Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6830

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
25-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/1738 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Vergrijpboete. De belasting die in 2000 verschuldigd is geworden en in 2002 versluierd is aangegeven en afgedragen, is terecht nageheven en daarbij is terecht heffingsrente in rekening gebracht. Omdat de boete is opgelegd voor het nalaten van een vrijwillige verbetering en het versluierd aangeven van de te weinig betaalde belasting, wordt deze vernietigd, omdat dit niet ziet op een handelen of nalaten van eiser bij het opmaken van de laatste aangifte en de betaling daarvan over het tijdvak van de naheffingsaanslag en verweerder daartoe niets heeft gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0180

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1738 OB

Uitspraakdatum: 10 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 met dagtekening 28 december 2005 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met aanslagnummer [00.00.000.0.00.0000]. Gelijktijdig heeft verweerder aan eiseres bij beschikkingen een boete opgelegd van € 8.097 en € 6.104 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikkingen. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 januari 2006 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 3 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 6 februari 2006, beroep ingesteld. Het beroepschrift is gemotiveerd bij brief van 23 maart 2006.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde]. Eiseres is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Eiseres heeft voor het jaar 2000 te weinig omzetbelasting afgedragen.

2.2. Gedagtekend 16 juli 2002 heeft eiseres aangifte omzetbelasting gedaan voor het tweede kwartaal van 2002. Zij heeft in deze aangifte de te weinig afgedragen belasting voor het jaar 2000 verwerkt.

2.3. Bij brief van 7 april 2005 verzoekt verweerder aan eiseres om informatie ter beoordeling van de op de balans per 31 december 2001 opgenomen verschuldigde omzetbelasting.

2.4. Eiseres beantwoordt dit verzoek per brief van 13 april 2005, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"Te ontvangen omzetbelasting over het vierde kwartaal 2001 ƒ 13.898

Te suppleren omzetbelasting over 2000 -/- " 71.380

Per saldo verschuldigde omzetbelasting per 31 december 2001 -/- ƒ 57.482 "

2.5. Bij brief van 16 november 2005 kondigt verweerder aan dat hij voornemens is een naheffingsaanslag voor het jaar 2000 op te leggen ten bedrage van € 32.390 (ƒ 71.380). Tevens kondigt hij zijn voornemen aan een vergrijpboete op te leggen van 50% van het na te heffen belastingbedrag.

2.6. Eiseres heeft per brief van 21 november 2005 gereageerd op voormelde brief van 16 november 2006. Vervolgens vindt op 23 november 2006 telefonisch overleg plaats. Daarbij komt naar voren dat in de aangifte voor het tweede kwartaal 2002 een bedrag van € 32.390 teveel is afgedragen op aangifte.

2.7. Vervolgens verleent verweerder voor het jaar 2002 een teruggaaf omzetbelasting van € 32.390, met een vergoeding van heffingsrente.

Tevens legt hij de onderhavige naheffingsaanslag op en een vergrijpboete van 25% van het bedrag van de naheffingsaanslag en brengt hij heffingsrente in rekening.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder de juiste brief van eiseres als bezwaarschrift heeft aangemerkt en of hij de hoorplicht geschonden heeft.

Voorts is in geschil of verweerder de naheffingsaanslag en de boete heeft mogen opleggen en of terecht heffingsrente in rekening is gebracht. Hierbij is met name van belang of verweerder de naheffingsaanslag en de boete heeft mogen opleggen, omdat sprake zou zijn van een zogenoemde vrijwillige verbetering. Tevens is in geschil of verweerder de opgelegde boete voldoende heeft gemotiveerd.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag met € 32.890 en tot vernietiging van de boetebeschikking en van de beschikking heffingsrente.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de processuele beroepsgronden

4.1. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder een verkeerde brief van eiseres als bezwaarschrift heeft aangemerkt, overweegt de rechtbank dat verweerder het bezwaar ontvankelijk heeft geacht en eiseres derhalve niet in haar processuele belang is geschaad. De rechtbank verwerpt alleen daarom al deze stelling.

4.2. Vaststaat dat verweerder de gemachtigde van eiseres heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek over het bezwaar. Eiseres heeft gesteld dat verweerder daarbij heeft aangegeven dat een gesprek niet meer tot verandering van diens standpunt zou leiden. Voor een professionele belastingadviseur die van mening is dat een dergelijk gesprek desondanks wenselijk was, zou dat geen reden moeten zijn om af te zien van een hoorgesprek. Van een schending van artikel 7:2 van de Awb is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Evenmin ziet de rechtbank hierin een grond om te oordelen dat verweerder in strijd met artikel 2:4 van de Awb heeft gehandeld. Hetgeen eiseres hierover heeft gesteld is onvoldoende concreet gemaakt voor zo’n oordeel.

Met betrekking tot de naheffingsaanslag

4.3. Vaststaat dat eiseres voor het jaar 2000 te weinig omzetbelasting op aangifte heeft voldaan en dat zij de te weinig betaalde belasting heeft verwerkt in haar aangifte omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2002.

4.4. Eiseres neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslag ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) niet had mogen worden opgelegd, omdat de verschuldigde belasting door de verwerking hiervan in de aangifte over het tweede kwartaal 2002 reeds geheel was voldaan voordat verweerder met zijn brief van 7 april 2005 om informatie verzocht.

