Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4651

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
06/58562
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motie-Bos c.s. / generaal pardon / brief minister / pas op de plaats.

Verweerder laat de stelling dat eiser onder een mogelijk op te stellen generaal pardon valt, onweersproken gelaten. Verweerder beroept zich op haar brief van 7 december 2006 gericht aan de Tweede Kamer waarin zij (namens het kabinet) in reactie op de motie-Bos c.s. heeft aangegeven deze motie, inhoudende het verzoek om geen onomkeerbare stappen te nemen ten aanzien van asielzoekers die onder de oude Vw een asielaanvraag hebben ingediend en nog in Nederland verblijven, niet te kunnen uitvoeren. Blijkens voormelde brief wordt een “pas op de plaats” gemaakt waar het gaat om de effectuering van de daadwerkelijke uitzetting van vreemdelingen in het project Terugkeer. Daarnaast heeft verweerder in deze brief kenbaar gemaakt dat het gaat om een praktische handelwijze gedurende een beperkte periode, zodat dit zonder gevolgen blijft voor stappen die worden gezet ter voorbereiding van het vertrek van de betrokken vreemdelingen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de periode van onduidelijkheid aangaande het (wederom) ter hand nemen van uitzettingen van vreemdelingen die mogelijk onder de motie-Bos c.s. vallen niet onevenredig lang is, zodat thans sprake is van zicht op uitzetting. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/58562 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 13 december 2006

inzake

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1972, van Afghaanse nationaliteit,

eiser, verblijvende in Detentieboot Reno te Rotterdam,

gemachtigde: mr. C.G.A. van Meel, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Jonkman, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 28 november 2006 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd.

1.2 Eiser heeft hiertegen op 30 november 2006 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 2006. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe aan dat niet valt uit te sluiten dat hij onder de werking van de motie-Bos c.s. valt en dat verweerder op dit moment geen werk maakt van het uitzetten van mensen die (mogelijk) onder de werking van een generaal pardon vallen. Er is derhalve geen sprake van zicht op uitzetting.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft naar aanleiding van de politieke ontwikkelingen met ingang van week 49 slechts zeer tijdelijk de (geplande) uitzettingen van vreemdelingen die mogelijk onder de werking van de motie-Bos c.s. vallen opgeschort in verband met het debat naar aanleiding van deze motie in de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: TK) op 12 december 2006. Voorts heeft verweerder aangegeven dat uitzettingen naar Afghanistan plaatshebben met behulp van een zogenaamd EU-document; hoewel de procedure ter verkrijging van een dergelijk document niet snel is -hetgeen onder meer te maken heeft met het feit dat er slechts beperkte plaatsen op vluchten naar Afghanistan beschikbaar zijn- is deze wel overzichtelijk.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Niet gebleken is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring niet in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

2.5 De rechtbank is van oordeel dat er voldoende zicht op uitzetting van eiser bestaat. Hiertoe acht de rechtbank het navolgende van belang.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter zitting de stelling van eiser dat hij onder een mogelijk op te stellen generaal pardon valt, onweersproken heeft gelaten.

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich ter zitting heeft beroepen op de brief van verweerder van 7 december 2006 gericht aan de Voorzitter van de TK waarin verweerder (namens het kabinet) in reactie op de motie-Bos c.s. heeft aangegeven deze motie, inhoudende het verzoek om geen onomkeerbare stappen te nemen ten aanzien van asielzoekers die onder de oude Vw een asielaanvraag hebben ingediend en nog in Nederland verblijven, niet te kunnen uitvoeren. Blijkens voormelde brief wordt een “pas op de plaats” gemaakt waar het gaat om de effectuering van de daadwerkelijke uitzetting van vreemdelingen in het project Terugkeer. Daarnaast heeft verweerder in deze brief kenbaar gemaakt dat het gaat om een praktische handelwijze gedurende een beperkte periode, zodat dit zonder gevolgen blijft voor stappen die worden gezet ter voorbereiding van het vertrek van de betrokken vreemdelingen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de periode van onduidelijkheid aangaande het (wederom) ter hand nemen van uitzettingen van vreemdelingen die mogelijk onder de motie-Bos c.s. vallen niet onevenredig lang is, zodat thans sprake is van zicht op uitzetting.

2.6 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser in strijd is met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2.7 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.8 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Gorter, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006, in tegenwoordigheid van mr. E. de Ruiter, als griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.