Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6294

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/24255
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geen vbv / schadevergoeding

Verweerder heeft besloten schadevergoeding toe te kennen bestaande uit de niet ontvangen bijstandsuitkering over de periode vanaf 6 december 1999, de ingangsdatum van de aan eiser verleende verblijfsvergunning, tot 15 september 2003, de datum waarop het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning gegrond is verklaard. Tevens heeft verweerder aanleiding gezien de wettelijke rente te vergoeden over de periode vanaf januari 2000 tot en met mei 2006.

Eiser heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat het uit te keren schadebedrag moet worden gebruteerd zodat na afdracht van de belasting een bedrag resteert dat gelijk is aan de “nettoschade”.

De rechtbank van oordeel dat het uitgangspunt bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding is dat eiser zoveel mogelijk in de positie geraakt als waarin hij zou hebben verkeerd indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen.

Indien aan eiser op 6 december 1999 een verblijfsvergunning zou zijn verleend, zou hij in de periode van 6 december 1999 tot 15 september 2003 een netto-bedrag aan bijstandsuitkering hebben ontvangen. In het bestreden besluit heeft verweerder echter aan eiser een bruto-bedrag aan schadevergoeding toegekend waarover mogelijk belasting zal worden geheven. Daardoor zal eiser na het voldoen van de belastingaanslag een lager bedrag overhouden dan hij zou hebben gehad indien hem destijds in voornoemde periode een netto-bijstandsuitkering zou zijn uitgekeerd. Om eiser in de positie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen is derhalve vereist dat eiser ook de door hem mogelijk verschuldigde belasting over het uit te keren bedrag aan schadevergoeding krijgt vergoed. Eiser zal daartoe de aanslag die hij in dat geval ontvangt aan verweerder dienen te overleggen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 06/24255

Datum uitspraak: 12 december 2006

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1974,

v-nummer 080.200.0010,

van Somalische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde G.J. van der Graaf,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

Het procesverloop

Op 30 september 2003 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om vergoeding van geleden schade als gevolg van het besluit van verweerder van 15 september 2003 waarbij het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van de verlenging van zijn verblijfsvergunning gegrond is verklaard en hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend met ingang van 6 december 1999 en met ingang van 1 april 2001 voor onbepaalde tijd.

Bij besluit van 5 april 2004 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Eiser heeft daartegen op 17 mei 2004 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2004 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep van eiser van 3 november 2004 gegrond verklaard en het besluit van 28 oktober 2004 vernietigd.

Bij besluit van 25 april 2006 heeft verweerder het bezwaar van 17 mei 2004 gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het verzoek om vergoeding van inkomensschade in de vorm van een bijstandsuitkering en de wettelijke rente hierover en het besluit genomen om een vergoeding van € 30.538,13 uit te keren. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het verzoek om schadevergoeding van inkomensschade in de vorm van inkomsten uit arbeid, op het verzoek om vergoeding van de over het totaalbedrag verschuldigde belasting en op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Tot slot heeft verweerder het besluit genomen om het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen en € 644 uit te keren.

Op 17 mei 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 31 oktober 2006. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder was niet ter zitting vertegenwoordigd.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem van 13 oktober 2005 aanleiding aanwezig geacht om schadevergoeding toe te kennen bestaande uit de niet ontvangen bijstandsuitkering over de periode vanaf 6 december 1999, de ingangsdatum van de aan eiser verleende verblijfsvergunning, tot 15 september 2003, de datum waarop het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de gevraagde verblijfsvergunning gegrond is verklaard. Tevens heeft verweerder aanleiding gezien de wettelijke rente te vergoeden over de periode vanaf januari 2000 tot en met mei 2006. De door verweerder toegekende schadevergoeding bedraagt in totaal € 30.538,13, inclusief de wettelijke rente.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het bedrag van schadevergoeding ten onrechte is uitgegaan van 50% van het netto minimum loon. Eiser had als dakloze namelijk in de relevante periode recht op een toeslag van 10% van het netto minimum loon volgens de Verordening algemene bijstandsnormen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder tevens de te betalen belasting over het schadevergoedingbedrag dient te vergoeden. Het uit te keren schadebedrag moet worden gebruteerd zodat na afdracht van de belasting een bedrag resteert dat gelijk is aan de “nettoschade”.

