Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:BA8452

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
236104 - HA ZA 05-0354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de vordering billijke vergoeding voor (verdere) exploitatie van het filmwerk Soldaat van Oranje. Eiser (scenarist) heeft in 1975 overeenkomst gesloten met gedaagde (producent) waarbij onder meer alle mogelijke auteursrechten zijn overgedragen, waaronder ook die voor destijds wellicht minder voorzienbare toekomstige exploitatievormen inclusief de verhuur van DVDs

Reikwijdte art 45d Auteurswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

hw / afd. I

zaak- en rolnummer: 236104 / HA ZA 05-0354

datum vonnis: 12 april 2006

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

Vonnis in de zaak met bovenstaand zaak- en rolnummer van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr C.A. Alberdingk Thijm (Amsterdam),

procureur: mr H.J.A. Knijff,

tegen

1. de besloten vennootschap [H.] Film & TV Producties BV,

2. de besloten vennootschap Nedfilm - Nederlandse Film & TV Compagnie BV,

3. de besloten vennootschap Nedfilm 2 BV,

alle gedaagde vennootschappen gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr R.S. le Poole (Amsterdam),

procureur: mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

De partijen in deze zaak over kort gezegd art. 45d Auteurswet en de exploitatierechten terzake van het filmwerk Soldaat van Oranje worden hierna aangeduid als [eiser] en [H.] BV cs. Gedaagden afzonderlijk worden hierna kortheidshalve ook wel aangeduid als [H.] Film BV, Nedfilm 1 BV en Nedfilm 2 BV.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende gedingstukken met producties in het griffie-dossier:

- de dagvaarding van 13 januari 2005, met producties;

- de conclusie van antwoord van 23 maart 2005;

- de faxbrieven van beide advocaten aan de rolrechter van 29 maart en 4 april 2005;

- de conclusie van repliek van 18 mei 2005, met producties;

- de conclusie van dupliek van 29 juni 2005, met producties.

Daarna heeft de rechtbank vonnis bepaald op (uiteindelijk) heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Feiten

1. [eiser] is scenario-schrijver en ook voorzitter van de stichting LIRA, een belangenorganisatie van auteurs. [eiser] is samen met drie anderen (de heren [G.S.], [P.V.] en [E. H.R.]) co-scenarioschrijver geweest van de alom bekende en bekroonde film Soldaat van Oranje, die in 1977 in première ging te Amsterdam.

1.2 Producent van deze succesvolle Nederlandse speelfilm is [H.] Film BV. De heer [H.] is directeur van [H.] BV cs. Het filmwerk Soldaat van Oranje wordt ook thans na bijna 30 jaar nog geëxploiteerd, mede door verhuur van DVDs.

1.3 Met het oog op de te produceren speelfilm hadden [H.] Film BV en [eiser] al op 9 september 1975 een overeenkomst gesloten, ingevolge welk contract (sterk verkort weergegeven) scenarist [eiser] als wederprestatie voor a) het samen met anderen schrijven van het draaiboek voor de film Soldaat van Oranje en b) de algehele overdracht van alle auteursrechten aan filmproducent [H.] Film BV een bedrag van fl 22.500,- heeft ontvangen. Aldus bepaalt art. 2 van dit contract uit 1975.

1.4 Bij aangetekende brief van 8 april 2004 heeft de huidige advocaat van [eiser] jegens [H.] en/of Nedfilm 1 BV te Den Haag aanspraak gemaakt op alsnog een billijke vergoeding voor de (verdere) exploitatie van de speelfilm Soldaat van Oranje, waaronder de verhuur van DVDs. Daarop is door de advocaat van [H.] BV cs afwijzend gereageerd. Eerdere brieven uit eind 1995 en eind 1996 van [eiser] zelf en van diens vroegere advocaat gericht aan [H.] en Nedfilm 1 BV te Amsterdam, waren tot dan onbeantwoord gebleven.

