Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:BA8389

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
AWB 04/4981 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag ter verstrekking van een verklaring van vakbekwaamheid als tandarts als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) afgewezen. Eiseres heeft reeds eerder, in 1996, op basis van de toentertijd geldende wet en regelging een aanvraag ingdiend ter verkrijging van de bevoegdheid het beroep van tandarts te mogen uitoefenen. Deze aanvraag is in 1997 door verweerder afgewezen. De nieuwe aanvraag is afgewezen omdat eiseres naar het oordeel van verweerder geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die een heroverweging van de eerdere afwijzing zouden kunnen rechtvaardigen. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat met een dergelijke afwijzing op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb niet kan worden volstaan. Verweerder is overgegaan tot een inhoudelijk beoordeling. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden teruggegrepen op het advies uit 1997 van de toenmailge CTB (Commissie buitenlandse tandartsen). Het wettelijk kader waarbinnen de beoordeling plaatsvindt is gewijzigd. Het advies van het CTB kan slechts worden gewaardeerd binnen het oude recht. Verweerder heeft niet aangegeven op welke andere wijze hij onderzoek heeft gedaan naar de vakbekwaamheid van eiseres, zoals bedoeld in de 'Circulaire verklaring vakbekwaamheid' van 16 januari 2003. Het bestreden besluit ontbeert derhalve een deugdelijke motvering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/4981 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 13 mei 2003 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend ter verstrekking van een verklaring van vakbekwaamheid als tandarts als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Het hiertegen ingestelde bezwaar is door verweerder bij besluit van

12 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 november 2004 beroep ingesteld.

Het beroep is op 16 maart 2006 ter zitting behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. A.H.J. de Kort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. van den Arend en mr. H.J. Stoop.

Motivering

Ingevolge artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG wordt, in afwijking van het in artikel 6, onder a, van die wet bepaalde, aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd indien de Minister van VWS, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan.

Verweerder voert ten aanzien van zijn bevoegdheid tot het afgeven van de verklaringen een beleid zoals neergelegd in de 'Circulaire verklaring vakbekwaamheid' van 16 januari 2003 (Stcrt. 2003, nr. 13; hierna: de circulaire). Blijkens de circulaire onderzoekt verweerder of de vakbekwaamheid van de aanvrager, gezien zijn/haar diploma respectievelijk getuigschrift, zijn/haar eventuele specialisatie en zijn/haar eventuele beroepservaring, gelijkwaardig kan worden geacht aan de vakbekwaamheid van de in Nederland gediplomeerde beoefenaar van het overeenkomstige beroep.

Verweerder laat zich blijkens de circulaire ten aanzien van het al dan niet afgeven van een verklaring omtrent de vakbekwaamheid adviseren door 'de Commissie buitenlands gediplomeerden volksgezondheid' als bedoeld in het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid (Stb. 1996, 69; hierna: het Besluit). Kennelijk wordt hiermee verwezen naar de

'Commissie buitenslands gediplomeerden' als bedoel in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit (hierna: CBGV). Deze commissie heeft, gelet op artikel 3, aanhef en onder b, van dit Besluit, onder meer tot taak verweerder van advies te dienen over de vraag of aan een buitenslands gediplomeerde op aanvraag een verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de Wet BIG behoort te worden afgegeven.

In de circulaire is omtrent deze advisering het volgende bepaald:

"De commissie baseert haar advies primair op aan haar overgelegde documenten en desgewenst op de diplomawaardering door de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (NUFFIC) of van de Vereniging Landelijke Organen Beroepsonderwijs (COLO) over de door de aanvrager genoten opleiding. De commissie zal, indien nodig, referenties over hem/haar inwinnen en/of hem/haar uitnodigen voor een gesprek. De commissie beoordeelt de vakbekwaamheid op basis van het getuigschrift van de buitenslands gediplomeerde, mede in het licht van opgedane beroepservaring, aanvullende opleiding, en bij- en nascholing alsmede eventuele medische specialisatie, of - zo nodig - in het licht van een eventuele kennis- en/of vaardighedentoets. De buitenslands gediplomeerde kan worden uitgenodigd deze toets af te leggen indien de overgelegde stukken voor de beoordeling inzake niet gelijkwaardigheid dan wel gelijkwaardigheid onvoldoende aanknopingspunten geven."

