Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6292

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/10676
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taalanalyse / contra-expertise / Somalië

Eiseres behoort tot de bevolkingsgroep der Bajuni en is afkomstig uit het dorp Kiamboni in Zuid-Somalië. Zij heeft een aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft de aanvraag in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 afgewezen omdat verweerder geen geloof heeft gehecht aan de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres. Verweerder heeft een taalanalyse laten verrichten, die volgens verweerder de gerezen twijfel omtrent de nationaliteit en herkomst van eiseres bevestigt. Volgens de taalanalist van verweerders Bureau Land en Taal is eiseres eenduidig te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Kenia. Eiseres heeft een contra-expertise laten verrichten die in beroep in het geding is gebracht en is betrokken bij de beoordeling van het beroep. Uit de contra-expertise komt naar voren dat eiseres met zekerheid van oorsprong Bajuni is, het Bajuni spreekt van het dorp Kiamboni in Zuid-Somalië, beschikt over plaatselijke kennis en een enorme hoeveelheid gespecialiseerde details met betrekking tot de Bajuni heeft weergegeven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de taalanalyse, gezien het resultaat van de contra-expertise, in redelijkheid niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank heeft hierbij onder meer belang gehecht aan de stelling van eiseres dat de taalanalist afkomstig is uit Tanzania en niet bekend is met de linguïstische, culturele of geografische kenmerken van de Bajuni in Zuid-Somalië. Ook acht de rechtbank met eiseres van belang dat haar kennis van het Somali niet is onderzocht, zodat niet uitgesloten is dat eiseres enig Somali spreekt. De contra-expertise bevat voldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders taalanalyse onvoldoende draagkrachtig is om ten grondslag te worden gelegd aan het bestreden besluit. Mitsdien komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/10676

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2006

inzake

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1975,

nationaliteit Somalische,

verblijvende te [plaatsnaam],

eiseres,

gemachtigde mr. J.M. Landsman,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.A.M. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 oktober 2006, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 6 februari 2006 in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van haar aanvraag en beroep heeft eiseres – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Eiseres is Bajuni van afkomst en komt uit het dorp [plaatsnaam] in Zuid Somalië, gesitueerd nabij de grens met Kenia. Eiseres vreest voor de leden van de Majerteen, een stam in Somalië die de Bajuni wil verdrijven. In 2001, 2004 en 2005 werd eiseres door Majerteen verkracht. Uit angst dat dit wederom zou gebeuren, is eiseres in januari 2005 gevlucht uit Somalië. Via Groot-Brittannië is zij vervolgens naar Nederland gereisd.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000. Verweerder hecht geen geloof aan de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en etnische afkomst en heeft daarom afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiseres.

4. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) dat de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort en dat die vaststelling door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij de hiervoor genoemde vaststelling kan verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de oprechtheid van een vreemdeling en de geloofwaardigheid van het asielrelaas op voorhand zijn aangetast indien een vreemdeling niet aannemelijk kan maken dat het ontbreken van reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, niet aan hem is toe te rekenen. Het toerekenbaar ontbreken van deze documenten zal echter steeds door verweerder in de context van het totale feitencomplex moeten worden bezien.

5. Ofschoon verweerder eiseres niet het ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten heeft toegerekend, heeft verweerder eiseres in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wel verweten dat zij heeft verzuimd officiële dan wel indicatieve documenten ter ondersteuning van de door haar beweerde reisroute te overleggen. Het door eiseres overgelegde vervalste Britse vluchtelingenpaspoort kan niet worden aangemerkt als een indicatie voor de gevolgde reisroute, nu dit paspoort dat eiseres zou hebben gebruikt voor de vlucht van Groot-Brittannië naar Nederland, niet is voorzien van een uitreisstempel. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiseres, die per boot vanuit Somalië naar Groot-Brittannië en vervolgens per vliegtuig naar Nederland is gereisd, geen enkel formeel of indicatief bewijs van de reis kan overleggen.

6. Verweerder is tevens van opvatting dat eiseres tekort is geschoten in het afleggen van consistente en verifieerbare verklaringen ter onderbouwing van haar reisroute. Nu eiseres per boot en per vliegtuig naar Nederland is gereisd, mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij verslag kan doen van eenvoudig waarneembare zaken gedurende deze reis.