2. Geschillen

2.1 [eiser] vordert dat het de rechtbank behage bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met proceskostenveroordeling van [H.] BV cs:

- voor recht te verklaren dat de maker van (een gedeelte van) een filmwerk c.q. eiser niet bij overeenkomst afstand kan doen van het recht op een billijke vergoeding in de zin van artikel 45d Au-teurswet terzake iedere vorm van toekomstige exploitatie, althans terzake de ten tijde van de voltooiing van het filmwerk onvoorzienbare exploitatievormen en terzake de verhuur van het filmwerk, althans terzake de verhuur van het filmwerk;

- voor recht te verklaren dat de producent van een filmwerk c.q. gedaagde(n) de maker van (een gedeelte van) een filmwerk c.q. eiser niet kan compenseren terzake de verschuldigde billijke vergoeding(en) door betaling van een bedrag ineens terzake iedere vorm van exploitatie, althans terzake de ten tijde van de voltooiing van het filmwerk onvoorzienbare exploitatievormen en terzake de verhuur van het filmwerk, althans terzake de verhuur van het filmwerk;

- gedaagde(n) te bevelen aan eiser te betalen een billijke vergoeding terzake iedere vorm van exploitatie van de speelfilm Soldaat van Oranje, althans terzake de ten tijde van de voltooiing van de speelfilm onvoorzienbare exploitatievormen en terzake de verhuur van de speelfilm, althans terzake de verhuur van de speelfilm, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.2 [eiser] stelt daartoe vooral het volgende. Het gaat hem in deze proefprocedure om de reikwijdte van art. 45d Auteurswet. In de praktijk wordt een scenarioschrijver bij een overeenkomst met een filmproducent vaak gedwongen afstand te doen van het recht op een billijke vergoeding voor iedere vorm van onvoorziene exploitatie van het filmwerk waaronder die door verhuur. Producenten weigeren daardoor vaak scenarioschrijvers mee te laten delen in de toekomstige opbrengsten van succesvolle speelfilms. Die praktijk is in strijd met deze wettelijke regeling, die voor wat betreft de billijke vergoedingen van dwingend recht is. Een eenmalige afkoopsom is ook niet te rijmen met de ratio van de voor de rechtspraktijk onduidelijke regeling van art. 45d Auteurswet, welke ratio is de bescherming van de zwakke onderhandelingspositie van de auteur tegenover de filmproducent, aldus [eiser]. Ook beoogt [eiser] blijkens zijn repliek met de uitspraak van deze rechtbank het wetgevingsproces met betrekking tot een nieuw auteurscontractenrecht te beïnvloeden, zie de kamerstukken 29838.

Voorts gaan volgens [eiser] bij repliek de na te noemen verweren van [H.] BV cs bij antwoord in deze concrete zaak niet op, naar welk processtuk van [eiser] de rechtbank thans kortheidshalve verwijst.

2.3 [H.] BV cs voeren gemotiveerd verweer. Hun betoog komt er naar de kern genomen op neer dat [eiser] destijds vorstelijk is beloond voor zijn relatief geringe prestatie inclusief de overdracht van alle mogelijke auteursrechten, waaronder ook die van de toekomstige verhuur van DVDs. Dit is geen proefprocedure, maar een ontoelaatbare poging om na bijna 30 jaar nog een extra graantje mee te willen pikken. Het omgekeerde gebeurt ook nooit in geval van een flop: de filmproducent blijft dan met de strop zitten en de scenarist geeft zijn honorarium dan nooit terug, aldus [H.] BV cs.

Het meer juridische verweer van [H.] BV cs luidt dat Nedfilm 1 BV en Nedfilm 2 BV niets met deze zaak van doen hebben, dat de vorderingen veel te algemeen zijn geformuleerd, dat art. 45d Auteurswet gelet op het overgangsrecht toepassing mist op de onderhavige overeenkomst uit 1975, dat [eiser] wel degelijk een billijke vergoeding heeft ontvangen voor alle mogelijke exploitatievormen, en uiterst subsidiair dat de eventuele vorderingen van co-auteur [eiser] jegens filmproducent [H.] Film BV terzake van de film Soldaat van Oranje zijn verjaard of vervallen, mede omdat diens niet aangetekende brieven uit 1995 en 1996, gericht aan een verkeerde rechtspersoon op een verkeerd adres, door filmproducent [H.] Films BV destijds nooit zijn ontvangen.

