Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5404

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
02-01-2007
Zaaknummer
09/655049
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verweten dat hij handelingen heeft gepleegd die als ontuchtig moeten worden aangemerkt. Gedragingen naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Afgezien daarvan kunnen twee van de verweten gedragingen niet als ontuchtig worden beschouwd. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VONNIS)

parketnummer 09/655049-05

's-Gravenhage, 15 december 2006.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 december 2006.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P.H. De Granada, advocaat te Alkmaar, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. C.J.L. van Dam heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Overwegingen met betrekking tot de vrijspraak.

Verdachte wordt verweten dat hij handelingen heeft gepleegd die als ontuchtig moeten worden aangemerkt. Het ontuchtig handelen zou hebben bestaan uit het knijpen in en/of betasten/aanraken van de bil(len) van aangeefster, het omhelzen van aangeefster en het ruiken in haar nek.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte aangeefster in haar billen heeft geknepen of deze heeft betast. Weliswaar is niet uitgesloten dat verdachte in de situatie van een drukke keuken aangeefster aan dit lichaamsdeel heeft aangeraakt, doch dat deze aanraking, indien deze heeft plaatsgevonden, een sexuele lading had, is niet vast komen te staan. Dat verdachte aangeefster heeft omhelsd is evenmin bewezen. Wel heeft verdachte, blijkens verklaringen van een aantal getuigen, in de betreffende periode aangeefster meermalen aangeraakt en vastgepakt, doch dat levert nog geen omhelzingen op. Bovendien is uit verklaringen van collega's van verdachte aannemelijk geworden dat verdachte in zijn wijze van omgang met zijn leerlingen in de keuken aanrakingen geenszins uit de weg ging, zonder dat aan deze aanrakingen zonder meer een sexuele strekking kan worden toegekend. Wat betreft het ruiken in de nek van aangeefster overweegt de rechtbank, met de officier van justitie, dat een dergelijke gedraging bezwaarlijk zelfstandig als ontuchtige handeling kan worden aangemerkt.

Nog daargelaten dat de rechtbank van oordeel is dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de twee laatstgenoemde gedragingen niet bewezen kunnen worden geacht, wordt overwogen dat de gedragingen niet als ontuchtig kunnen worden beschouwd, nu een seksuele context, gelet op de feitelijke constellatie, niet is komen vast te staan. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat - onder meer uit de verklaringen van collega's - verdachte naar voren komt als een fysiek en extravert persoon, hetgeen temeer in de keuken tot uiting zal zijn gekomen door de hectiek en spanning die zijn (toenmalige) werkzaamheden als chef-kok en docent meebrengen. Aanrakingen van verdachte lijken aldus hun oorsprong te vinden in diens manier van met mensen omgaan en gaan niet vergezeld van enige sexuele (bij)bedoeling.

Dat aangeefster het optreden van verdachte als sexueel intimiderend heeft ervaren doet aan het voorgaande niet af. Evenmin kan bij voormeld oordeel van de rechtbank een rol spelen of de telastegelegde feitelijkheden zich al dan niet hebben voorgedaan. Aan een oordeel daaromtrent komt de rechtbank immers niet toe, nu deze feitelijkheden slechts een rol kunnen spelen indien deze zouden gelden als middel om aangeefster tot het dulden van voormelde, in de telastelegging als ontuchtig beschreven, handelingen te brengen.

Beslissing.

De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. P.A.M. Hoek, voorzitter,

M.M. van der Nat en V.F. Milders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. A.N.M. Siem Tjam, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2006.