Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5899

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
270148 - FA RK 06-4629
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek van de man tot verlaging van de alimentatie;

De rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een situatie, waarin de vrouw zich onvoldoende inspant om in eigen levensonderhoud te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer: FA RK 06-4629

zaaknummer: 270148

datum beschikking: 19 december 2006

BESCHIKKING op het op 19 juli 2006 ingekomen verzoek van:

[de man],

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. J.P. Verhaar-Kok.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. F.A.E. Ohlenroth.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief d.d. 4 augustus 2006 van de zijde van de man, met bijlagen;

- de brief d.d. 10 november 2006 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.

Op 21 november 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de partijen vergezeld van hun procureurs. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

FEITEN

Partijen zijn gehuwd geweest van 29 november 1973 tot 1 september 2000.

Bij beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 21 maart 2001 is - voor zover hier van belang - bepaald dat de man aan de vrouw zal verstrekken een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van f 2.800,-- (€ 1.270,58) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw thans € 1.491,45.

VERZOEK, GRONDSLAG EN VERWEER

Het verzoek van de man luidt - met wijziging van voornoemde beschikking - met ingang van 1 augustus 2006, de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw op € 1.000,-- per maand te bepalen, en voorts met ingang van 1 januari 2008 op nihil te stellen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De man stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor voormelde beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven en voert hiertoe aan dat dat de vrouw - tegen alle verwachting in - geen aanstalte heeft gemaakt en ook niet zal maken om financieel, althans voor een deel, in haar eigen kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt het verzoek af te wijzen, dan wel de man in zijn verzoek niet ontvankelijk te verklaren en de naar haar oordeel onnodig gemaakte proceskosten volledig ten laste van de man te brengen.

BEOORDELING

Ontvankelijkheid

Op grond van het bepaalde in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is een rechterlijke uitspraak dan wel een overeenkomst betreffende levensonderhoud voor wijziging vatbaar, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Nu de man gemotiveerd een wijziging van omstandigheden heeft gesteld is de man ontvankelijk in zijn verzoek.

Rechtens relevante wijziging van omstandigheden

De rechtbank zal vervolgens eerst nagaan of hetgeen door de man is gesteld een rechtens relevante wijziging van omstandigheden betreft.

De man heeft de volgende omstandigheden aangevoerd. De vrouw heeft een inspanningsverplichting opgelegd gekregen om ervoor te zorgen dat zij in de toekomst zelf in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Ter onderbouwing heeft de man de volgende overweging uit de beschikking van het gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 21 maart 2001 aangevoerd.

"Hoewel het hof van oordeel is dat van de vrouw redelijkerwijze verwacht kan worden dat zij er naar streeft volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien, acht het hof aannemelijk dat de vrouw- mede gelet op de duur van het huwelijk en de welstand van de partijen ten tijde van het huwelijk- vooralsnog behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud, als door de rechtbank toegewezen."

Uit deze overweging heeft de man afgeleid dat het gerechtshof het aannemelijk achtte dat de behoefte aan een aanvullende bijdrage slechts tijdelijk zou zijn en de vrouw een inspanningsverplichting voor de toekomst zou hebben. Volgens de man heeft de vrouw echter de voorkeur gegeven aan flexibiliteit en ervoor gekozen om haar activiteiten, en daarmee haar inkomsten te beperken tot marginale bezigheden bij kennissen. De man heeft derhalve verzocht een hogere verdiencapaciteit van de vrouw in aanmerking te nemen dan wel alsnog een termijn te verbinden aan de alimentatiebetalingen door de alimentatie op termijn op nihil te stellen dan wel een combinatie van beiden.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de stelling dat er een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden en heeft verklaard dat het gerechtshof in haar beschikking geen enkele termijn aan de alimentatie heeft verbonden. Volgens haar slaat het begrip 'vooralsnog' op de 12-jaars termijn zoals genoemd in artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek. Voorts heeft de vrouw verklaard dat zij naast haar schoonmaakwerkzaamheden bij [X.] Tandarts (gedurende tien uur per week), vijftien uur per week bij particulieren - niet zijnde kennissen - als schoonmaakster werkzaam is. Zij is van mening dat zij vergelijkbare werkzaamheden verricht als ten tijde van haar huwelijk, en hiervoor een normale vergoeding per uur ontvangt. De vrouw is van mening dat zij hiermee voldoende inspanningen levert.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank overweegt dat in de beschikking van het gerechtshof geen termijn is verbonden aan de alimentatieverplichting en dat derhalve uit de bewoordingen "vooralsnog behoefte heeft" enkel afgeleid kan worden dat het hof doelde op de situatie in 2001 en zulks voor een onbepaalde periode. Van belang is dus de stelling van de man, dat op de vrouw op dit moment een inspanningsverplichting rust die niet wordt nagekomen. Dit acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. De vrouw is 53 jaar oud, heeft een MULO-opleiding en verricht 25 uur in de week schoonmaakwerk, verdeeld over vijf avonden en vier ochtenden. De vrouw stelt aangewezen te zijn op dit werk, aangezien zij geen studieus type is. Algemeen bekend mag worden geacht dat schoonmaakwerk zwaar is, doch gezien tegen de achtergrond van de daarvoor benodigde opleiding redelijk wordt beloond, zeker in de particuliere huishouding, waar dit meestal "zwart" geschiedt. Daarnaast past de vrouw twee middagen in de week op de kleinkinderen van partijen, hetgeen ook in het belang van de man moet worden geacht. Ook acht de rechtbank het te billijken dat de vrouw ervoor kiest de werkrelatie met de tandarts, bij wie zij tien uur in de week schoonmaakt, te behouden. De vrouw hoopt, wanneer de tandarts gaat uitbreiden en het schoonmaakwerk voor haar te zwaar wordt, een functie aan de balie van de tandartsenpraktijk te kunnen aanvaarden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een situatie, waarin de vrouw zich onvoldoende inspant om in eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de man derhalve afwijzen. Overigens heeft de vrouw een- en andermaal verklaard dat de man niet behoeft te vrezen dat zij na ommekomst van de termijn van twaalf jaar een verzoek zal doen tot verlenging.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de man;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Bergh in tegenwoordigheid van mr. M.M.J.H. van den Hurk als de griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2006.