2.4 In deze zaak is bij wijze van uitzondering geen comparitie van partijen gelast. De rolrechter willigde daarmee het verzoek van de advocaat van [eiser] bij fax van 29 maart 2005 in. De zaak leende zich volgens [eiser] niet voor een schikking en bovendien zou met een snelle uitspraak van de rechtbank na re- en dupliek nog het wetgevingsproces in de zomer van 2005 kunnen worden beïnvloed, terwijl een onnodige comparitie volgens [eiser] alleen maar vertragend zou werken.

2.5 Voor de exacte wederzijdse standpunten verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de gedingstukken met producties. Deze staan aan beide zijden bol van de citaten uit en de verwijzingen naar de (ietwat warrige) wetsgeschiedenis van art. 45d Auteurswet en de rechtsgeleerde literatuur. Bij repliek bevindt zich als productie ook het IVIR-rapport van Hugenholtz en Guibault uit juni 2004 van exclusief inleiding 128 bladzijden dik, terwijl zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet valt in te zien dat dit onderzoeksrapport relevant kan zijn voor de beoordeling van de onderhavige vorderingen, uitgezonderd wellicht de bladzijden 11, 12, 26, 27, 28 en 82 van dat advies aan de Minister van Justitie over een eventuele wettelijke regeling van het auteurscontractenrecht.

3. Beoordeling

3.1 De rechtbank (sector civiel) heeft niet tot taak om met haar uitspraken wetgevingsprocessen te beïnvloeden, maar om in eerste aanleg concrete civiele geschillen tussen partijen te beslechten in de bijzondere feitelijke omstandigheden van elk geval. Voorzover de rechtbank thans kan nagaan verloopt overigens het door [eiser] bedoelde wetgevingsproces (kamerstukken 29838) veel langzamer dan aanvankelijk werd verwacht. Zie daartoe thans het tijdschrift AMI 2006 blz. 42, afgezet tegen tijdschrift AMI 2005 nr 1, de special over een eventueel nieuw auteurscontractenrecht met daarin ook een bijdrage van [eiser] zelf.

3.2 Het behoeft na het voorgaande geen verder betoog, dat de door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht (zie 2.1) - die blijkbaar zeer algemeen zijn geformuleerd met het oog op de door hem gewenste nieuwe wetgeving of ter opheldering van de in zijn stukken genoemde onduidelijkheden in de rechtspraktijk over het huidige art. 45d Auteurswet - veel te algemeen zijn geformuleerd om in een civiele zaak als deze te kunnen worden toegewezen.

3.3 Ook heeft [eiser] bij repliek niet duidelijk gemaakt, dat en op welke wijze gedaagden Ned-film 1 BV en Nedfilm 2 BV in relevante mate bij de onderhavige zaak betrokken zouden zijn. De producent van Soldaat van Oranje en de contractuele wederpartij van [eiser] uit 1975 was en is immers gedaagde [H.] Films BV. In zoverre slagen de desbetreffende verweren van [H.] BV cs tegen deze in het licht van de vastgestelde feiten (zie rov. 1) door de rechtbank te beoordelen vorderingen (zie rov. 2).

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank slagen ook de overige verweren tegen de overige, meer concreet op de onderhavige casus toegesneden vorderingen van [eiser] op [H.] BV cs. Daartoe is het volgende redengevend.

3.5 Terecht betogen [H.] BV cs dat het onderhavige overgangsrecht uit 1985 geen andere conclusie toelaat, dan dat de per 1 augustus 1985 ingevoerde wetsartikelen 45a t/m 45g Auteurswet toepassing missen indien voordien reeds een aanvang is gemaakt met het tot stand brengen van filmwerken. Dat is het geval met de speelfilm Soldaat van Oranje (1977) en de onderhavige overeenkomst (1975). De nadien ook nog in 1995 gewijzigde - en mede daardoor in de rechtspraktijk volgens de processtukken voor meerderlei uitleg vatbare - lex specialis van art. 45d Auteurswet mist derhalve toepassing, en de rechtbank moet bij de beoordeling van het geschil tussen partijen over een billijke vergoeding voor exploitatierechten teruggrijpen op de lex generalis van art. 2 Auteurswet over de overdracht van auteursrechten en op het algemeen verbintenissenrecht, waaronder het centraal staande beginsel van de contractsvrijheid.

