Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4647

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
KG 06/1330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG tegen het besluit van de Minister van Justitie om eiser uit te leveren aan de Verenigde Staten. Eiser is in mei 2005 in Nederland aangehouden op verdenking van deelname aan een terroristische organisatie, medeplegen van een poging tot moord dan wel de voorbereiding daarvan en inbraak. Vanaf juli 2005 wordt aan eiser tevens verweten het medeplegen van het plaatsen van mijnen en het tot ontploffing brengen ervan in Fallujah, gericht tegen een (Amerikaans) militair konvooi, dan wel poging daartoe. De Amerikaanse autoriteiten hebben in juli 2005 de voorlopige aanhouding van eiser en vervolgens in september 2005 de uitlevering van eiser verzocht. Nadat de rechtbank in Rotterdam in december 2005 de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard en de Hoge Raad in september 2006 het cassatieberoep van eiser tegen deze uitspraak heeft verworpen, heeft de Minister van Justitie bij beschikking van 11 oktober 2006 besloten de uitlevering toe te staan ten behoeve van strafvervolging van eiser voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. Eiser vordert in dit kort geding primair een verbod tot uitlevering aan de VS en subsidiair een verbod tot uitlevering totdat het gerechtshof te 's-Gravenhage besloten heeft over de verdere vervolging van eiser in Nederland. Naar het oordel van de voorzieningenrechter is er geen grond om aan te nemen dat de VS zich niet aan hun toezeggingen (zie het vonnis) zullen houden en/of dat aan eiser in het kader van een bijzondere behandeling of vervolging voor (politieke) delicten fundamentele rechten zullen worden ontzegd. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 19 december 2006,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 06/1330 van:

[eiser],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught,

eiser,

procureur mr. W.P den Hertog,

advocaten mrs. V.L. Koppe en J. Pauw te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. A.Th.M.ten Broeke,

advocaten mrs. A.Th.M. ten Broeke en C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 december 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit.

1.2. Op 2 mei 2005 wordt eiser in Nederland aangehouden op verdenking van deelname aan een terroristische organisatie, medeplegen van een poging tot moord dan wel de voorbereiding daarvan en inbraak. Vanaf 5 juli 2005 wordt aan eiser tevens verweten het medeplegen van het plaatsen van mijnen en het tot ontploffing brengen ervan in Fallujah, gericht tegen een (Amerikaans) militair konvooi, dan wel poging daartoe.

1.3. De Amerikaanse autoriteiten hebben bij nota van 28 juli 2005 de voorlopige aanhouding van eiser en vervolgens bij nota nummer 59 van 21 september 2005 de uitlevering van eiser verzocht, één en ander met het oog op zijn vervolging voor een zestal feiten genoemd in een indictment van 9 september 2005 van de federal grand jury bij de United States District Court for the district of Columbia. De feiten betreffen - samengevat - de vermoede betrokkenheid van eiser bij het plegen van aanslagen op of omstreeks 30 oktober 2003 op Amerikaanse legerkonvooien in of bij Fallujah, Irak, althans het treffen van voorbereidingshandelingen daartoe.

1.4. In de nota nummer 60 van 3 oktober 2005 van de Amerikaanse autoriteiten is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(...). Please be advised that based on that indictment, [eiser] takes on the status of a criminal defendant. Further, as contemplated by the U.S.-Netherlands Extradition Treaty and as articulated in our request for extradition, the United States is seeking his extradition for the purpose of his being tried in the United States District Court for the District of Columbia on those offenses under ordinary criminal law which are specified in our extradition request."

1.5. In de nota nummer 69 van 17 november 2005 van de Amerikaanse autoriteiten is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"The Government of the United States assures the Government of The Netherlands that upon extradition to the United States, [eiser] will be prosecuted before a Federal Court in accordance with the full panoply of rights and protections that would otherwise be provided to a defendant facing similar charges. Pursuant to his extradition, [eiser] will not be prosecuted before a military commission, (...); nor will he be criminally prosecuted in any tribunal or court other than a United States Federal Court; nor will he be treated or designated as an enemy combatant."

1.6. De rechtbank van Rotterdam heeft in haar uitspraak van 12 december 2005 de uitlevering van eiser naar de Verenigde Staten van Amerika (VS) toelaatbaar verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank Rotterdam de Minister van Justitie (hierna: de Minister) op 23 december 2005 laten weten dat zij, gelet op de onder 1.4. en 1.5 bedoelde nota's van de Amerikaanse autoriteiten, geen aanleiding ziet te adviseren om eiser niet uit te leveren.

