Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:BA8572

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
583777 \ CV EXPL 06-3384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing van vordering van garagebedrijf, ongerechtvaardigde verrijking, beide partijen hebben in gelijke mate hun zorgvuldigheidsverplichtingen geschonden bij doorverkoop van gestolen auto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector kanton - locatie Leiden

PB

rolnr. 583777 \ CV EXPL 06-3384

datum: 13 december 2006

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap Garage [A.] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats A.],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M. Tsoutsanis,

tegen

de besloten vennootschap Garage [B.] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats B.],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. Ph. Ekering.

Partijen worden aangeduid als "[A.]" en "[B.]".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 9 mei 2006;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens akte houdende wijziging van eis in conventie, tevens antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie.

Feiten

In conventie

1. [B.] heeft op 3 december 1998 aan [S.], een particulier, een Nissan Micra met het kenteken [J*-H*-00] verkocht. [S.] betaalde voor deze auto ƒ 16.000,= (7.260,48 euro).

2. De door [B.] aan [S.] geleverde auto is op 10 maart 1998 gestolen in Rotterdam.

3. [S.] heeft de auto op 30 november 2001 verkocht aan [A.], in die zin dat zij de auto heeft ingeruild en daarvoor een bedrag van 3.658,94 euro op de aanschaf van een nieuwe auto in mindering werd gebracht.

4. [A.] heeft de auto op 20 maart 2002 voor 4.975,= euro verkocht aan [C.]. [C.] heeft de auto in 2003 en 2004 APK laten keuren. Bij de keuring in 2004 werd de auto afgekeurd, waardoor een nieuwe keuring nodig was. Tijdens deze laatste keuring is gebleken dat de auto was omgekat; een deel van het chassisnummer bleek weggeslepen te zijn. Daarnaast bleek voor de auto oorspronkelijk het kenteken [J*-P*-00] te zijn afgegeven.

5. Bij brief van 12 juli 2004 is [A.] door de verzekeraar van de oorspronkelijk bestolene aangesproken tot betaling van de verkoopprijs van 4.975,= euro. [A.] heeft deze vordering voldaan.

In reconventie

6. Voorafgaand aan de dagvaarding in de onderhavige procedure is op naam van Garage [A.] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [plaats C.], op 15 april 2006 een dagvaarding met dezelfde inhoud als de inleidende dagvaarding in deze procedure betekend aan [B.]. Die dagvaarding heeft niet gediend en de zaak is ingetrokken waarna, op 9 mei 2006, de inleidende dagvaarding in deze procedure is uitgevaardigd.

7. De raadsman van [B.] heeft, zo volgt uit de in geding gebrachte declaratie, vanaf 21 april 2006 werkzaamheden in rekening gebracht.

Vordering

In conventie

8. [A.] vordert, na wijziging van eis, dat [B.] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van 5.000,= euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2006 tot de dag der voldoening, zulks met veroordeling van [B.] in de kosten van dit geding.

9. De grondslag van de vordering van [A.] is ongerechtvaardigde verrijking. Zij is verarmd met het bedrag van de koopprijs ad 4.975,= euro terwijl [B.] is verrijkt met de ten onrechte van [S.] ontvangen koopprijs. Deze verrijking en verarming zijn gelegen in de doorverkoop van een gestolen auto zodat er voldoende causaal verband tussen verarming en verrijking bestaat.

10. Voor vooraftrek van de door [A.] betaalde koopprijs was geen plaats omdat [A.] door het maken van die kosten in het bezit is gekomen van de auto en de verkoopprijs heeft kunnen realiseren (VR 2002/184).

11. [A.] stelt verder dat de verzekeraar [C.] niet kon aanspreken op grond van het bepaalde in artikel 3:86, lid 3 sub a, BW. Het stond [A.] voorts vrij om [B.] en niet [S.] aan te spreken.

12. De vordering van [A.] ziet tevens op een bedrag van 25,= euro aan buitengerechtelijke incassokosten.

In reconventie

13. [B.] vordert dat [A.], bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van 511,56 euro te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2006 tot de dag der algehele voldoening en [A.] te veroordelen in de proceskosten, en daarbij te bepalen dat wettelijke rente over deze proceskostenveroordeling verschuldigd zal zijn indien deze niet binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis voldaan zal zijn.

14. [B.] stelt daartoe dat zij bij herhaling getracht heeft [A.] buiten rechte te bewegen om af te zien van het voeren van een procedure. Nadat dit zonder resultaat bleef heeft zij zich moeten wenden tot haar raadsman om dat resultaat te bereiken. [B.] maakt daarom aanspraak op de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten bestaande uit de declaratie van haar raadsman, waarvan de BTW verrekenbaar is. Deze declaratie zag op werkzaamheden verricht ter voorkoming van deze procedure.

