Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5355

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
29-12-2006
Zaaknummer
AWB 06/2377 MAWKLA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AMAR

militair ontslag wegens wangedrag in de dienst (bezit harddrugs)

Eiser is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld en had er niet op mogen vertrouwen dat rechtspositionele maatregelen achterwege zouden blijven. De enkele omstandigheid dat eisers BBT-aanstelling met het oog op uitzending tussentijds is verlengd, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/2377 MAWKLA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 10 februari 2005 heeft verweerder eiser met ingang van

1 maart 2005 op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR ontslag verleend wegens wangedrag.

2. Eiser heeft bij brief van 21 maart 2005 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3. Bij besluit van 14 februari 2006, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

4. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief 16 maart 2006, ingekomen bij de rechtbank via een faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

5. Het beroep is op 26 oktober 2006 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.A. Boeve als zijn raadsman.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden, lkol [naam l.kol.] en kap G.D. [naam kap.].

II. MOTIVERING

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser, kanonnier der eerste klasse, aangesteld bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd (BBT) van de Koninklijke Landmacht (KL), is vanaf 2 juni 2003 geplaatst bij 14 Afdva Ssvbt.

1.2 Eiser is in de nacht van 31 december 2003 op 1 januari 2004 door de politie aangehouden in verband met een opstootje dat was ontstaan door het gebruik van vuurwerk. Op het politiebureau werd geconstateerd dat eiser in het bezit was van een zakje met 1,5 gram wit poeder, vermoedelijk drugs. Eiser is, nadat hij kenbaar had gemaakt dat hij militair was, vervolgens overgedragen aan de Koninklijke Marechaussee (KMar).

1.3 Op 6 januari 2004 heeft een huishoudelijk onderzoek plaatsgevonden, waarvan op 20 januari 2004 een intern memorandum is opgemaakt. In het kader van dit onderzoek heeft eiser verklaard dat hij met een vriend was aangehouden omdat zij er van werden verdacht een vuurwerkbom te hebben gegooid. Eiser moest mee naar het politiebureau, alwaar hij zijn zakken moest leegmaken. Volgens hem zat in zijn zak wat vuurwerk en een klein wit papieren envelopje met een anderhalve gram wit poeder. De politie vermoedde dat het om drugs zou gaan, vermoedelijk cocaïne. Bij de KMar heeft eiser verklaard dat hij dacht dat het envelopje in zijn zak was gekomen met het een bommetje, zijnde een soort vuurwerk dat hij had gekregen van een 14-jarig jongetje. Van vrienden heeft hij later vernomen dat het envelopje misschien in zijn zaak is gestopt tijdens café-bezoek eerder op de avond. De jassen lagen in het betreffende café opgestapeld in een hoek, aldus eiser. In het memorandum is vermeld dat de mogelijkheid bestaat dat eiser, na nader onderzoek door het Openbaar Ministerie, zal worden geschorst en dat dit kan worden gevolgd door ontslag.

1.4 De aanstelling van eiser expireerde op 30 april 2004 en is per die datum verlengd.

1.5 Op 16 september 2004 heeft de militaire politierechter eiser veroordeeld tot het betalen van een boete van € 150,-- wegens het aanwezig hebben van harddrugs.

1.6 Eiser is op 1 oktober 2004 gehoord in verband met voornoemde veroordeling en om te onderzoeken of er redenen zijn om rechtspositionele maatregelen te nemen, waaronder de mogelijkheid van schorsing in het ambt en voordracht tot ontslag.

Bij besluit van 6 oktober 2004 is eiser met ingang van 11 oktober 2004 geschorst. Voorts is medegedeeld dat eiser zal worden voorgedragen voor ontslag. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.7 Bij besluit van 10 februari 2005 heeft verweerder eiser met ingang van 1 maart 2005 ontslag verleend wegens wangedrag. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.8 Bij uitspraak van 11 mei 2005 heeft de militaire kamer van het gerechtshof eiser in hoger beroep onder meer veroordeeld wegens het aanwezig hebben van harddrugs. Deze uitspraak is in kracht van gewijsde gegaan.

1.9 Bij besluit van 1 februari 2006 is het bezwaar tegen het besluit van

6 oktober 2004 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.10 Bij besluit van 14 februari 2006, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2005 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

2. Eiser acht het niet zorgvuldig dat lang is gedaan over de (primaire) besluitvorming, terwijl hij zijn werkgever tijdig en openhartig heeft geïnformeerd over hetgeen tijdens de jaarwisseling 2003/2004 was gebeurd.