4. Verweerder ziet in de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem van 13 oktober 2005 geen aanleiding tot vergoeding van de over het totaalbedrag aan schadevergoeding verschuldigde belasting in het jaar van uitkering. Het verzoek om vergoeding van de belasting is reeds gedaan door de gemachtigde van eiser van 30 september 2003, zodat de rechtbank van dit verzoek kennis heeft kunnen nemen en dit verzoek volgens verweerder geacht kan worden te zijn betrokken bij de beoordeling van het op 3 november 2004 ingestelde beroep.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Met de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem van 13 oktober 2005 staat vast dat aan eiser, indien hij over een geldige verblijfstitel zou hebben beschikt, in beginsel bijstand zou zijn verstrekt. Het feit dat eiser gedurende de periode van 6 januari 2000 tot 15 september 2003 geen bijstandsuitkering heeft ontvangen is derhalve een direct gevolg van de onrechtmatige besluitvorming door verweerder. Derhalve heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte geen schadevergoeding heeft toegekend. De rechtbank heeft bepaald dat verweerder bij de bepaling van de hoogte van de schade de destijds geldende (netto) normen van de Awb als uitgangspunt moet nemen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

6. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van 13 oktober 2005 geen oordeel is gegeven omtrent de hoogte van de schadevergoeding. Tevens heeft de rechtbank zich nog niet uitgelaten over de vraag of verweerder de belasting over het uit te keren schadevergoedingsbedrag moet vergoeden.

7. Uitgangspunt bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding is dat eiser zoveel mogelijk in de positie geraakt als waarin hij zou hebben verkeerd indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen.

8. Gelet hierop dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank de door eiser geleden schade te vergoeden bestaande uit het verschil tussen het totaal van de bijstandsuitkering die eiser zou hebben genoten in de periode vanaf 6 december 1999 tot 15 september 2003 indien hij een verblijfsvergunning had gehad, en de thans ontvangen inkomsten over deze periode. Onbetwist door verweerder is dat eiser geen inkomsten heeft genoten in de desbetreffende periode. Derhalve heeft eiser recht op schadevergoeding bestaande uit de bijstandsuitkering die hij zou hebben genoten in de periode vanaf 6 december 1999 tot 15 september 2003 indien hij een verblijfsvergunning had gehad.

9. Uit de door eiser overgelegde brief van gemeente Arnhem van 12 december 2003 leidt de rechtbank af dat eiser in voornoemde periode recht had op een toeslag van 10% van het netto minimum loon. Derhalve stelt de rechtbank vast dat de bijstandsuitkering die eiser zou hebben genoten indien hem een verblijfsvergunning was verleend, zou hebben bestaan uit 50% van het netto minimum loon met een toeslag van 10% van het netto minimum loon. Verweerder heeft dan ook ten onrechte niet tevens de toeslag van 10% van het minimum loon aan eiser als schadevergoeding toegekend.

10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiser verschuldigde belasting over het uit te keren bedrag aan schadevergoeding dient te vergoeden. Op die wijze geraakt eiser namelijk in de positie waarin hij zou hebben verkeerd indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen. De rechtbank stelt vast dat eiser indien aan hem op 6 december 1999 een verblijfsvergunning zou zijn verleend, in de periode van 6 december 1999 tot 15 september 2003 een netto-bedrag aan bijstandsuitkering zou hebben ontvangen. In het bestreden besluit heeft verweerder echter aan eiser een bruto-bedrag aan schadevergoeding toegekend waarover mogelijk belasting zal worden geheven. Daardoor zal eiser na het voldoen van de belastingaanslag een lager bedrag overhouden dan hij zou hebben gehad indien hem destijds in voornoemde periode een netto-bijstandsuitkering zou zijn uitgekeerd. Om eiser in de positie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien het onrechtmatige besluit niet zou zijn genomen is derhalve vereist dat eiser ook de door hem mogelijk verschuldigde belasting over het uit te keren bedrag aan schadevergoeding krijgt vergoed. Eiser zal daartoe de aanslag die hij in dat geval ontvangt aan verweerder dienen te overleggen.

11. Tot slot kan de rechtbank uit de door verweerder overgelegde berekening van de wettelijke rente niet af leiden op welke wijze hij tot het bedrag aan wettelijke rente is gekomen. De rechtbank stelt vast dat eiser vanaf 6 december 1999 recht had op een bijstandsuitkering. De eerste dag waarop over de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering over de maand december 1999 wettelijke rente is verschuldigd, moet derhalve worden gesteld op 1 januari 2000. Bij de berekening van de wettelijke rente dient telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

12. Op grond van het voorgaande is het beroep gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als de rechtspersoon die aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 25 april 2006;

draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eiser;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eiser € 141,00 te betalen ter vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Gielissen en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2006 in tegenwoordigheid van K.M.C. van Middelkoop als griffier.

de griffier?? de rechter