Verweer

In conventie

15. [B.] concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

16. [B.] stelt voorop dat zij inhoudelijk verweer gevoerd heeft, waarop in de dagvaarding niet gereageerd is. [A.] heeft derhalve in strijd met het bepaalde in artikel 111 lid 3 Rv gehandeld.

17. [B.] betwist bij gebrek aan wetenschap dat na de diefstal van de Nissan een vals voertuigidentificatienummer is aangebracht. Dat kan ook voor de diefstal hebben plaatsgevonden. [A.] lijkt [B.] te verwijten niet te hebben opgemerkt dat de auto is omgekat. Dat had [A.] zelf ook kunnen waarnemen, zodat zij zich aan eenzelfde gedraging schuldig gemaakt heeft. Er is derhalve geen enkele relatie tussen het handelen van [B.] en de eventuele schade van [A.].

18. Volgens [B.] had de verzekeraar zich moeten wenden tot [C.] terwijl [A.] zich tot [S.] had moeten richten. In ieder geval was [A.] niet gehouden de verzekeraar te betalen omdat de revindicatieperiode al verstreken was.

19. De verrijking van [A.] bedraagt niet meer dan 1.300,= euro, zijnde het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs. Als de inkoopkant wordt weggedacht wordt niet het voordeel weggenomen maar nadeel toegebracht. De verrijking van [B.] is het verschil tussen de door haar ontvangen verkoopprijs en de door haar ontvangen inkoopprijs. Per saldo was dat een bedrag van ƒ 77,57. Verder is in dit verband nog van belang dat [C.] na de aankoop nog twee jaar met de Nissan heeft gereden, zodat de waarde van de Nissan in 2004 nihil was. Als [A.] gehouden zou zijn geweest de auto af te geven dan zou de verzekeraar in het bezit zijn gekomen van de auto in de staat waarin deze zich in 2004 bevond. Er is geen reden om de verzekeraar te verrijken met het waardeverlies van de Nissan in de periode 2002-2004.

In reconventie

20. [A.] concludeert tot afwijzing van het gevorderde. Zij is van mening dat [B.] terecht in rechte is betrokken. Daarnaast zijn de werkzaamheden van de raadsman niet gericht op het voorkomen van een procedure. De raadsman is namelijk pas ingeschakeld nadat een eerste dagvaarding was uitgebracht waarop een verkeerde eisende partij vermeld was. Deze dagvaarding is op 15 april 2006 uitgebracht terwijl de urenspecificatie van de raadsman van [B.] pas op 21 april 2006 begint.

Beoordeling

In conventie

21. Geconstateerd moet worden dat [A.] heeft nagelaten in de inleidende dagvaarding het verweer van [B.] te verwoorden, zulks terwijl [A.] in ieder geval in de periode gelegen tussen 15 april 2006, toen de eerste dagvaarding is uitgebracht, en 9 mei 2006, toen de tweede dagvaarding is uitgebracht, van de weren van [B.] op de hoogte gebracht is. Dit gebrek is echter in de loop van de onderhavige procedure hersteld zodat de dagvaarding niet nietig verklaard hoeft te worden.

22. Alhoewel niet duidelijk is wanneer het omkatten van de auto heeft plaatsgevonden, gaat de kantonrechter er van uit dat dit is gebeurd voorafgaand aan de verkrijging door [B.]. [B.] heeft de auto in haar administratie immers steeds onder het kenteken [J*-H*-00] geregistreerd en [A.] heeft niet gesteld dat de auto door [B.] is omgekat. In ieder geval moet de kentekenwijziging na de diefstal hebben plaatsgevonden, omdat de aangifte met vermelding van het oude kenteken heeft plaatsgevonden.

23. Hoogst opmerkelijk is dat de auto diverse aan- en verkopen door professionele handelaren alsmede APK-keuringen heeft doorstaan zonder dat onregelmatigheden aan het chassisnummer ontdekt zijn. Deze onregelmatigheden zijn noch bij [B.] noch bij [A.] noch bij de APK-keuring in 2003 (en daaraan voorafgaande APK-keuringen, nu de auto ook al voor 2003 APK-plichtig was) aan het licht gekomen, en als dat anders mocht zijn dan is daar in ieder geval niets mee gebeurd.

24. Daarmee staat vast dat zowel [B.] - die overigens nalaat te stellen hoe zij de auto heeft verworven - als [A.] bij de verkrijging van de auto niet de zorgvuldigheid hebben betracht die van een professioneel autohandelaar verwacht mag worden. Is daarmee ook sprake van ongerechtvaardigde verrijking, die dan in de visie van [A.] alleen bij [B.] heeft plaatsgevonden? En moet een rol spelen de vraag of [A.] de vordering van de verzekeraar had kunnen afweren?

