Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5951

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-12-2006
Datum publicatie
18-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/61087
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Detentieboot Reno / tenuitvoerlegging / omstandigheden / beperking grondrechten.

Eiser is sedert 13 april 2006 aaneengesloten gedetineerd op de detentieboot ‘Reno’ te Rotterdam, thans ruim acht maanden. Eiser heeft, onder verwijzing naar de uitspraak in kort geding van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2006 (KG 06/1258) betoogd dat de detentieboten ‘Reno’ en ‘Stockholm’ongeschikt zijn voor langdurig verblijf, vanwege de algehele omstandigheden op de detentieboot, zoals bijvoorbeeld de gehorigheid van de ruimte waar eiser verblijft, ook bij telefoneren.De grief betreffende deze omstandigheden strekt verder dan een klacht inzake het regime op de detentieboot en ligt dus ter toetsing voor, aldus eiser.

De rechtbank stelt allereerst vast de omstandigheden op de detentieboot, waar eiser op doelt, deels zien op het regime en deels betrekking hebben op grondrechten, zoals het recht op privacy, waaronder de door eiser ter zitting genoemde voorbeelden (de mogelijkheid om te telefoneren en de gehorigheid van de ruimte) kunnen worden geschaard.

De rechtbank is - onder verwijzing naar de uitspraak van 18 maart 2005 (JV 2005/216) van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, waaraan een onderzoek ter plaatse ex artikel 8:50 van de Awb vooraf was gegaan, en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 augustus 2006 (AWB 06/34273) van oordeel dat de bewaring aan boord van de detentieboot ‘Reno’ na ommekomst van zes maanden in strijd met artikel 5.4 van het Vb 2000 moet worden geacht. Gesteld noch gebleken is immers dat de omstandigheden aan boord van de detentieboot ‘Reno’ thans, ruim anderhalf jaar na genoemde schouw, zodanig zijn verbeterd dat bovenstaand oordeel met betrekking tot de duur van het verblijf aan boord van de detentieboot ‘Reno’ niet langer stand kan houden.

De rechtbank gaat hiermee niet voorbij aan het feit dat de AbRS, onder meer in de uitspraken van 28 april 2005 (200410555) en 3 april 2006 (200602114/1), heeft geoordeeld dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is te oordelen omtrent toepassing van het regime (onder meer) op de detentieboot ‘Reno’. De rechtbank stelt echter vast dat vorenbedoelde uitspraken van de AbRS geen rechtsoordeel bevatten met betrekking tot de wijze waarop en de mate waarin het regime op de detentieboot ‘Reno’ inbreuk maakt op de in eerder genoemde uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats genoemde grondrechten. Met name in deze omstandigheid vindt de rechtbank voldoende aanleiding niet van haar eerdere oordeel af te wijken. De door eiser aangehaalde uitspraak in kort geding van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2006 leidt evenmin tot de conclusie dat van dit oordeel dient te worden afgeweken. In laatstgenoemde uitspraak noch in de uitspraken van de AbRS kan worden gelezen dat er voor de vreemdelingenrechter geen ruimte is om te beoordelen of er sprake is van dusdanige omstandigheden op de detentieboot dat grondrechten, zoals het recht op privacy, ontoelaatbaar worden geschonden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/61087

V-nr.: 271.089.5723

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1976, van (gestelde) Chinese nationaliteit, verblijvende op de detentieboot Reno te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. E.M. Bloemink, advocaat te Zandvoort

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.J. Rohlof, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 13 april 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel zijn bij uitspraken van 27 april 2006, 18 juli 2006, 19 september 2006 en 27 november 2006 ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 14 december 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 28 december 2006. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Eiser zit thans acht maanden in vreemdelingenbewaring op de detentieboot Reno te Rotterdam.

Uit het vonnis in kort geding van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2006 (KG 06/1258) blijkt dat de detentieboten ‘Reno’ en ‘Stockholm’ ongeschikt zijn voor langdurig verblijf. De voortduring van de onderhavige maatregel op de detentieboot ‘Reno’ is derhalve niet gerechtvaardigd te achten. Er bestaat in de onderhavige zaak ruimte voor een belangenafweging. Het gaat hier niet alleen om het regime op de detentieboot dat ongeschikt is bij een verblijf van langere duur, maar om de omstandigheden op de detentieboot ‘Reno’ in het algemeen. Het betreft hier derhalve een breder kader dan het regime, waarbij onder meer kan worden gedacht aan aspecten als de mogelijkheid om te telefoneren en de mate waarin de ruimte, waar de vreemdeling verblijft, gehorig is.

Voor zover verweerder betoogt dat de vreemdelingenrechter niet kan oordelen over de plaats van tenuitvoerlegging van de maatregel stelt eiser zich op het standpunt dat ook een verblijf van langer dan tien dagen in een politiecel reden is de bewaring op te heffen.