Ondanks de aanhouding en de wetenschap ter zake van een vermeend strafbaar feit heeft verweerder de aanstelling van eiser willens en wetens verlengd. Eiser meent dat hij er op geen enkele wijze meer rekening mee hoefde te houden dat verweerder in een later stadium nog tot rechtspositionele maatregelen zou overgaan. Nu dit wel is gebeurd, is het bij eiser opgewekte vertrouwen geschonden. Tenslotte handhaaft eiser zijn standpunt dat hij tijdens de jaarwisseling 2003/2004 niet opzettelijk cocaïne in zijn bezit heeft gehad.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1 Het ontslagbesluit is gebaseerd op artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. Ingevolge dit artikel kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst, voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2 Ingevolge artikel 41 van het AMAR wordt het ontslag "eervol" verleend, behoudens in de gevallen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l, m, en n, in welke gevallen het ontslag zonder die aanduiding wordt verleend.

4.3 Het drugsbeleid van de KL is nader uitgewerkt in een brief van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten van 7 april 1998, kenmerk JZ/1998/8995 en wordt, zoals uit reeds gevormde jurisprudentie blijkt, door de Centrale Raad van Beroep en de rechtbank niet onredelijk geacht.

In voornoemde brief is als uitgangspunt van het drugsbeleid aangegeven dat het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bereiden, bewerken, verkopen, afleveren, vervoeren, aanwezig hebben, vervaardigen of gebruiken van hard- en softdrugs niet kan worden getolereerd aangezien dit een risico voor de taakuitvoering door de KL kan inhouden en het aanzien van het militaire ambt kan schaden. Genoemde gedragingen worden gekwalificeerd als verregaande nalatigheid in de vervulling van de plichten dan wel wangedrag van de desbetreffende militair(en) en leiden in het algemeen tot ontslag, zulks ongeacht de plaats waar of het tijdstip waarop deze hebben plaatsgevonden.

In paragraaf B2, aanhef en onder a (2), van bedoelde brief is opgenomen dat

als regel voor ontslag dient te worden voorgedragen de militair ten aanzien van wie kan worden aangetoond dat hij/zij harddrugs aanwezig heeft of aanwezig heeft gehad (ongeacht de hoeveelheid), gebruikt of heeft gebruikt.

4.4 Naar vaste jurisprudentie ( CRvB, 28 september 2000, TAR 2000/154) hanteert de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. De rechtbank acht deze maatstaf evenzeer aangewezen voor het onderhavige ontslag dat is gebaseerd op wangedrag. Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan, indien de feiten, die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.

5. Ingevolge artikel 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 geldt een uitspraak van de strafrechter die in kracht van gewijsde is gegaan in een militaire ambtenarenzaak als bewijs van dat feit. Derhalve staat in de onderhavige procedure vast dat eiser harddrugs aanwezig heeft gehad.

Dat eiser stelt dat hij niet opzettelijk cocaïne in zijn bezit heeft gehad, kan hier niet aan afdoen. Verweerder heeft voornoemde gedraging terecht gekwalificeerd als wangedrag. Niet gebleken is dat deze gedragingen eiser niet zouden kunnen worden aangerekend. In het licht van het voorgaande heeft verweerder zich terecht bevoegd geacht om eiser op de genoemde grondslag te ontslaan.

6. De rechtbank is van oordeel dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit niet onevenredig is aan het gepleegde wangedrag.

Niet gebleken is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel. Gebleken is dat bij het van huishoudelijk onderzoek nog onduidelijkheid bestond over de aard van het bij eiser aangetroffen poeder en dat derhalve is medegedeeld dat rechtspositionele maatregelen vooralsnog achterwege zouden blijven. Daarbij is echter mondeling het voorbehoud gemaakt dat, wanneer zich nieuwe feiten zouden voordoen, alsnog kon worden overgegaan tot het nemen van rechtspositionele maatregelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de overgelegde e-mail van 8 januari 2004 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit inderdaad door lkol [naam l.kol] aan eiser is medegedeeld.

Daarnaast liep nog de strafrechtelijke procedure. De nieuwe feiten, te weten de bevestiging dat het bij eiser aangetroffen poeder cocaïne betrof en dat deze harddrugs in zijn linkervuist zijn aangetroffen, zijn verweerder eerst bekend geworden ter zitting van de militaire politierechter op

16 september 2004. Eiser had er, gelet op de nog lopende strafrechtelijke procedure en het door verweerder gemaakte voorbehoud, niet op mogen vertrouwen dat rechtspositionele maatregelen achterwege zouden blijven. De enkele omstandigheid dat eisers BBT-aanstelling met het oog op uitzending tussentijds is verlengd, maakt dit niet anders.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de duur van de primaire besluitvorming dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft, nadat de juiste feiten met betrekking tot het wangedrag bekend zijn geworden, eiser in oktober 2004 gehoord, geschorst en het voornemen tot ontslag kenbaar gemaakt. Gebleken is dat eiser niet bij aanvang alle dan wel de juiste informatie aan verweerder heeft verstrekt. Het feit dat verweerder eerst in september 2004 hiermee bekend is geworden komt derhalve voor rekening van eiser.

Ook overigens is niet gebleken dat de wijze waarop verweerder bij het bestreden besluit van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft gemaakt onhoudbaar is te achten.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C. Fetter en in het openbaar uitgesproken op

4 december 2006, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.