Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:15651

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-10-2007
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
KG 07-1165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Van eiser zijn telefoontaps gemaakt in Nederland. De tapverslagen zijn aan de Engelse justitie verstrekt ten behoeve van het bewijs in Engelse strafzaak. Eiser wenst overlegging van de aanvragen van de machtigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 8 oktober 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/1165 van:

[eiser] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans gedetineerd in het Verenigd Koninkrijk,

eiser,

procureur mr. L. Ph. J. van Utenhove,

advocaat mr. S. Schuurman te Breukelen,

t e g e n :

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Justitie),

zetelende te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. A.Th. M. ten Broeke.

1 De procedure

Ter terechtzitting op 4 oktober 2007 heeft de advocaat van eiser verzocht zijn eis te mogen wijzigen in die zin dat hij vordert om gedaagde verplicht te stellen alle aanvragen voor tapmachtigingen van 2006 alsmede de op die aanvragen betrekking hebbende documenten ter beschikking te stellen.

Gedaagde heeft zich tegen het verzoek tot eiswijziging verzet. Hij voert aan dat het verzoek niet tijdig is gedaan. Zijn onderzoek in het kader van zijn verweer heeft alleen betrekking gehad op de gevorderde aanvragen voor tapmachtigingen van februari en augustus 2006.

De voorzieningenrechter heeft partijen meegedeeld dat hij over het verzoek tot wijziging van eis zal beslissen bij uitspraak van heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 oktober 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser bevindt zich in voorlopige hechtenis in het Verenigd Koninkrijk op verdenking van drugsdelicten.

2.2.

De Britse opsporingsautoriteiten hebben aan de Nederlandse justitie een rechtshulpverzoek gericht tot onder meer verstrekking van de tapverslagen van in februari en augustus 2006 gemaakte opnames van het telefoonverkeer van eiser in het kader van een onderzoek van het arrondissementsparket te Haarlem en een onderzoek van het arrondissementsparket te Amsterdam.

2.3.

Deze tapverslagen zijn aan de Britse autoriteiten verstrekt. Zij dienen als bewijs in de in Engeland aanhangige zaak.

2.4.

Bij brief van 17 augustus 2007 heeft eiser aan de officier van justitie van het arrondissementsparket Haarlem verzocht het dossier van het jegens hem geopende strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te stellen en te berichten omtrent de in Nederland verrichte onderzoeken naar hem.

2.5.

Bij brief van 27 augustus 2007 heeft de officier van justitie te Haarlem aan de advocaat van eiser bericht dat er geen strafrechtelijk onderzoek onder haar leiding naar eiser heeft plaatsgevonden. Voorts wordt meegedeeld dat er tegen een onbekende verdachte een onderzoek loopt naar een schietincident in het kader waarvan is getapt en dat er op basis van strafvordering geen reden wordt gezien om de gevraagde stukken ter beschikking te stellen.

2.6.

Bij brief van 6 september 2007 heeft de advocaat van eiser nogmaals aan de officier van justitie te Haarlem verzocht het dossier met betrekking tot de onderzoeken die in februari en in augustus 2006 tegen eiser hebben gelopen, dan wel de tapaanvragen en de machtigingen ter beschikking te stellen.

2.7.

Bij brief van 11 september 2007 heeft de officier van justitie te Haarlem haar eerdere standpunt om de stukken niet ter beschikking te stellen bevestigd.

2.8.

De officier van justitie te Amsterdam heeft op verzoek van eiser de machtigingen en de aanvragen van een machtiging tot het opnemen van telefoonverkeer in augustus 2006 met inbegrip van alle relevante bijlagen aan de advocaat van eiser verstrekt.

2.9.

Gedaagde heeft bij wijze van producties de machtigingen tot het opnemen van telefoonverkeer in februari 2006 zonder de aanvragen daartoe overgelegd.

3 De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde op straffe van een dwangsom verplicht te stellen de aanvragen tapmachtigingen voor de periodes februari en augustus 2006 alsmede de overige documenten betrekking hebbende op de taps van februari en augustus 2006 aan hem ter beschikking te stellen.

Bij wijziging van eis vordert hij alle aanvragen tapmachtigingen in het jaar 2006 alsmede de overige documenten die daarop betrekking hebben ter beschikking te stellen.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

De Engelse raadslieden van eiser hebben te kennen gegeven dat het belangrijkste bewijs tegen eiser in de tegen hem aanhangig gemaakte strafzaak wordt gevormd door opgenomen, uitgeluisterd en uitgewerkt telefoonverkeer afkomstig van (een) in Nederland uitgevoerd(e) opsporingsonderzoek(en). De Engelse raadslieden hebben daarom namens eiser aan zijn Nederlandse advocaat verzocht om een advies uit te brengen over de rechtmatigheid van de telefoontaps die jegens eiser hebben plaatsgevonden. In het kader van een rechtshulpverzoek zijn stukken uit Nederland ten behoeve van de Engelse strafzaak verkregen en aan de verdediging aldaar ter beschikking gesteld. Die stukken zijn onvoldoende. Eiser wenst te kunnen beschikken over alle hem betreffende aanvragen voor tapmachtigingen om te kunnen toetsen of de inbreuken op zijn rechten noodzakelijk waren.