7. Naar het oordeel van de rechtbank, heeft verweerder zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van reisdocumenten haar niet kan worden toegerekend en dat zij toerekenbaar onvoldoende verifieerbare verklaringen ter ondersteuning van haar reisroute heeft afgelegd. Derhalve is op voorhand twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eiseres en is afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

8. Hoewel eiseres eerst in beroep en derhalve tardief heeft weersproken dat verweerder haar redelijkerwijs het ontbreken van reisdocumenten heeft kunnen toerekenen alsmede het ontbreken van verifieerbare verklaringen met betrekking tot de ondernomen reis, doet dit niet af aan hetgeen navolgend wordt overwogen in het kader van de taalanalyse en de hierop volgende contra-expertise.

9. Indien, zoals in casu het geval is, er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dat in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te worden.

10. Volgens verweerder is van een positieve overtuigingskracht als hiervoor bedoeld in het geval van eiseres geen sprake. Verweerder hecht geen geloof aan de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en etnische afkomst. In dit verband heeft verweerder gemotiveerd overwogen dat eiseres slechts enkele woorden Somali spreekt en dat zij het merendeel van de aan haar gestelde vragen over Somalië en de bevolkingsgroep der Bajuni niet of niet juist heeft kunnen beantwoorden. Ook kan eiseres geen informatie verstrekken over de geschiedenis van de Bajuni en weet zij niet hoe de Bajuni het door hun gesproken Swahili-dialect noemen. Eiseres is evenmin op de hoogte van algemene wetenswaardigheden over Somalië, haar gestelde land van herkomst.

11. Omdat eiseres, gezien het voorgaande, de bij verweerder gerezen twijfel omtrent haar identiteit, nationaliteit en Bajuni-afkomst niet heeft weggenomen, heeft verweerder het ter nadere motivering van zijn standpunt van belang geacht om een taalanalyse te laten verrichten, die volgens verweerder de twijfel aan de identiteit, nationaliteit en afkomst van eiseres heeft bevestigd.

12. Uit het rapport van de taalanalyse van Bureau Land en Taal (BLT) van 15 juni 2005 komt onder meer naar voren dat eiseres het niet-standaard Swahili spreekt zoals dat gangbaar is in Noord-Kenia en Zuid-Somalië en dat zij geen actieve kennis heeft van het Somali. Daarnaast gebruikt eiseres volgens de taalanalist over het algemeen standaard-Swahili woorden, maar ook niet-standaard-Swahili woorden. De grammatica van eiseres is volgens de taalanalist die van het standaard-Swahili. In haar relaas ten behoeve van de bandopname heeft eiseres onder meer substammen genoemd van de Bajuni en heeft zij verklaard over de omgeving van het dorp Kiamboni, heeft zij de huwelijksceremonie van de Bajuni beschreven, Bajuni gerechten genoemd en heeft zij het verschil weergegeven tussen enkele woorden uit het Swahili en het Bajuni. Op grond van deze bevindingen heeft de taalanalist geconcludeerd dat eiseres eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Kenia.

13. De rechtbank overweegt dat, volgens vaste jurisprudentie van de AbRS, het rapport van taalanalyse tot stand komt onder de verantwoordelijkheid van een ter zake deskundig bureau, waarvan de kwaliteit voldoende is gewaarborgd. Hieruit volgt tevens dat verweerder bij de besluitvorming van de juistheid van een dergelijk rapport mag uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de inhoud en de volledigheid ervan.

14. De rechtbank constateert dat in het onderhavige geval door verweerder aan eiseres de mogelijkheid is geboden om de opname naar aanleiding waarvan het rapport taalanalyse tot stand is gebracht, door een zelf gekozen onafhankelijke deskundige te laten beoordelen en zonodig van commentaar te laten voorzien. Eiseres heeft in eerste instantie bij brief van 5 december 2005 een dossieranalyse van de Taalstudio overgelegd, in welk rapport echter geen sprake is van dusdanige substantiële kritische kanttekeningen, dat deze kunnen worden aangemerkt als concrete aanknopingspunten om twijfel te doen ontstaan aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse. Eiseres heeft evenwel vóór het bestreden besluit verweerder in kennis gesteld van haar voornemen om een contra-expertise te laten uitvoeren, welke contra-expertise in beroep daadwerkelijk is overgelegd. De rechtbank constateert dat verweerder zich blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet heeft verzet tegen het betrekken van deze contra-expertise bij de beoordeling.

