Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6893

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/4075 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Aftrek van voorbelasting. Vergrijpboete. Redelijke termijn. De enkele bereidheid om namens eiseres een geldbedrag te voldoen kan niet worden beschouwd als een levering of een dienst aan eiseres. Ook overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het in rekening gebrachte als omzetbelasting benoemde bedrag betrekking heeft op een aan eiseres verrichte levering of dienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/7.12
V-N 2007/44.15 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4075 OB

Uitspraakdatum: 10 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.] BV, gevestigd te [Y.], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (aanslagnummer [0000.00.000.0.00.0000]), alsmede bij beschikking een boete van € 2.779.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraak op bezwaar van 2 mei 2005 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen op 13 juni 2005 per faxbericht beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006.

Namens eiseres is daar verschenen [directeur van eiseres], bijgestaan door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Op 13 juli 1995 heeft eiseres met [autoleasebedrijf]. (hierna: [autoleasebedrijf]) een leaseovereenkomst gesloten voor een [auto] (hierna: de auto). De auto wordt ter beschikking gesteld aan de directeur van eiseres.

2.2. [De directeur van eiseres] is van januari 1995 tot en met januari 1998 in dienstbetrekking bij [bedrijf Q.]. (hierna: [Q.]). [Q.] betaalt hiervoor een vaste vergoeding voor loon, sociale lasten, pensioenpremies en autokosten. De auto wordt door [directeur van eiseres] gebruikt in het kader van deze dienstbetrekking.

2.3. De maandelijkse leasetermijnen worden door [autoleasebedrijf] aan eiseres gefactureerd. Eiseres factureert terzake van de verhuur van de auto huurtermijnen met berekening van BTW aan [Q.].

2.4. In verband met de beëindiging van de dienstbetrekking tussen [directeur van eiseres] en [Q.] heeft eiseres in mei 1998 de leaseovereenkomst met [autoleasebedrijf] opgezegd. Het huurcontract tussen eiseres en [Q.] ter zake van de auto werd eveneens beëindigd.

2.5. Met dagtekening 28 mei 1998 zendt [autoleasebedrijf] een factuur aan [Q.] met de volgende beschrijving:

"Afwikkeling voortijdige beeindiging leaseovereenkomst [auto]"

Op de factuur staat als vergoeding ƒ 70.000 vermeld en wordt een bedrag van ƒ 12.250 aan BTW berekend. [Q.] heeft deze factuur voldaan en de daarop vermelde BTW op aangifte afgetrokken. Die aftrek is door de belastingdienst geweigerd.

2.6. [Q.] heeft met dagtekening 31 december 2000 een factuur aan eiseres verzonden met de omschrijving:

"Hierbij belasten wij u voor BTW ten onrechte berekend door Autolease [autoleasebedrijf]

Faktuur [00000] dd. 28-05-1998 (zie kopie)"

Op deze factuur is uitsluitend een bedrag van ƒ 12.250 met als omschrijving "B.T.W. 17,5%", vermeld. Eiseres heeft dit bedrag op aangifte afgetrokken.

2.7. Verweerder heeft in 2002 bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld naar aanleiding waarvan verweerder het bedrag van ƒ 12.250 als onder 2.6. vermeld, heeft nageheven. Het rapport van dit boekenonderzoek is opgemaakt op 10 december 2003. In het rapport is aangekondigd dat tevens krachtens artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een vergrijpboete van 50% zal worden opgelegd.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag en de boete.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ondernemer is in de zin van artikel 7, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). De rechtbank gaat hier ook van uit.

4.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet OB kan de ondernemer de belasting die aan hem door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, aftrekken van de omzetbelasting die hij verschuldigd is.

4.3. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet OB, zoals dit gold ten tijde van het opmaken van de hier in geding zijnde factuur en voor zover hier van belang, moeten op de factuur de volgende gegevens staan vermeld:

-Een duidelijke omschrijving van de geleverde goederen of van de dienst.

-De vergoeding.

-Het bedrag van de belasting dat ter zake van de levering of de dienst is verschuldigd geworden. Vermelding van een ander bedrag aan belasting is niet toegestaan.

4.4. Gezien de tekst op de factuur van 31 december 2000 op grond waarvan eiseres de in geding zijnde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht en hetgeen eiseres ter zitting heeft verklaard, betreft het hier naar het oordeel van de rechtbank slechts een doorberekening door [Q.] aan eiseres van een (gedeelte) van een bedrag dat [Q.] kennelijk namens eiseres heeft voldaan aan [autoleasebedrijf] wegens de beëindiging van het leasecontract tussen eiseres en [autoleasebedrijf].

