegekende tegemoetkoming aan de ex-echtgenote van eiser niet kan worden teruggevorderd, wat hier overigens ook van zij, doet niet af aan het oordeel dat in dit concrete geval de wet buiten toepassing had moeten worden gelaten. De toepasselijkheid van de hardheidsclausule kan immers niet afhankelijk worden gesteld van de mogelijkheid tot terugvordering van de reeds uitbetaalde tegemoetkomingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 05/1515

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[xxx]

wonende te [plaats], eiser,

tegen

De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerster,

gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter, juridisch medewerker van de afdeling Bezwaar, Beroep, en Juridische zaken van de Informatie Beheer Groep.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerster heeft bij besluit van 3 november 2005 eisers aanvraag voor een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten van eisers zoon afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 november 2005 bezwaar gemaakt bij verweerster.

Bij besluit van 2 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser bij brief van 11 december 2005, ingekomen op 13 december 2005, beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 29 november 2006 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is niet ter zitting verschenen.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, tweede lid van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (hierna: de Wtos) - voorzover hier van belang - wordt, indien 2 natuurlijke personen voldoen aan het begrip wettelijke vertegenwoordiger, de tegemoetkoming toegekend:

a. aan de wettelijke vertegenwoordiger die over het tweede kwartaal van het jaar waarin het schooljaar aanvangt, ten behoeve van de leerling kinderbijslag heeft ontvangen,

b. indien onderdeel a niet van toepassing is: aan de wettelijke vertegenwoordiger bij wie de leerling op 1 augustus blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens woont, of

c. indien de onderdelen a en b niet van toepassing zijn: aan de wettelijke vertegenwoordiger die de wettelijke vertegenwoordigers gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.

2.1.2. Ingevolge artikel 11.4, eerste lid van de Wtos kan verweerster voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.2. Verweerster heeft bij besluit van 3 november 2005 eisers aanvraag om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten van zijn zoon [xxx] afgewezen, nu niet eiser maar zijn voormalige echtgenote is aan te merken als de wettelijke vertegenwoordiger van zijn zoon die de tegemoetkoming kan aanvragen. Immers, zij heeft als wettelijke vertegenwoordiger ook de kinderbijslag van [xxx] ontvangen alsmede de eerdere tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten. In het bestreden besluit handhaaft verweerster het voormelde standpunt.

2.3. Kort samengevat, heeft eiser in beroep aangevoerd dat het onbillijk is dat de tegemoetkoming aan zijn voormalige echtgenote is toegekend aangezien de onderwijskosten van zijn zoon geheel voor zijn rekening komen en zijn ex-vrouw daaraan niet bijdraagt.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. Niet in geschil is dat de ex-echtgenote van eiser, zoals ook uit haar brief van 17 juni 2005 blijkt, geen verantwoording wil dragen voor haar zoon [xxx]. Dat zij ook niet bereid is bij te dragen aan de kosten met betrekking tot het onderwijs van haar zoon, zoals eiser heeft gesteld, wordt door verweerster niet bestreden.

2.4.2. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van zodanige feiten en omstandigheden op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat de onverkorte toepassing van de ter zake geldende wettelijke bepalingen, gelet op het belang dat deze beogen te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.

2.4.3. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Niet valt te betwisten dat, indien van de letter van de wet wordt uitgegaan, gelet op de onder 2.1.1. weergegeven wettelijke bepaling, de ex-echtgenote van eiser is gerechtigd tot het ontvangen van de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten van [xxx], aangezien zij de wettelijke vertegenwoordiger is die over het tweede kwartaal van het jaar 2005 kinderbijslag heeft ontvangen. Echter, uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1.1, tweede lid van de Wtos (Tweede Kamer, 2000-2001, 27 414, nr. 3, p. 23) blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest bij de vormgeving van de voorrangsregels ten aanzien van wettelijke vertegenwoordigers primair aansluiting te zoeken bij het antwoord op de vraag wie de kosten voor het kind draagt. De wetgever is daarbij ervan uit gegaan dat deze tevens de wettelijke vertegenwoordiger is die de kinderbijslag ontvangt. Nu vaststaat dat eisers ex-echtgenote niet wenst bij te dragen aan de onderhoudskosten van haar zoon doet zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voor die door de wetgever bij de totstandkoming van de Wtos, met name artikel 1.1, tweede lid, niet is voorzien.

2.4.4. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser een beroep toekomt op de hardheidsclausule van artikel 11.4 van de Wtos. Het in het verweerschrift door verweerster ingenomen standpunt dat de hardheidsclausule niet kan worden toegepast, aangezien de reeds toegekende tegemoetkoming aan de ex-echtgenote van eiser niet kan worden teruggevorderd, wat hier overigens ook van zij, doet niet af aan het oordeel dat in dit concrete geval de wet buiten toepassing had moeten worden gelaten. De toepasselijkheid van de hardheidsclausule kan immers niet afhankelijk worden gesteld van de mogelijkheid tot terugvordering van de reeds uitbetaalde tegemoetkomingen.

Het vorenstaande leidt tot gegrondverklaring van eisers beroep.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, nu niet is gebleken dat eiser in verband met de behandeling van dit beroep kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen

2.6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerster het door eiser betaalde griffierecht ad € 37,00 te vergoeden.

2.7. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerster het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 aan eiser vergoedt;

- wijst de Informatie Beheer Groep aan als de rechtspersoon die het voormelde bedrag

moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. F.H.J.G. Brekelmans, rechter, en door deze en mr. M. Hasanian, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op:

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.