1.7. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 september 2006 het cassatieberoep van eiser tegen de onder 1.6 bedoelde uitspraak van de rechtbank verworpen.

1.8. Bij beschikking van 11 oktober 2006 (hierna: de beschikking) heeft de Minister besloten de uitlevering toe te staan ten behoeve van strafvervolging van eiser voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. In deze beschikking heeft de Minister onder meer het volgende overwogen:

"De Minister is dan ook van oordeel dat voldoende is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, indien hij na uitlevering in de Verenigde Staten tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland kan ondergaan.

(...). De Minister is van oordeel dat gelet op de onder 1.3. genoemde ambtsberichten afkomstig van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, er voldoende waarborgen zijn dat de opgeëiste persoon niet zal worden berecht voor een militaire rechtbank, maar voor een federale rechtbank met inachtneming van alle rechten en bescherming die verdachten in soortgelijke gevallen zou toekomen. Gelet op het in het internationale rechtshulpverkeer geldende vertrouwensbeginsel is de minister van oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat de Verenigde Staten zich zullen houden aan de bovenstaande toezegging en dat de opgeëiste persoon dienaagaande geen risico loopt om te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 en 6 EVRM en 3 VN-folterverdrag. (...). De Minister is niet gebleken van een aanleiding om vertrouwen in de Verenigde Staten van Amerika niet langer op zijn plaats te achten.

[...]

De Minister is daarbij voorts van oordeel de goede rechtsbedeling met zich mee brengt dat de strafvervolging op grond van de hierboven genoemde feiten in de Verenigde Staten zou moeten worden voortgezet. Hierbij neemt de Minister in overweging dat door het hierboven genoemde strafbare handelen van de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden buiten Nederlands grondgebied en erop gericht was de Amerikaanse rechtsorde te raken, zodat met name de Amerikaanse rechtsorde is geschokt. Daarnaast bevindt een deel van het bewijsmateriaal zich in de Verenigde Staten.

De Minister zal op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, alsmede het tweede lid, aan de Nederlandse Officier van Justitie in kwestie de opdracht geven de eerder aangevangen vervolging te staken."

1.9. Bij brief van 8 december 2006 heeft G.A. Maisel, Assistant United States Attorney for the District of Columbia, voor zover thans van belang, het volgende verklaard:

"(...). Upon arrival in the United States, (...), Mr. [eiser] will have an initial public appearance before a United States Magistrate Judge. At that time, he will be appointed legal counsel. (...). Mr. [eiser]'s case will be assigned to an independent United States District Court judge, who will preside over the case and conduct regular, public hearings in the case. The prosecution of the case will be governed by the provisions of the United States Constitution, all relevant United States laws and the Federal Rules of Criminal Procedure.

(...). Based on past experience in similar cases, Mr. [eiser] will most likely be held during the pre-trial period in the District of Columbia Jail ("D.C. Jail"). This facility has a significant Muslim prisoner population, with Muslim religious services, meals and clergy available. The rules of the D.C. Jail allow a prisoner's attorney to visit the prisoner at any time, seven days a week, 24 hours a day.

[...]

I cannot make any representations at this time whether Mr. [eiser] will be subject to Special Administrative Measures ("SAMs") during his pre-trial detention. (...). No determination has been made at this time as to whether any SAMs would be imposed on Mr. [eiser].

Since the attacks of September 11, 2001, the D.C. Jail has held at least two Muslim male prisoners accused of terrorism - (...). (...). Neither defendant nor their counsel complained to the court of any inhumane or degrading treatment during their periods of pre-trial detention.

Regarding the location of Mr. [eiser]'s imprisonment following a conviction in the case, I have previously stated in my extradition affidavit that, "[s]hould [eiser] be extradited, convicted, and sentenced for those offenses for which he was extradited, and should he properly apply to serve his sentence in the Netherlands, I will not oppose his transfer for such purpose." Thus, while it cannot be known at this time in which prison Mr. [eiser] will be placed should he be convicted, he will immediately upon arrival have the opportunity to begin the application process for service of his sentence in the Netherlands.

(...). Rather, as discussed, Mr. [eiser], as a criminal defendant, represented by experienced counsel, appearing regularly before an independent federal district court judge, will have every opportunity to raise and address any complaints he has regarding his conditions of pre-trial detention."

1.10. Bij brief van 12 oktober 2006 heeft de Minister de officier van justitie van het Landelijk Parket verzocht "de eerder aangevangen vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland te staken zodra de feitelijke uitlevering heeft plaatsgevonden."