25. Vastgesteld kan worden dat revindicatie van de auto door de verzekeraar op de voet van artikel 3:86 BW niet meer mogelijk was. De driejaarstermijn was allang verstreken en de laatste verkrijger was een natuurlijk persoon die (blijkbaar) niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde. Alhoewel de aansprakelijkstelling door de verzekeraar dat niet met zoveel woorden stelt kan uit de tekst daarvan worden afgeleid dat, nu revindicatie uitgesloten is, [A.] als handelaar wordt aangesproken. Die aansprakelijk kan worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking.

26. De kantonrechter is van oordeel dat [A.] ongerechtvaardigd verrijkt was. [A.] heeft te gelden als voorman van de koper die geacht moet worden niet te goeder trouw te hebben gehandeld. [A.] heeft immers nagelaten zich er behoorlijk van te vergewissen dat de aangeboden auto niet gestolen was, of kon zijn. Dat laatste zou immers kunnen worden afgeleid uit een gedeeltelijk weggeslepen chassisnummer. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:212 BW (MO II Inv. Parl Gesch Boek 3, Antwoord van de Minister, blz. 1220/1) volgt dat een dergelijke voorman dan jegens de bestolene, en daarmee ook jegens diens gesubrogeerde verzekeraar, ongerechtvaardigd verrijkt is met de door hem ontvangen koopprijs van 4.975,= euro. Voor aftrek van de betaalde inkoopprijs is - in de relatie tot de verzekeringsmaatschappij - in redelijkheid geen plaats omdat [A.] door het maken van deze kosten in het bezit is gekomen van de auto en de verkoopprijs heeft kunnen realiseren.

27. Hoe zit het dan in de relatie tussen [A.] en [B.], waarbij zij opgemerkt dat de tussenliggende [S.] als particulier beschermd zou zijn tegen bij voorbeeld revindicatie? De positie van [B.] is dezelfde als die van [A.] omdat voor haar precies dezelfde redenering opgaat als voor [A.]. Ook zij heeft niet te goeder trouw gehandeld en haar onderzoeksplicht geschonden.

28. Hoeveel kan [A.] dan, afgezien van de hierna nog aan de orde komende vraag welke gevolgen de redelijkheidstoets van artikel 6:212 BW in dit geval heeft, aan [B.] in mindering brengen? Dat is niet het thans gevorderde bedrag. [A.] zou dan immers, ten koste van [B.], verrijkt worden met een bedrag van 1.300,= euro. Die verrijking zou alleen al ongerechtvaardigd zijn vanwege het feit dat ook [A.] onzorgvuldig gehandeld heeft. Het kan daarom om niet meer gaan dan een bedrag van 3.658,94 euro.

29. De kantonrechter is echter van oordeel dat het niet redelijk is om dat bedrag voor het volle pond in rekening te brengen aan [B.] omdat beide partijen in gelijke mate hun zorgvuldigheidsverplichtingen hebben geschonden. De gevolgen van die schending mogen en moeten zij daarom gelijkelijk dragen. De vordering in conventie is daarom toewijsbaar tot een bedrag van 1.829,47 euro.

De buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen. [B.] heeft immers van aanvang af laten weten niet tot betaling te zullen overgaan, zodat de verrichte werkzaamheden niet anders kunnen worden gezien als ter voorbereiding van de onderhavige procedure.

In reconventie

30. [A.] betoogt terecht dat geen sprake is van kosten ter voorkoming van een procedure. Door het uitbrengen van een, wegens onvolkomenheden later ingetrokken, dagvaarding was al op 15 april 2006 was aan [B.] bekend dat [A.] haar in rechte ging betrekken. Dat de zaak op dat moment niet gediend heeft maakt dit niet anders, temeer niet nu vrijwel direct na intrekking de nieuwe dagvaarding, die op 9 mei 2006 betekend is, uitgebracht is. Volgens de door [B.] in geding gebrachte urenspecificatie is haar raadsman pas op 21 april 2006 voor het eerst in actie gekomen. Dat brengt met zich dat het er voor wordt gehouden dat die werkzaamheden pas naar aanleiding van het uitbrengen van de dagvaarding zijn verricht. Daarbij is in aanmerking genomen dat [B.] heeft nagelaten dit hele voortraject te noemen en de werkzaamheden van haar raadsman te plaatsen in dit gehele feitencomplex rondom de dagvaarding(en).

31. De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

32. Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij wordt [B.] veroordeeld in de kosten van deze procedure. Daarbij wordt het toe te wijzen gemachtigdensalaris gerelateerd aan de omvang van de toe te wijzen vordering.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

- veroordeelt [B.] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A.] te betalen 1.829,47 euro, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 5 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [B.] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [A.] begroot op 567,32 euro waaronder begrepen 300,-- euro voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [B.] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [A.] begroot op 100,--euro voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2006.