De CBGV heeft op 14 juli 1998 de 'Richtlijn compensatie buitenslands gediplomeerde tandartsen' (hierna: de Richtlijn) vastgesteld. Het doel van de Richtlijn is het inzichtelijk maken hoe de CBGV tot haar adviezen komt, waarbij al dan niet sprake is van geheel of gedeeltelijke compensatie. In de Richtlijn is met betrekking tot compensatie onderscheid gemaakt naar gelang het niveau van de opleiding van de aanvrager:

A. Indien een aanvrager een opleiding heeft gevolgd waarvan het niveau volgens de Nuffic vergelijkbaar is met minder dan vier jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland en de CBGV instemt met deze waardering, is compensatie niet mogelijk.

B. Indien een aanvrager een opleiding heeft gevolgd waarvan het niveau volgens de Nuffic vergelijkbaar is met ten minste vier jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland en de CBGV stemt in met deze waardering is compensatie mogelijk.

Compensatie door werkervaring (buiten Nederland) is alleen mogelijk wanneer sprake is van recente (niet langer dan vijf jaar geleden) en relevante werkervaring als tandarts op voldoende hoog niveau die vijf jaar of langer heeft geduurd (op basis van fulltime werken). Dit niveau kan (onder meer) zijn bereikt indien de aanvrager kan aantonen (dat hij) van het aantal jaren werkervaring, eventueel onder supervisie, gedurende ten minste twee jaar fulltime werkzaam was in een land met een tandheelkundige zorg die gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig is aan die in Nederland. Die werkzaamheden dienen een groot deel te hebben omvat van de algemene tandheelkundige praktijk zoals die in Nederland plaatsvindt.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft, kort gesteld, het verzoek van eiseres afgewezen omdat

eiseres niet voldoet aan de eisen van opleiding en ervaring.

Eiseres stelt zich, samengevat en zakelijk weergegeven, op het standpunt dat de Nuffic ten aanzien van de opleiding van eiseres heeft vastgesteld dat deze wat betreft het niveau is gelijk te stellen met vier jaar wetenschappelijk onderwijs. Derhalve valt zij onder het bereik van de compensatieregeling.

Ten aanzien van haar werkervaring wijst eiseres er op dat de vier jaren werkervaring op de Nederlandse Antillen gelijkgesteld dienen te worden met werkervaring in Nederland. De tandheelkundige zorg op de Nederlandse Antillen moet gelijkwaardig worden geacht aan de zorg in Nederland, aldus eiseres. Daarbij wijst eiseres op de verordening no. 46 A 1934 van de Nederlandse Antillen.

Daarnaast wijst zij erop dat zij geruime tijd ervaring heeft opgebouwd in de jeugdtandheelkundige hulp in de Verenigde Staten van Amerika.

Ter zitting heeft eiseres haar verbazing uitgesproken over het feit dat haar aanvraag niet aan de CBGV is voorgelegd. Voorts wijst eiseres erop dat naar haar mening geen sprake is geweest van een zorgvuldige belangenafweging en dat sprake is van een bijzonder geval.

De rechtbank overweegt als volgt:

Eiseres heeft reeds eerder (in 1996), op basis van de toentertijd geldende wet en regelgeving, een aanvraag ingediend ter verkrijging van de bevoegdheid het beroep van tandarts te mogen uitoefenen. Deze aanvraag is door verweerder bij besluit van 2 april 1997 afgewezen. Hieraan ten grondslag zijn gelegd de diplomawaardering door de Nuffic van 18 december 1996 en een (mede daarop gebaseerd) advies van de toenmalige Commissie buitenlandse tandartsen (CTB) van 12 februari 1997.

Naderhand zijn de voormelde bepalingen van de Wet BIG en de Richtlijn van kracht geworden.

De rechtbank stelt ambthalve vast dat, nu er sprake van is nieuwe wetgeving, verweerder terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Daarbij verwijst de rechtbank naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 september 2005 (LJN AU3540) en 9 januari 2006 (LJN AU9969).

Met haar verwijzing naar het ontbreken van een advies van de CBGV en het ontbreken van een zorgvuldige belangenafweging stelt eiseres zich kennelijk op het standpunt dat het bestreden besluit, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, een zorgvuldige voorbereiding ontbeert en, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, ondeugdelijk is gemotiveerd.