1.11. Op 7 november 2006 heeft eiser op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering bij het gerechtshof 's-Gravenhage een beklag ingediend wegens niet vervolging.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert -zakelijk weergegeven- primair een verbod tot uitlevering aan de VS en subsidiair een verbod tot uitlevering totdat het gerechtshof te 's-Gravenhage besloten heeft over de verdere vervolging van eiser in Nederland.

Daartoe voert eiser -samengevat- het volgende aan. De beschikking is onrechtmatig. De Minister had in redelijkheid niet tot het oordeel kunnen komen dat de vervolging van eiser hier in Nederland gestaakt dient te worden. Daarmee wordt ook de beschikking onrechtmatig. De uitlevering dient dan ook te worden verboden. Daarnaast dient ook de dreigende schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM ertoe te leiden dat de uitlevering wordt verboden. De diplomatieke garanties, noch de omstandigheid dat de VS partij zijn bij het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) kunnen aan deze aanname in de weg staan. Subsidiair dienen de overwegingen hieromtrent mee te wegen bij de beslissing betreffende de goede rechtsbedeling.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Vooropgesteld wordt dat de Minister, als orgaan van gedaagde, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter. Ter beoordeling is thans of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de uitlevering van eiser aan de VS toe te staan. Hierbij verdient opmerking dat de beleidsvrijheid van de Minister wordt ingeperkt door de in het geding zijnde verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering - zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover de VS -slechts dan wijkt voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Deze uitgangspunten gelden ook in dit geval, nu de VS weliswaar niet tot het EVRM maar wel tot het IVBPR is toegetreden.

3.2. Eiser voert ten eerste aan dat de Minister niet in redelijkheid kon en mocht beslissen om de vervolging van eiser in Nederland te staken. De goede rechtsbedeling brengt met zich dat eiser in Nederland berecht moet worden.

3.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan de rechter slechts een marginale beoordeling toekomt van de wijze waarop de Minister gebruik maakt van de facultatieve bevoegdheid uitlevering te weigeren op de grond dat een goede rechtsbedeling zich tegen uitlevering verzet. Voor ingrijpen van de kortgedingrechter is slechts plaats indien de beslissing tot uitlevering uit hoofde van een goede rechtsbedeling evident onredelijk of onbegrijpelijk is. Dat is hier niet het geval. De Minister heeft in de beschikking aangegeven dat het door de VS genoemde strafbare handelen van eiser heeft plaatsgevonden buiten Nederlands grondgebied en erop gericht was de Amerikaanse rechtsorde te raken, zodat met name de Amerikaanse rechtsorde is geschokt. Daarnaast bevindt een deel van het bewijsmateriaal zich in de Verenigde Staten. Ter zitting heeft de Staat toegelicht hoe het uitleveringsverzoek van de VS tot stand is gekomen. Naar aanleiding van het rechtshulpverzoek van Nederland van 20 oktober 2004 hebben er onder meer gesprekken plaatsgevonden met Amerikaanse officieren van justitie. Zij hebben laten weten dat de door Nederland gevraagde informatie over opgeblazen Amerikaanse konvooien in en rond Fallujah van op of omstreeks 30 oktober 2003, militaire informatie is die niet kan worden vrijgeven. Daarnaast hebben zij aangegeven eiser zelf te willen vervolgen. Gezien het voorgaande, en de onbetwiste omstandigheid dat eiser een eventueel in de VS opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland kan ondergaan, kon de Minister in redelijkheid oordelen dat een goede rechtsbedeling meebrengt dat de vervolging in de VS geschiedt. De omstandigheden dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft, een groot deel van het opsporingsverzoek (reeds) in Nederland heeft plaatsgevonden en een (belangrijk) deel van het bewijs zich in Nederland bevindt, zijn onvoldoende zwaarwegend om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de voorkeur zou moeten worden gegeven aan vervolging van eiser in Nederland.

3.4. Eiser heeft vervolgens nog aangevoerd dat het onrechtmatig is de vervolging te staken, gezien het vergevorderde stadium waarin de vervolging in Nederland zich bevindt. Dit verweer slaagt niet. Tot het moment waarop met het onderzoek ter terechtzitting wordt aangevangen door het doen uitroepen van de zaak, is het openbaar ministerie bevoegd de dagvaarding in te trekken. Geen rechtsregel verbiedt het openbaar ministerie om, vóórdat een dagvaarding is uitgebracht, de vervolging in een strafzaak op te schorten in afwachting van de behandeling van een definitieve beslissing op een verzoek om uitlevering van eiser. Er bestaat in beginsel evenmin een verplichting om tot vervolging over te gaan, ook niet op verzoek van eiser zelf, en evenmin indien, zoals eiser aanvoert, het bewijs zich voornamelijk in Nederland bevindt en de beweerdelijk strafbare feiten (mede) op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Dat eiser Nederlander is en met vervolging in Nederland meer gebaat zou zijn dan met een uitlevering aan de VS, schept geen verplichting hem hier te lande te vervolgen.

