Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ7342

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 12515
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

COA / artikel 17 Rva 2005/ vergoeding legeskosten

Verweerder heeft in zijn verweerschrift de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd, in die zin dat de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 17, vijfde lid, Rva 2005. Met de publicatie in de Staatscourant op 12 september 2006 (nr. 177, p.7) is de Rva 2005 gewijzigd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Ingevolge artikel 17, vijfde lid, Rva 2005, zoals dat luidt sinds 12 september 2006, zijn kosten die samenhangen met een door een asielzoeker ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in ieder geval geen buitengewone kosten als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Rva 2005. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de grondslag van zijn besluit niet bij verweerschrift kan wijzigen. De rechtbank toetst het bestreden besluit zoals het luidde ten tijde van het nemen ervan. De grondslag van het bestreden besluit was gelegen in artikel 17, tweede lid, Rva 2005 en de toelichting bij artikel 17 Rva 2005, dat legeskosten niet als buitengewone kosten worden vergoed. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn weigeringsbeslissing niet op dat artikel kan baseren. Verweerder was ingevolge dat artikel bevoegd om legeskosten te vergoeden, zoals ook blijkt uit de toelichting op dat artikel. Het weglaten van het voorbeeld van vergoeding van legeskosten in de toelichting op het artikel maakt niet dat daarmee de bevoegdheid tot vergoeding van legeskosten is vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 12515

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 december 2006

In de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1966, van Somalische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. van Duijne Strobosch, advocaat te Wassenaar,

tegen:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. Tardjopawiro, werkzaam bij het COA.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 10 februari 2006 een aanvraag ingediend tot het verstrekken van voorzieningen krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) ter vergoeding van verschuldigde legeskosten voor een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 13 februari 2006 afgewezen. Eiseres heeft tegen het besluit op 8 maart 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2006. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en

ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat legeskosten niet als buitengewone kosten worden vergoed. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (de minister) heeft met de invoering van de Rva 2005 het oogmerk gehad om legeskosten niet langer als buitengewone kosten te vergoeden. De minister is dit met de Tweede Kamer overeengekomen (TK 2003/2004, 29 200 VI, nr. 165). Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de toelichting bij artikel 17 Rva 2005. De situatie van eiseres verschilt niet van andere vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier indienen, maar buiten de opvang van het COA verblijven. Ook zij zullen zelf in de legeskosten moeten voorzien.

2.3 Eiseres heeft daartegen ingebracht dat zij in de onmogelijkheid verkeert om de legeskosten zelf te voldoen en dat toepassing van artikel 17, tweede lid, Rva 2005 in haar situatie onevenredig is.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Ingevolge artikel 3, eerste lid, Wet COA is verweerder onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, Wet COA kan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (de minister) verweerder taken, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet COA, opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 Wet COA kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Wet COA.

2.5 De minister heeft krachtens artikel 12 Wet COA de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) vastgesteld. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, Rva 2005 omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval de betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, Rva 2005 zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

2.6 Verweerder heeft in zijn verweerschrift de grondslag van het bestreden besluit gewijzigd, in die zin dat de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 17, vijfde lid, Rva 2005. Met de publicatie in de Staatscourant op 12 september 2006 (nr. 177, p.7) is de Rva 2005 gewijzigd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Ingevolge artikel 17, vijfde lid, Rva 2005, zoals dat luidt sinds 12 september 2006, zijn kosten die samenhangen met een door een asielzoeker ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in ieder geval geen buitengewone kosten als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Rva 2005.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de grondslag van zijn besluit niet bij verweerschrift kan wijzigen. De rechtbank toetst het bestreden besluit zoals het luidde ten tijde van het nemen ervan. De grondslag van het bestreden besluit was gelegen in artikel 17, tweede lid, Rva 2005 en de toelichting bij artikel 17 Rva 2005, dat legeskosten niet als buitengewone kosten worden vergoed. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn weigeringsbeslissing niet op dat artikel kan baseren. Verweerder was ingevolge dat artikel bevoegd om legeskosten te vergoeden, zoals ook blijkt uit de toelichting op dat artikel. Het weglaten van het voorbeeld van vergoeding van legeskosten in de toelichting op het artikel maakt niet dat daarmee de bevoegdheid tot vergoeding van legeskosten is vervallen.

2.8 De rechtbank stelt verder vast dat verweerder kennelijk de grondslag van het bestreden besluit niet langer handhaaft.

2.9 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb en artikel 3:47, tweede lid, Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.10 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moet dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, en op 22 december 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Kluit, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.