Verweerder heeft eiser ten onrechte verweten dat hij niet actief meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft immers niet gelogen over zijn afkomst. Eiser werd voorgehouden dat de Chinese autoriteiten zouden hebben medegedeeld dat de plaats waaruit hij stelt vandaan te komen niet bestaat. Om die reden heeft eiser zich niet tot de Chinese autoriteiten gewend. Van frustratie van het onderzoek is derhalve geen sprake.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Er is in casu geen aanleiding de tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel te wijzigen of de maatregel op te heffen. Eiser heeft zelf nog steeds geen acties ondernomen teneinde het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te bespoedigen. Er is derhalve sprake van (passieve) frustratie door eiser van het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit. De uitspraak in kort geding van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2006 werpt geen ander licht op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Blijkens vaste jurisprudentie van de AbRS dient de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de maatregel te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de maatregel. Blijkens voornoemde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage dient bij de beoordeling te worden betrokken dat eiser niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Indien eiser klachten heeft over de tenuitvoerlegging van de maatregel dan kan hij op grond van het klachtenreglement een klacht hierover indienen.

Met betrekking tot hetgeen eiser heeft betoogd met betrekking tot het verblijf in een politiecel na tien dagen merkt verweerder op dat dit niet zonder meer tot opheffing van de maatregel leidt aangezien er eerst een belangenafweging dient plaats te vinden.

De rechtbank overweegt het volgende.

De onderhavige maatregel duurt thans acht maanden voort. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.

Bij de beoordeling van de vraag of de toepassing van de bewaring bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid nog gerechtvaardigd is te achten, is de duur van de bewaring van belang. Naarmate de bewaring voortduurt, weegt het belang van eiser bij de uitoefening van het recht op vrijheid van zijn persoon zwaarder. In het algemeen zal na ommekomst van zes maanden vrijheidsontneming het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld van groter gewicht zijn dan het belang van verweerder om de bewaring ter fine van uitzetting te doen voortduren. Deze omslag kan zich onder omstandigheden vroeger of later dan na zes maanden voordoen, zoals is overwogen in de uitspraken van de Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank van 21 augustus 1997 (MR 1997, 119).

Naar het oordeel van de rechtbank doet deze omslag zich in onderhavige zaak later voor, nu eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit (passief) frustreert. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen op dit punt is overwogen in de uitspraak in het vorige vervolgberoep van 27 november 2006 (AWB 06/54179). De rechtbank volgt eisers stelling niet dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, nu hij niet heeft gelogen over zijn herkomst. Niet is immers gebleken dat eiser zelf pogingen heeft ondernomen om vorenbedoeld onderzoek te bespoedigen. Eiser heeft sinds de vorige uitspraak nog steeds geen contact met de Internationale Organisatie voor Migratie, de Chinese autoriteiten of de terugkeerfunctionaris opgenomen.

De rechtbank concludeert dan ook dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel als zodanig niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van hetgeen namens eiser ter zitting naar voren is gebracht omtrent de duur van zijn verblijf op de detentieboot ‘Reno’ het volgende.

Niet weersproken is dat eiser sedert 13 april 2006 aaneengesloten gedetineerd is op de detentieboot ‘Reno’ te Rotterdam, welk verblijf thans een periode bestrijkt van ruim acht maanden. Vastgesteld kan worden dat de termijn van zes maanden met ingang van 13 oktober 2006 is verstreken.

Ingevolge artikel 5.4 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de bewaring op grond van artikel 59 van de Vw 2000 onder meer ten uitvoer gelegd in een Huis van Bewaring. Bij de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt de vreemdeling niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.

Bij besluit van de Minister van Justitie van 10 augustus 2004, nummer 5302934/04/FJI is de detentieboot ‘Reno’ aangewezen als huis van bewaring van beperkte gemeenschap met meerpersoonscellen.

De rechtbank begrijpt eisers grieven met betrekking tot het langdurig verblijf op de detentieboot ‘Reno’ aldus dat de algehele omstandigheden op de detentieboot, zoals bijvoorbeeld de gehorigheid van de ruimte waar eiser verblijft, dermate slecht zijn dat er (inmiddels) sprake is van een ontoelaatbare beperking van de grondrechten. De grief betreffende deze omstandigheden strekt verder dan een klacht inzake het regime op de detentieboot en uit de jurisprudentie van de AbRS volgt derhalve niet dat de vreemdelingenrechter de tenuitvoerlegging van de maatregel niet heeft te toetsen in de door eiser voorgestane zin, zo begrijpt de rechtbank eisers standpunt.

De rechtbank stelt allereerst vast de omstandigheden op de detentieboot, waar eiser op doelt, deels zien op het regime en deels betrekking hebben op grondrechten, zoals het recht op privacy, waaronder de door eiser ter zitting genoemde voorbeelden (de mogelijkheid om te telefoneren en de gehorigheid van de ruimte) kunnen worden geschaard.