Door niet aan de wens van eiser tegemoet te komen handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiser. Eiser heeft recht op en belang bij het verkrijgen van de gevraagde documenten. Hij beroept zich daarbij op het bepaalde in de artikelen 8 en 6 EVRM.

Burgers dienen te kunnen toetsen of de inmenging in hun privacy-recht achteraf rechtmatig blijkt. In de Nederlandse situatie gebeurt dat ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting. De zittingsrechter beoordeelt of de Rechter-Commissaris (R-C) in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat een machtiging kon worden verstrekt in de zin van artikel 126 m Wetboek van Strafvordering (Sv) en of de officier in overeenstemming met de machtiging heeft gehandeld.

In het onderhavige geval lijkt geen toetsing mogelijk, nu de Nederlandse justitie kennelijk geen vervolging heeft ingesteld tegen eiser. Daarom dient de rechtmatigheid van het gebruik getoetst te kunnen worden. Dat kan door de aanvragen van de tapmachtigingen over te leggen.

De Engelse raadsman heeft eiser geïnformeerd dat ook in juli 2006 gesprekken van eiser zijn opgenomen. Eiser wenst daarom zijn eis te wijzigen.

Eiser heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat hij op 12 oktober a.s. in de Engelse strafzaak zal moeten beslissen of hij schuld zal erkennen.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eiser heeft niet eerder dan ter terechtzitting een verzoek tot wijziging van eis aangekondigd. Gelet op het bezwaar van gedaagde, inhoudende dat hij zich op die wijziging niet heeft kunnen voorbereiden, laat de voorzieningenrechter de eiswijziging op grond van de eisen van een goede procesorde niet toe.

4.2.

Eiser heeft bevestigd dat hij de aanvragen van de machtigingen van augustus 2006 en de daarbij behorende documenten van de officier van justitie te Amsterdam heeft ontvangen. Ter beoordeling is thans de vraag of gedaagde onrechtmatig handelt door te weigeren de aanvragen van de tapmachtigingen van februari 2006 over te leggen, alsmede de overige documenten die daarop betrekking hebben.

4.3.

Eiser heeft onder meer aangevoerd dat hij belang heeft bij zijn vordering, omdat hij op die wijze kan controleren of de officier van justitie te Haarlem terecht heeft geoordeeld dat het onderzoek dringend vorderde dat gegevensverkeer van eiser werd opgenomen. Indien op grond van de inhoud van die aanvragen zou blijken dat de inbreuk op de rechten van eiser door het tappen van het telefoonverkeer niet noodzakelijk was, zou de Engelse rechter tot het oordeel kunnen komen dat het bewijs onrechtmatig is verkregen.

4.4.

Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de machtigingen zijn aangevraagd in het kader van een onderzoek naar een schietincident, waarbij eisers naam naar voren kwam. Eiser is volgens gedaagde geen verdachte in dat onderzoek. Het onderzoek richt zich vooralsnog tegen een onbekende verdachte. Gedaagde voert aan dat in de aanvragen voor de machtiging informatie over het slachtoffer, betrokkenen en andere gegevens betreffende het schietincident zijn opgenomen. Indien die gegevens bij derden bekend zouden raken zou het onderzoek kunnen worden gefrustreerd.

4.5.

Het vertrouwensbeginsel in het internationaal rechtshulpverkeer brengt met zich dat de rechter van de verzoekende staat er in beginsel van uit gaat dat de bij het rechtshulpverzoek gevraagde gegevens in de aangezochte staat op rechtmatige wijze zijn verkregen. Slechts ingeval er duidelijke aanwijzingen zijn dat sprake is van een flagrante inbreuk op zijn rechten zal eiser eventueel kunnen bewerkstelligen dat de Engelse rechter nader onderzoek doet naar de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Een dergelijke situatie is hier echter niet aannemelijk geworden. Een onafhankelijke rechter, de R-C, heeft immers geoordeeld dat aan de wettelijke voorwaarden voor het geven van een machtiging is voldaan. Eiser heeft er naar voorlopig oordeel dan ook onvoldoende belang bij dat hem de gevraagde gegevens worden verschaft, mede gelet op het opsporingsbelang dat gedaagde heeft kenbaar gemaakt.

Dat er voor eiser een verminderde toetsingsmogelijkheid bestaat in vergelijking met de Nederlandse situatie, waarin in laatste instantie de zittingsrechter de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid beoordeelt, maakt dat oordeel niet anders. Dat brengt in dit geval het internationaal rechtshulpverkeer met zich mee.

Gelet op het voorgaande handelt gedaagde dan ook niet onrechtmatig door de gevraagde gegevens niet aan eiser te verstrekken.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

weigert de door eiser gevraagde wijziging van eis;

wijst de vordering af;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 8 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

evm