Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6132

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/49090
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / opheffing / inbewaringstelling in redelijkheid niet gerechtvaardigd.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond dient te worden verklaard op grond van artikel 94, vierde lid Vw.

De rechtbank overweegt dat uit het gerelateerde uit gedingstuk 1 en 2 noch uit de overige gedingstukken in het dossier en evenmin ter zitting is gebleken dat verweerder bij zijn beslissing tot inbewaringstelling een belangenafweging heeft gemaakt. In het onderhavige geval had naar het oordeel van de rechtbank gezien de uitzonderlijke omstandigheden waarin eiseres verkeerde een belangenafweging door verweerder in de rede gelegen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het besluit tot inbewaringstelling de emotionele gesteldheid van eiseres als gevolg van het overlijden van haar partner heeft miskend door het achterwege laten van een belangenafweging. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder de normen van moraal en fatsoen heeft overtreden. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat – hoewel er voldoende gronden zijn die de maatregel kunnen dragen – de toepassing van de inbewaringstelling van eiseres bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring ten aanzien van eiseres vanaf 9 oktober 2006 onrechtmatig is; beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/118

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/49090 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 17 oktober 2006

inzake

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1964, van Nigeriaanse nationaliteit,

eiseres, verblijvende in Detentiecentrum Noorderzand te Heerhugowaard

gemachtigde: mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

gemachtigde: mr. A.H. Straatman, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 9 oktober 2006 aan eiseres met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

1.2 Eiseres heeft hiertegen op 9 oktober 2006 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep strekt ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 16 oktober 2006. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 Eiseres heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe het volgende aan. Eiseres heeft voorafgaande aan haar inbewaringstelling contact opgenomen met de politie omdat haar partner werd vermist. De politie heeft een onderzoek verricht op het woonadres van haar partner alwaar de partner van eiseres dood werd aangetroffen. Naar aanleiding hiervan is eiseres door de politie opgeroepen om een getuigenverklaring af te leggen, hetgeen zij heeft gedaan. Toen aan haar om een identiteitsbewijs werd gevraagd en eiseres dit niet kon tonen is zij in bewaring gesteld. Eiseres is van mening dat gelet op het feit dat zij op eigen initiatief de politie heeft geïnformeerd omtrent de vermissing van haar partner alsmede gelet op het feit dat zij gehoor heeft gegeven aan de oproep van de politie om een getuigenverklaring af te leggen, verweerder had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel. Aangezien sprake is geweest van een voor eiseres zeer schokkende gebeurtenis, had het uit een oogpunt van moraal en fatsoen op de weg van verweerder gelegen om eiseres niet in bewaring te stellen. Subsidiar verzoekt eiseres aan verweerder om haar in de gelegenheid te stellen bij de begrafenis c.q. crematie van haar partner aanwezig te kunnen zijn.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat, hoe betreurenswaardig de omstandigheden voor eiseres ook zijn, de inbewaringstelling juridisch gezien gerechtvaardigd is geweest. Nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting voor tien minuten heeft geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen telefonisch contact op te nemen met de Vreemdelingendienst om te overleggen of de inbewaringstelling gezien de omstandigheden van het geval kon worden opgeheven, heeft verweerder bovengenoemd standpunt gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 De aan de bewaring ten grondslag gelegde gronden zijn niet in geschil.

2.5 De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond dient te worden verklaard op grond

van artikel 94, vierde lid, Vw.

2.6 Uit gedingstuk 1 blijkt dat eiseres zich op 8 oktober 2006 rond 10.00 uur heeft gemeld bij de receptie van het politiebureau te [plaatsnaam] teneinde de vermissing van haar partner op te geven. Nadat zij haar telefoonnummer aan de politie had gegeven is zij vertrokken. Vervolgens is eiseres door de politie telefonisch verzocht om een getuigenverklaring af te leggen omdat na onderzoek was gebleken dat haar partner op 8 oktober 2006 levenloos was aangetroffen in zijn woning. Eiseres heeft aan deze uitnodiging gehoor gegeven. Op 8 oktober 2006 omstreeks 15.11 uur is eisers gehoord en heeft zij een verklaring afgelegd. Aan het einde van voornoemd gehoor is eiseres gevraagd naar haar identiteitsdocumenten. Eiseres heeft daarop geantwoord dat zij geen ID-kaart of paspoort in haar bezit heeft. De getuigenverklaring is op voornoemde datum om 18.40 afgesloten. Uit gedingstuk 2 blijkt dat eiseres vervolgens op 8 oktober 2006 om 18.30 uur vreemdelingrechtelijk staande is gehouden en in ophouding genomen vanwege een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Eiseres is op 9 oktober om 9.15 uur in bewaring gesteld.

2.7 De rechtbank stelt vast dat door verweerder niet is weersproken dat de partner van eiseres dood is aangetroffen in zijn woning.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het gerelateerde uit gedingstuk 1 en 2 noch uit de overige gedingstukken in het dossier en evenmin ter zitting is gebleken dat verweerder bij zijn beslissing tot inbewaringstelling een belangenafweging heeft gemaakt. In het onderhavige geval had naar het oordeel van de rechtbank gezien de uitzonderlijke omstandigheden waarin eiseres verkeerde een belangenafweging door verweerder in de rede gelegen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het besluit tot inbewaringstelling de emotionele gesteldheid van eiseres als gevolg van het overlijden van haar partner heeft miskend door het achterwege laten van een belangenafweging. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder de normen van moraal en fatsoen heeft overtreden.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat – hoewel er voldoende gronden zijn die de maatregel kunnen dragen – de toepassing van de inbewaringstelling van eiseres bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.8 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring

ten aanzien van eiseres vanaf 9 oktober 2006 onrechtmatig is.

2.9 Het beroep dient derhalve gegrond verklaard te worden. De rechtbank beveelt de opheffing

van de maatregel van bewaring met ingang van 17 oktober 2006.

2.10 Ingevolge artikel 106 Vw kan de rechtbank, onder andere indien zij de opheffing van de

maatregel van bewaring beveelt, aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.11 De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te

kennen voor acht dagen onrechtmatige bewaring van 1 x € 95,- (voor één dag verblijf in een politiecel) + 7 x € 70,- (voor zeven dagen verblijf in een huis van bewaring) = € 585,- .

2.12 De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel

8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,- en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 oktober 2006;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiseres een schadevergoeding toe ten bedrage van € 585,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006, in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. Janssen, als griffier.

de griffier de rechter

Voornoemd lid beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 585,- (zegge: vijfhonderdenvijfentachtig euro).

Aldus gedaan op 17 oktober 2006 door mr. S.G.M. Buys, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.