Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:BA9659

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
AWB 05/4500
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek voor levensonderhoud van kinderen tot een bedrag van € 1.596 en voorts dat bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat de meergenoemde advocaatkosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt. Het beroep is gegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd zoals deze na ambtshalve vermindering is komen te luiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4500

Uitspraakdatum: 5 januari 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 25 mei 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en inkomen van € 38.485.

Zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2005.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [A]. Namens verweerder is verschenen [B].

1. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de aanslag zoals die is komen te luiden na ambtshalve vermindering daarvan door verweerder;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

2.1. Eiser heeft over het jaar 2003 aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.485. Bij zijn aangifte heeft hij stukken meegezonden die betrekking hebben op advocaatkosten die hij heeft gemaakt in verband met een ontslagprocedure. De werkzaamheden van de advocaat hebben volgens eiser mede betrekking op jaren vóór 2001. Om die reden vraagt hij in de bijlage bij de aangifte of de desbetreffende kosten, die niet op het aangiftebiljet zijn vermeld, voor het jaar 2003 als arbeidskosten in aftrek kunnen worden gebracht, ook al biedt de Wet inkomstenbelasting 2001 die mogelijkheid niet.

2.2. Verweerder heeft met dagtekening 15 mei 2004 een voorlopige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.289. In afwijking van de aangifte heeft verweerder hierbij geen aftrek toegepast wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. Eiser heeft in de aangifte terzake een aftrek van € 4.196 opgevoerd.

2.3. Bij brief van 17 mei 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag. In de brief stelt hij dat ten onrechte geen rekening is gehouden met persoonsgebonden aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van kinderen en de aftrek van advocaatkosten.

Bij brief van 7 juli 2004 heeft eiser de aftrek van advocaatkosten becijferd op € 19.196. Deze brief is door verweerder als aanvulling op de aangifte aangemerkt. Bij besluit van 1 september 2004 is de voorlopige aanslag verminderd tot nihil. Met dagtekening 2 september 2004 heeft verweerder een negatieve voorlopige aanslag opgelegd tot een terug te geven bedrag van € 6.112. Het verschil tussen het bij de eerste voorlopige aanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning en dat waarnaar de negatieve voorlopige aanslag is vastgesteld is gelijk aan het door eiser aan advocaatkosten opgevoerde bedrag van € 19.196.

2.4. Tussen 27 oktober 2004 en april 2005 heeft correspondentie plaatsgevonden tussen verweerder en eiser over de door eiser opgevoerde uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. Op 5 april 2005 heeft verweerder aan eiser een brief gestuurd waarin hij aankondigt af te wijken van de aangifte en geen aftrek voor uitgaven voor levensonderhoud toe te staan. Verweerder heeft met dagtekening 20 april 2005 de thans bestreden aanslag opgelegd. Het bezwaar van eiser tegen deze aanslag is door verweerder afgewezen.

2.5. In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op aftrek voor levensonderhoud van kinderen tot een bedrag van € 1.596 en voorts dat bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat de meergenoemde advocaatkosten in aftrek kunnen worden gebracht.

2.6. Blijkens het verweerschrift stelt verweerder zich inmiddels op het standpunt dat eiser in aanmerking komt voor aftrek wegens levensonderhoud van kinderen tot een bedrag van € 1.596. De aanslag is door verweerder ambtshalve dienovereenkomstig verminderd. Voor het overige heeft verweerder de standpunten van eiser gemotiveerd weersproken, zodat thans tussen partijen nog in geschil is of sprake is van een in rechte te honoreren vertrouwen op grond waarvan verweerder de door eiser opgevoerde advocaatkosten in aftrek had moeten toelaten.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7. In het algemeen is de inspecteur niet ertoe verplicht bij de vaststelling van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opnieuw het standpunt in te nemen dat ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag of een vermindering daarvan. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan in de weg. De voorlopige aanslag schept slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Bij de vaststelling van een voorlopige aanslag en een vermindering daarvan ligt een grondig onderzoek van de zijde van de belastingadministratie derhalve niet voor de hand. De evenvermelde regel dient echter uitzondering te lijden indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen. De enkele omstandigheid dat, nadat een belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld, een voorlopige aanslag wordt opgelegd of verminderd overeenkomstig het door hem daarover ingenomen standpunt, is op zichzelf onvoldoende reden voor een uitzondering als hier bedoeld. (Hoge Raad 17 januari 2003, nr. 37.463, BNB 2003/188.)

2.8. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige kwestie door eiser weliswaar uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld, maar de hiervoor genoemde feiten vormen niet een bijkomende omstandigheid op grond waarvan eiser heeft kunnen menen dat verweerder hierover weloverwogen een standpunt heeft bepaald. Ook overigens is hierover niets gesteld of gebleken. Naar algemeen bekend is, is het opleggen en verminderen van voorlopige aanslagen een massaproces, waarin een grondige beoordeling van de voorhanden gegevens in de regel niet aan de orde komt. Over de brieven van eiser waarin hij de kwestie aan de orde heeft gesteld is geen verder contact geweest tussen eiser en verweerder. Bovendien heeft eiser in die brieven zelf aangegeven zich ervan bewust te zijn dat hij verzocht om aftrek in strijd met de voor het onderhavige jaar geldende wettelijke bepalingen. Ook aan de omstandigheid dat bij de correspondentie voorafgaand aan de definitieve aanslagregeling de kwestie tussen eiser en verweerder niet nadrukkelijk aan de orde is geweest heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen vertrouwen kunnen ontlenen dat verweerder weloverwogen tot het standpunt was gekomen dat de desbetreffende kosten in aftrek kunnen worden toegelaten. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd zoals deze na ambtshalve vermindering is komen te luiden.

2.10. In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiser in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Voorts dient aan eiser het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 5 januari 2006 door mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van mr. C.D. Loen, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.