3.5. Alsdan is aan de orde de vraag of eiser in het geval van uitlevering het risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.

3.6. In de onder 1.4 en 1.5. bedoelde diplomatieke nota's staat uitdrukkelijk dat eiser niet voor een military commission zal worden vervolgd, niet strafrechtelijk zal worden vervolgd anders dan voor een United States Federal Court met inachtneming van alle rechten en bescherming die verdachten in soortgelijke gevallen toekomen en ook niet als enemy combatant zal worden behandeld of aangemerkt. Daarnaast geldt tussen Nederland en de VS het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111), zijn de VS partij bij het IVBPR en heeft gedaagde onbetwist aangevoerd dat in de uitleveringsrelatie tussen Nederland en de VS zich geen incidenten in verband met de (niet-) naleving van verplichtingen uit hoofde van het voornoemde uitleveringsverdrag hebben voorgedaan. Daarbij komt dat uit de onder 1.9 bedoelde brief van 8 december 2006 valt op te maken dat de Amerikaanse autoriteiten, in het geval eiser zal worden veroordeeld, aan een teruglevering van hem aan Nederland zullen meewerken als aan de eisen hiervoor is voldaan.

3.7. De door eiser in het geding gebrachte rapporten die "wantoestanden" beschrijven, bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een dreigende schending van artikel 3 EVRM ten aanzien van eiser. De rapporten van onder meer Human Rights Watch en Committee against Torture hebben allemaal betrekking op het optreden van de Amerikaanse autoriteiten buiten Amerikaans grondgebied in het kader van bestrijding van terrorisme. Het rapport van Harvard Law School van 4 december 2006 gaat (mede) over "misstanden" ten opzichte van gedetineerde moslims in het algemeen die plaatsvinden in federale gevangenissen. Uit deze rapporten volgt, wat daar verder van zij, niet zonder meer dat (moslim) terrorismeverdachten binnen de VS en/of eiser evenzeer een verhoogd risico lo(o)pt(en) op folteren of onmenselijke of vernederende behandeling. Dat de rapporten betrekking hebben op uitleveringssituaties is overigens niet gebleken. Daarbij komt dat eiser naar alle waarschijnlijkheid in de pre-trial period geplaatst zal worden in de District of Columbia Jail en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hier "misstanden" plaatsvinden.

3.8. Aan de omstandigheid dat aan eiser Special Administrative Measures (SAM's) opgelegd kunnen worden, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Het opleggen van SAM's maken de detentie overigens niet per definitie onmenselijk. Uit de genoemde brief van 8 december 2006 kan bovendien worden afgeleid dat tegen SAM's een rechtsmiddel openstaat en dat bij een onafhankelijke rechter kan worden geklaagd over een behandeling die wreed, inhumaan of vernederend is.

3.9. Onder de hiervoor voormelde omstandigheden is er geen grond om aan te nemen dat de VS zich niet aan hun toezeggingen zullen houden en/of dat aan eiser in het kader van een bijzondere behandeling of vervolging voor (politieke) delicten fundamentele rechten zullen worden ontzegd.

3.10. De voorzieningenrechter acht het voorts, mede gezien hetgeen in rechtsoverweging 3.9. is overwogen, onvoldoende aannemelijk dat er gegronde redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat eiser door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, noch dat indien daarvan toch sprake zou blijken te zijn na zijn uitlevering, niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. Aan het verweer van eiser dat hij, gezien de erbarmelijke detentieomstandigheden en de vijandige bejegening die hij zal ondervinden in de VS, in feite gedwongen zal worden het traject van de plea-bargaining te volgen, wordt, gezien hetgeen hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 3.5 tot en met 3.9, voorbijgegaan. Dat het "klimaat" in de VS thans zodanig is dat eiser geen eerlijk proces in de VS te wachten staat, is evenmin aannemelijk geworden.

3.11. Met betrekking de subsidiaire vordering wordt het volgende overwogen. De voorzieningenrechter ziet, mede gezien hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 3.3 en de gemotiveerde betwisting door gedaagde, geen aanleiding de uitlevering te verbieden hangende de beslissing op een op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering tegen zijn niet verdere vervolging ingediend beklag. De subsidiaire vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.12. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst af de vorderingen;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.064,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 248,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

az