3.6 De overeenkomst tussen partijen uit 1975 laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere redelijke uitleg op de voet van het Haviltex-criterium toe, dan dat [eiser] aan [H.] Films BV tegen betaling van een lumpsum van fl 22.500,- onder meer alle mogelijke auteursrechten overdroeg, waaronder ook die voor destijds wellicht minder voorzienbare toekomstige exploitatievormen inclusief de verhuur van DVDs. Deze uitleg volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de tekst en strekking van vooral de artikelen 2, 4 en 19 van het contract in onderlinge samenhang bezien, waarin in artikel 4 over die algehele overdracht van auteursrechten (artt. 2 en 19) expliciet is vermeld:

De overdracht van rechten heeft in het bijzonder ook betrekking op alle tegenwoordige en toekomstige vormen, systemen en werkmethodes van de cinematografie en hun toepassingsmogelijkheden van de film en zijn gedeelten. Tevens is ook er in begrepen het recht van overbrenging of uitzending per draad, door radio en televisie, alsmede de vergunning tot publieke ontvangst. Tevens is ook inbegrepen het recht van overbrenging / exploitatie op videocassettes / beeldplaten etc.

Voor deze uitleg van de overeenkomst pleiten tenslotte ook de onvoldoende weersproken stellingen van [H.] BV cs, dat fl 22.500,- in 1975 in feite een zeer royale beloning vormde, en dat de film-producent [H.] Film BV anders dan de scenarioschrijvers zoals [eiser] alle mogelijke financiële risico's liep bij deze destijds duurste en meest ambitieuze Nederlandse speelfilm ooit.

3.7 Kortom, [eiser] gaat in deze procedure uit van een onjuiste uitleg en een onjuiste lezing van de door hem in 1975 ondertekende overeenkomst. Anders dan hij veronderstelt, heeft hij met fl 22.500,- destijds wel degelijk ook een rechtsgeldig overeengekomen billijke vergoeding op voorhand ontvangen voor alle mogelijke toekomstige exploitatievormen van het filmwerk Soldaat van Oranje, waaronder de in 2005 klaarblijkelijk succesvolle verhuur van DVDs. Indien die huidige DVDs al niet zouden zijn te beschouwen als de in de overeenkomst bedoelde beeldplaten etcetera, dan toch zijn zij te kwalificeren als vervangingen van de door de technische ontwikkelingen achterhaalde videocassettes uit de overeenkomst (vgl. de door [H.] Films BV nog aangestipte uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof). Anders dan [eiser] betoogt, ziet de rechtbank niet in waarom art. 45d Auteurswet ingevoerd in 1985 of enige andere rechtsregel aan deze contractsvrijheid van partijen uit 1975 in de weg zou staan.

3.8 Van onvoorziene omstandigheden als (thans) bedoeld in art. 6:258 BW is niets relevants gesteld of gebleken. Ook zijn (mede bij gebreke van een comparitie van partijen) geen concrete feiten of omstandigheden gesteld, die - indien bewezen - nog zouden kunnen leiden tot de conclusie dat er aan de zijde van [eiser] sprake is geweest van enig wilsgebrek, zoals concrete specifieke omstandigheden die zouden maken dat hij in 1975 als co-scenarioschrijver vanuit een zwakke onderhandelingspositie gedwongen zou zijn geweest door filmproducent [H.] Films BV om afstand te doen (citaten [eiser]) van enig relevant exploitatierecht zonder billijke vergoeding daarvoor.

3.9 De slotsom van de rechtbank luidt dat de vorderingen van [eiser] om de voormelde redenen moeten worden afgewezen. Het overige debat van partijen behoeft bij deze stand van zaken geen beoordeling. [eiser] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proces-kosten aan de zijde van [H.] BV cs, tot heden begroot op € 241,- aan griffierecht en € 904,- aan salaris procureur volgens liquidatietarief II, dat is in totaal € 1.145,-. Zoals bij antwoord verzocht en bij repliek onweersproken gelaten, zal deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zijn.

BESLISSINGEN

De rechtbank:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling aan [H.] BV cs van in totaal € 1.145,- aan proceskosten, zoals begroot in rov. 3.9;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr H. Wien, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2006 in het bijzijn van de griffier.