15. Voornoemde contra-expertise is door tussenkomst van de Taalstudio vervolgens door de gemachtigde van eiseres overgelegd aan verweerder en aan de rechtbank. De contra-expertise d.d. 3 maart 2006 is opgemaakt door prof. Derek Nurse, verbonden aan de Memorial University of Newfoundland in Canada. Prof. Nurse is blijkens zijn rapportage theoretisch linguïst, gespecialiseerd in Afrikaanse talen, in het bijzonder het Swahili. Hij heeft 12 jaar in Oost-Afrika gewoond, waarvan 6 maanden in het Bajuni-gebied van noordoost Kenia. Zijn gestelde deskundigheid is door verweerder niet betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand feit aanneemt.

16. De contra-expertise, die is verricht met behulp van dezelfde opname op grond waarvan ook verweerders taalanalyse tot stand is gekomen, heeft in de eerste plaats uitgewezen dat eiseres ondanks haar beperkte formele kennis door haar beperkte opleiding desalniettemin details van het plaatselijke leven heeft beschreven. Volgens de contra-expert heeft eiseres een enorme plaatselijke kennis getoond en een enorme hoeveelheid gespecialiseerde details weergegeven die zij onmogelijk had kunnen verzinnen of leren ten behoeve van het gehoor. Zo heeft eiseres verklaard over de Bajuni economie die steunt op twee pilaren, te weten visserij en landbouw. Daarnaast heeft zij blijk gegeven van enkele geografische kennis, heeft zij haar dorp Kiamboni beschreven en heeft zij verteld over de transacties die thans in die streek alleen nog worden gedaan in Keniaanse valuta en door een enkeling in dollars omdat de Somalische valuta ‘waardeloos’ is. Eiseres heeft voorts enkele historische feiten van de Bajuni’s weergegeven en heeft vier niet-Bajuni-stammen genoemd. Ook heeft eiseres informatie verstrekt over het dagelijkse leven van de Bajuni, blijkt zij goed te zijn in details en vocabulaire met betrekking tot de oogst, het eten en het koken, hetgeen specifiek is voor Bajuni’s en heeft zij diverse dansen beschreven waarvan enkele in het algemeen voorkomen in de noordelijke kuststreek van Swahili, en waarvan enkele typerend zijn voor de Bajuni.

Daarnaast is uit de contra-expertise gebleken dat de taal die eiseres spreekt een vorm van Swahili is, die zeer sterk beïnvloed is door het noordelijk Swahili en vooral door de Bajuni normen. De contra-expert wijst erop dat van belang is dat er bewegingen van handel over de grens zijn in het herkomstgebied van eiseres, waarmee ook de invloed is binnengedrongen van de vorm van het Standaard Swahili dat in het aangrenzende noordelijke Kenia wordt gesproken. Het is onduidelijk of daar ook nog jongere mensen zijn die een zuiver soort Bajuni spreken dat de goedkeuring van hun grootouders had kunnen wegdragen. Eiseres spreekt Swahili met invloeden van het Bajuni. Zij kent slechts een paar Somalische woorden, maar dat is volgens de contra-expert gebruikelijk voor Bajuni’s, omdat zij niet houden van Somaliërs en hen als indringers zien. Uit elke zin van eiseres blijkt haar Bajuni-achtergrond. Haar dialoogvenster reikt van bijna zuiver Bajuni tot een Bajuni dat gekleurd is met standaard Swahili. Wanneer aan eiseres gevraagd wordt om de verschillen tussen het Bajuni en het Standaard Swahili te noemen, dan geeft zij een juiste en accurate lijst van voorbeelden. Op grond van dit onderzoek komt de contra-expert tot de conclusie dat eiseres met zekerheid van oorsprong een Bajuni is en het Bajuni spreekt van het dorp [plaatsnaam] in Zuid Somalië.