De rechtbank stelt in dat kader vast dat bij het primaire besluit van 1 oktober 2004 de aanvraag van eiseres is afgewezen aangezien eiseres, naar het oordeel van verweerder, geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die een heroverweging van een eerder afwijzing (besluit van 2 april 1997) zouden kunnen rechtvaardigen. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat met een dergelijke afwijzing op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb niet kan worden volstaan. Verweerder gaat vervolgens over tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van eiseres. Verweerder concludeert echter dat hij terecht en op de juiste gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek van eiseres om als tandarts in het BIG-register te worden ingeschreven af te wijzen. Daarmee lijkt verweerder te suggereren dat hij terecht de aanvraag op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb heeft afgewezen. Deze suggestie wordt versterkt doordat in het advies van de commissie bezwaarschriften nadrukkelijk wordt overwogen dat enkele eerder door eiseres overgelegde stukken buiten behandeling zullen worden gelaten.

De rechtbank stelt, gelet op de strekking van het advies van de commissie bezwaarschriften en het bestreden besluit, vast dat verweerder is overgegaan tot een inhoudelijk beoordeling van de grieven van eiseres.

Daarbij laat verweerder de uiteindelijke afwijzing enerzijds steunen op het feit dat de opleiding van eiseres niet gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig is met een Nederlandse opleiding. Verweerder merkt in dit kader op dat eiseres niet valt binnen de werkingssfeer van de Richtlijn. Volgens deze richtlijn is, zo stelt verweerder, compensatie immers slechts toegestaan indien deze werkervaring is opgedaan vanuit een opleidingsniveau dat gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig is met het wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland.

Anderzijds laat verweerder de afwijzing van de aanvraag van eiseres steunen op een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van eiseres aangaande haar werkervaring op de Nederlandse Antillen en een praktijkjaar in Honduras. Daarmee geeft verweerder kennelijk ook een waardering aan de (mogelijke) compensatiejaren. De motivering van de inhoudelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres is daarmee ambivalent.

De rechtbank stelt verder vast dat een advies van de CBGV in de stukken ontbreekt. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de CBGV geen advies heeft afgegeven. De rechtbank stelt echter vast dat de Wet BIG noch enig besluit de afgifte van een advies door de CBGV dwingend voorschrijft. Blijkens de circulaire van 16 januari 2003, kán de minister zich laten adviseren door de CBGV. Ter zitting heeft verweerder verder aangegeven dat de eerdere aanvraag van eiseres, en de daaropvolgende afwijzing, aanleiding is geweest om geen advies te vragen aan de CBGV.

Verweerder doet zijn besluit steunen op het advies van de Nuffic van

18 december 1996 en het advies van de CTB van 12 februari 1997. De CTB stelde zich, kort gesteld, op het standpunt dat de opleiding van eiseres niet gelijkwaardig is aan een Nederlandse opleiding. De ervaring is opgedaan op een niet-gelijkwaardig niveau en kan het tekort dan ook niet compenseren, zodat ook niet van een nagenoeg gelijkwaardige opleiding gesproken kan worden, aldus de CTB.

Nu sprake is van een nieuw inhoudelijk oordeel kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden teruggegrepen op een advies van de CTB. Onweersproken is dat het wettelijk kader waarbinnen de beoordeling plaatsvindt gewijzigd is. Het advies van het CTB kan slechts worden gewaardeerd binnen het oude recht. Dat de wijzigingen in het recht wellicht marginaal zijn, doet daar niet aan af.

Verweerder heeft niet aangegeven op welke andere wijze hij onderzoek heeft gedaan naar de vakbekwaamheid van eiseres, zoals bedoeld in de circulaire. Het bestreden besluit ontbeert derhalve een deugdelijke motvering.

Zoals gesteld, is verweerder blijkens het bestreden besluit van oordeel dat een aantal stukken niet behoeven te worden beoordeeld aangezien deze al betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het besluit van 1 oktober 2003. Kennelijk ligt aan deze visie ten grondslag dat de CTB deze stukken reeds in zijn beoordeling heeft betrokken. Vastgesteld is reeds, en verweerder is ook deze mening toegedaan, dat in casu géén sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De aanvraag van eiseres wordt inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank ziet niet in waarom deze stukken niet bij de beoordeling betrokken behoeven te worden, mede gelet op het uitgangspunt dat een beslissing op het bezwaar steeds een volledige heroverweging behelst.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande grond voor het oordeel dat het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb, geen stand kan houden.

Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel

8:75 Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; waarde per punt:

€ 322,--; zaak van gemiddeld gewicht).

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 12 oktober 2004;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van VWS) aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 136,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiseres moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op

20 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Abu Ghazaleh.