Ten aanzien van het verblijf aan boord van de detentieboot ‘Reno’ stelt de rechtbank voorts vast dat het regime afwijkt van andere plaatsen die als Huis van Bewaring zijn aangewezen, in die zin dat dit regime als ‘zwaarder’ dient te worden aangemerkt. De rechtbank verwijst hiervoor naar het onderzoek ter plaatse dat zij, ingevolge artikel 8:50 van de Awb, op 28 februari 2005 heeft gehouden aan boord van de detentieboot ‘Reno’ en de uitspraak in deze zaak van 18 maart 2005 (JV 2005/216). Kort samengevat hebben de bevindingen van deze schouw de rechtbank tot het oordeel geleid dat de beperkingen in de aan de - in die zaak betrokken - vreemdelingenrechtelijk gedetineerde vreemdelingen toekomende grondrechten, met name het gebrek aan privacy en ruimte, maar tevens het ontbreken van de mogelijkheid tot arbeid en educatie en de beperkte mogelijkheid tot verpozen of bewegen, als disproportionele en daarmee als niet (langer) noodzakelijke beperkingen op grondrechten dienen te worden aangemerkt. De rechtbank is - onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van 18 maart 2005 en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 augustus 2006 (AWB 06/34273) van oordeel dat de bewaring aan boord van de detentieboot ‘Reno’ na ommekomst van zes maanden in strijd met artikel 5.4 van het Vb 2000 moet worden geacht. Gesteld noch gebleken is immers dat de omstandigheden aan boord van de detentieboot ‘Reno’ thans, ruim anderhalf jaar na genoemde schouw, zodanig zijn verbeterd dat bovenstaand oordeel met betrekking tot de duur van het verblijf aan boord van de detentieboot ‘Reno’ niet langer stand kan houden.

De rechtbank gaat hiermee niet voorbij aan het feit dat de AbRS, onder meer in de uitspraken van 28 april 2005 (200410555) en 3 april 2006 (200602114/1), heeft geoordeeld dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is te oordelen omtrent toepassing van het regime (onder meer) op de detentieboot ‘Reno’. De rechtbank stelt echter vast dat vorenbedoelde uitspraken van de AbRS geen rechtsoordeel bevatten met betrekking tot de wijze waarop en de mate waarin het regime op de detentieboot ‘Reno’ inbreuk maakt op de in eerder genoemde uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats genoemde grondrechten. Met name in deze omstandigheid vindt de rechtbank voldoende aanleiding niet van haar eerdere oordeel af te wijken. De door eiser aangehaalde uitspraak in kort geding van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2006 leidt evenmin tot de conclusie dat van dit oordeel dient te worden afgeweken. In laatstgenoemde uitspraak noch in de uitspraken van de AbRS kan worden gelezen dat er voor de vreemdelingenrechter geen ruimte is om te beoordelen of er sprake is van dusdanige omstandigheden op de detentieboot dat grondrechten, zoals het recht op privacy, ontoelaatbaar worden geschonden.

De rechtbank overweegt voorts het volgende. De tenuitvoerlegging van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring aan boord van de detentieboot ‘Reno’ is, gelet op het vorenoverwogene, onrechtmatig vanaf 14 december 2006, zijnde de dag waarop het onderhavige beroep is ingesteld, nu deze is gelegen (ruim na) 13 oktober 2006, zijnde de dag waarop de termijn van zes maanden van het verblijf aan boord van de detentieboot ‘Reno’ is verstreken.

De rechtbank ziet, met name gelet op de duur van de maatregel en gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het bijzondere karakter van de beperkingen op de grondrechten waar eiser sinds 13 april 2006 aan onderworpen is geweest, aanleiding om wijziging van de tenuitvoerlegging toe te wijzen.

Eiser zal zo spoedig mogelijk, doch met een maximum van twee dagen na verzending van deze uitspraak, dienen te worden overgeplaatst naar een plaats van tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 5.4 van het Vb 2000, in dier voege dat het verblijf in deze plaats een minder beperkend en inperkend karakter moet dragen dan het verblijf op de detentieboot ‘Reno’.

Hetgeen overigens door partijen over en weer is aangevoerd laat de rechtbank, gelet op het vorenstaande, onbesproken.

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen, tot een bedrag van € 70,--, voor iedere dag na 14 december 2006 (de datum van het onderhavige beroep) dat eiser heeft verbleven op de detentieboot ‘Reno’.

Gelet op het voorgaande is er tevens aanleiding om verweerder als in de het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- wijst het verzoek om wijziging van de tenuitvoerlegging toe als overwogen in deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding toe voor iedere dag na 14 december 2006 dat eiser op de detentieboot ‘Reno’ zal hebben verbleven, in voege als hiervoor omschreven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Mans, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 29 december 2006, in tegenwoordigheid van M.E. Sjouke, griffier.

De griffier is buiten staat te tekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: PD

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open