4.5. Verweerder neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslag over het jaar 2000 terecht is opgelegd, omdat het niet is toegestaan de over een eerder tijdvak verschuldigde belasting (stilzwijgend) te betrekken en te voldoen op de aangifte van een later tijdvak. In die zin teveel betaalde belasting geldt niet als een aangifte van en betaling over een eerder tijdvak.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat voor het tijdvak waarover is nageheven te weinig belasting op aangifte is voldaan. De omstandigheid dat eiseres het over het jaar 2000 nog verschuldigde bedrag heeft betaald via haar aangifte over het tweede kwartaal 2002, maakt dit niet anders. De heffingssystematiek van de omzetbelasting, zoals neergelegd in de artikelen 13 en 14 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de artikelen 19 en 20 van de Awr, brengt met zich dat de verschuldigde belasting over het juiste tijdvak dient te worden voldaan. Het in een bepaald tijdvak corrigeren van fouten die betrekking hebben op een ander tijdvak doet aan die heffingssystematiek te zeer afbreuk. Daarbij komt dat er ook materiële belangen zijn, te weten de vaststelling van de over de te late betaling verschuldigde heffingsrente en de beoordeling of er aanleiding bestaat een verzuim- of vergrijpboete op te leggen.

Met betrekking tot de boetebeschikking

4.7. Eiseres neemt het standpunt in dat, nu de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, ook de boete moet vervallen. Voorts stelt zij dat verweerder de aanwezigheid van opzet of grove schuld niet heeft bewezen. Ten slotte doet eiseres een beroep op artikel 67n van de Awr en paragraaf 28, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het BBBB). Deze bepalingen verhinderen het opleggen van een boete in geval van een vrijwillige verbetering. De omstandigheid dat verweerder geen kennis heeft genomen van de verbetering kan eiseres niet worden tegengeworpen.

4.8. Verweerder heeft het opleggen van de vergrijpboete gemotiveerd met verwijzing naar artikel 67f van de Awr en de paragrafen 28 en 44 van het BBBB. Hij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een vrijwillige verbetering en dat het aan voorwaardelijk opzet van eiseres is te wijten dat te weinig omzetbelasting is voldaan. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete heeft verweerder rekening gehouden met het feit dat de verschuldigde belasting, zij het op een onjuiste wijze en te laat, wel op eigen initiatief is voldaan. Om die reden heeft hij de boete gematigd tot 25%.

Ter zitting heeft verweerder gewezen op de wettelijke verplichting om tijdig aangifte te doen van de verschuldigde omzetbelasting en die belasting tijdig te voldoen. Tevens heeft verweerder er op gewezen dat de gemachtigde in ieder geval ten tijde van het opmaken van de balans per 31 december 2000 voor eiseres er van op de hoogte was dat voor het jaar 2000 te weinig omzetbelasting was betaald en dat desondanks is nagelaten verweerder hiervan op de hoogte te stellen. De wetenschap van de gemachtigde dient aan eiseres te worden toegerekend. Het beboete feit, dat als gevolg van opzet of grove schuld de over 2000 verschuldigd geworden belasting niet tijdig is betaald, is gepleegd ten tijde van het opmaken van de laatste aangifte voor 2000.

4.9. De rechtbank stelt voorop dat met betrekking tot een bestuurlijke boete de stelplicht en de bewijslast op verweerder rusten. In dit geval houdt dat onder meer in dat verweerder, ingevolge het bepaalde in artikel 67f van de Awr, de feiten stelt en bewijst, op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het aan opzet of grove schuld van eiseres is te wijten dat de omzetbelasting die op aangifte moest worden voldaan, niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald.

4.10. Verweerder heeft geen feiten gesteld op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen dat het aan opzet of grove schuld van eiseres te wijten is dat aanvankelijk te weinig omzetbelasting voor het tijdvak 2000 op aangifte is voldaan. Verweerder voert daartoe slechts aan dat eiseres heeft nagelaten een vrijwillige verbetering in te dienen in de zin van paragraaf 28 van het BBBB en opzettelijk de te weinig betaalde belasting versluierd heeft verwerkt in de aangifte voor het tweede kwartaal 2002. Dit ziet echter niet op handelen en nalaten van eiser ten tijde van het opmaken van de (laatste) aangifte(n) en de betaling daarvan voor het jaar 2000 zodat verweerder aldus onvoldoende feiten heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat het niet volledig voldoen van de voor het jaar 2000 verschuldigde belasting is te wijten aan opzet of grove schuld van eiseres. Op basis van het door verweerder gestelde is de boete niet gerechtvaardigd. De rechtbank komt niet toe aan hetgeen partijen met betrekking tot de boete over en weer overigens hebben aangevoerd.

Met betrekking tot de beschikking heffingsrente

4.11. Eiseres neemt het standpunt in dat, nu de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, ook geen heffingsrente in rekening kan worden gebracht.

Verweerder stelt de heffingsrente te hebben berekend in overeenstemming met de wettelijke bepalingen.

4.12. Nu de naheffingsaanslag wordt gehandhaafd, dient ook heffingsrente in rekening te worden gebracht. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrente niet in overeenstemming met hoofdstuk VA van de Awr is geheven.

Slotsom

4.13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard, dient de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft te worden vernietigd en dient de boete te worden vernietigd.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken aangezien eiseres niet (tijdig) om vergoeding van deze kosten heeft verzocht, hetgeen ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vereist is.

5.2. Nu het beroep gegrond is vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling daarvan redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het beroepschrift en wegingsfactor 1).

Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 322,-, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 10 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.P.F. Slijpen, mr. D.A. Verburg en mr. G.J. Ebbeling in tegenwoordigheid van H. van Lingen, griffier.