De enkele bereidheid van [Q.] om namens eiseres een geldbedrag te voldoen kan niet worden beschouwd als een levering of een dienst aan eiseres in de zin van artikel 15 ,eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet OB, te meer niet nu niet is gebleken dat [Q.] voor die betaling een vergoeding in rekening heeft gebracht. Ook overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het in rekening gebrachte als omzetbelasting benoemde bedrag betrekking heeft op een door [Q.] aan eiseres verrichte levering of dienst. Aan de factuur ligt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen prestatie van [Q.] aan eiseres zoals bedoeld in voornoemd artikel ten grondslag. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van belasting die in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, nu op de desbetreffende factuur slechts een bedrag is vermeld, met als omschrijving "BTW", en de vergoeding waarover dit bedrag zou zijn berekend ontbreekt .

4.5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een zogenoemde doorlopende post en dat om die reden het bedrag toch in aftrek moet worden toegelaten. Dit standpunt berust naar het oordeel van de rechtbank op een misvatting. Niet is gebleken dat [Q.] het aan eiseres doorberekende bedrag op naam en voor rekening van eiseres heeft voldaan, zodat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een doorlopende post. Zo in het voorliggende geval al zou kunnen worden aangenomen dat sprake zou zijn van een doorlopende post, dan heeft dit voor de omzetbelasting slechts tot gevolg dat het aldus doorberekende bedrag ingevolge het bepaalde in artikel 8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wet OB buiten de maatstaf van heffing moet blijven. Een doorlopende post creëert niet een zelfstandig recht op aftrek van voorbelasting, ook niet wanneer de doorlopende post betrekking heeft op een bedrag aan omzetbelasting. Dat eiseres wellicht wel recht op aftrek van voorbelasting zou hebben gehad indien [autoleasebedrijf] niet aan [Q.] maar aan haar zou hebben gefactureerd, maakt dit niet anders. Ook in dat geval zou eiseres slechts eventueel aftrekrecht kunnen toekomen op grond van een aan haar uitgeschreven factuur van [autoleasebedrijf] en niet op grond van de doorberekening van de betaling door [Q.].

Het vorenoverwogene betekent dat op grond van deze factuur geen recht op aftrek van het daarop vermelde bedrag, met de omschrijving "BTW", bestaat in de zin van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet OB en dat verweerder terecht het afgetrokken bedrag heeft nageheven.

4.6. Eiseres heeft gesteld dat haar handelwijze is ingegeven door de weigering van de belastingdienst van een aftrek van ƒ 12.500 ter zake van de in 2.5. vermelde factuur, waardoor de vergoeding van ƒ 70.000 die [directeur van eiseres] met [Q.] was overeengekomen ƒ 12.500 hoger is uitgekomen. De factuur van 31 december 2000 met daarop uitsluitend een bedrag van ƒ 12.500, met de omschrijving "BTW", is vervolgens gebruikt om dit recht te zetten. Eiseres stelt dat de schatkist met deze handelwijze niets tekort is gekomen. Deze stellingen doen niet af aan het oordeel van de rechtbank. Eiseres heeft een vermeende misslag van de belastingdienst bij een andere belastingplichtige eigenmachtig hersteld. De wijze waarop eiseres dat heeft gedaan betekent, zoals hiervoor is overwogen, naast strijd met bepalingen in de Wet OB, ook een miskenning van welke bevoegdheden haar en [Q.] als belastingplichtigen toekomen. Die gaan zeker niet zo ver dat zij op deze wijze belastingaftrek naar een andere (rechts-)persoon kunnen verplaatsen.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank wist, althans behoorde eiseres te weten dat de in geding zijnde factuur niet een factuur is op grond waarvan zij voorbelasting in aftrek kan brengen nu deze niet is opgemaakt terzake van door [Q.] aan haar verrichtte prestaties. Door toch het bedrag van die factuur op haar aangifte af te trekken heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens te weinig belasting op aangifte voldaan dan wel de reële kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden voldaan. Van een pleitbaar standpunt, als door eiseres betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboete onder die omstandigheden passend en geboden.

Gezien het feit dat sedert de aankondiging van de vergrijpboete op 10 december 2003 tot de behandeling ter zitting door de rechtbank een termijn van meer dan twee jaar is verstreken, vermindert de rechtbank de boete met 10% (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr 37 984, BNB 2005/337).

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard, het boetebesluit te worden vernietigd en de boete te worden verlaagd, zoals hierboven gespecificeerd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de boete;

- herroept het boetebedrag, bepaalt dat op € 2501 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar voor zover die is vernietigd;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,-, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën)het door eiseres betaalde griffierecht van € 276,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 10 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, mr. D.A. Verburg en mr. J.P.F. Slijpen in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.