17. De rechtbank overweegt dat eiseres kan worden gevolgd in haar, bij het beroepschrift naar voren gebrachte standpunt dat verweerder, gezien het resultaat van de contra-expertise, de taalanalyse van BLT in redelijkheid niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

Namens eiseres is daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de taalanalist die afkomstig is uit Tanzania niet bekend is met de linguïstische, culturele of geografische kenmerken van de Bajuni en Zuid Somalië, waardoor de taalanalist veel bewijs niet gebruikt en derhalve zijn oordeel niet accuraat is. De rechtbank acht dit een houdbaar standpunt mede gelet op verweerders bevestiging ter zitting dat de taalanalist die afkomstig is uit Tanzania verklaringen van eiseres over haar woonomgeving slechts in beperkte mate kan verifiëren. Dienaangaande heeft eiseres ter zitting uitdrukkelijk gesteld dat zij geen kanttekeningen plaatst bij de deskundigheid van de taalanalist, bekend onder de code SWA 1, doch dat zij veeleer de vraag voorlegt of een taalanalist die uit Tanzania afkomstig is en het Standaard-Swahili spreekt de juiste deskundige is voor onderhavige zaak. De rechtbank deelt dit standpunt van eiseres. Namens eiseres is voorts de conclusie van de taalanalyse van BLT dat eiseres eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Kenia weersproken. Ook hierin kan eiseres, naar het oordeel van de rechtbank worden gevolgd. Namens eiseres is hiertoe naar voren gebracht dat de conclusie van het rapport van taalanalyse onjuist is omdat uit dezelfde taalanalyse is gebleken dat eiseres veel niet-Standaard-Swahili woorden gebruikt, als gebruikelijk in Noord-Kenia en Zuid-Somalië. Reeds hierom kan er geen sprake zijn van eenduidige conclusie dat eiseres afkomstig zou zijn uit Kenia. Ook strookt de conclusie van de taalanalyse niet met de opmerking dat de taal van eiseres Swahili/Bajuni is. Uit het weerwoord van BLT van 6 juni 2006 op de contra-expertise, blijkt dat partijen het eens zijn over de taal die eiseres spreekt, welke een mengsel is van standaard Swahili en Bajuni. In de reactie van de Taalstudio van 6 oktober 2006 op dit weerwoord wijst de contra-expert op deze overeenstemming.

Namens eiseres is voorts in voormelde reactie van de Taalstudio weersproken dat alle Bajuni’s het Somali machtig zijn. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de stelling van verweerder dat elke Bajuni het Somali beheerst niet houdbaar is. Ter onderbouwing van haar standpunt, is namens eiseres gewezen op de door het BLT in het weerwoord van 6 juni 2006 aangehaalde bronnen, waaruit naar voren komt dat de meeste Bajuni’s wel enig Somali spreken. De rechtbank volgt eiseres op grond hiervan in haar conclusie dat niet worden gesteld dat alle Bajuni’s het Somali spreken. Daarnaast acht de rechtbank met eiseres van belang dat haar kennis van het Somali niet is onderzocht, zodat het niet uitgesloten is dat eiseres enig Somali spreekt.

18. De rechtbank acht de resultaten van de contra-expertise van voldoende gewicht om bij de aan de rechtbank toekomende marginale toetsing tot het oordeel te komen dat verweerder zich op basis van de aan het besluit ten grondslag gelegde overwegingen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen geloof wordt gehecht aan de door eiseres gestelde identiteit, nationaliteit en etnische afkomst, zodat verweerder niet van een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas heeft kunnen afzien. De contra-expertise bevat, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders taalanalyse onvoldoende draagkrachtig is om ten grondslag te worden gelegd aan het bestreden besluit.

19. Mitsdien komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

20. Het beroep is derhalve gegrond.

21. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

1 punt voor het verschijnen ter zitting;

waarde per punt € 322,-;

wegingsfactor 1.

22. Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. A.C.H. Handels als griffier op 7 december 2006