Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4585

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
18-12-2006
Zaaknummer
rolnummer 247088 / HA ZA 05-2291
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over uitleg overeenkomst, gesloten in 2000, betreffende overdracht rechten winningvergunning, meer in het bijzonder over de hoogte van de door gedaagde aan eiseres te betalen royalty. De royalty over de totale opbrengst van koolwaterstoffen uit de ´deep´ van blok Q1 van het continentaal plat of de royalty over het aandeel van gedaagde in de totale opbrengst? Haviltex-norm. Uit getuigenverklaringen blijkt dat er geen wilsovereenstemming heeft bestaan bij het aangaan van de overeenkomst. De onderhandelingen die toen zijn gevoerd leveren geen aanknopingspunten op voor de wijze waarop eiseres de overeenkomst redelijkerwijze heeft mogen opvatten. Daarom moet worden teruggevallen op de taalkundige uitleg van de bepalingen en de context van de overeenkomst. De rechtbank concludeert dat eiseres aan de tekst van de overeenkomst niet redelijkerwijs de betekenis heeft mogen toekennen dat de royalty over de totale productie zou worden berekend. Haar vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Vonnis van 13 december 2006

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 247088 / HA ZA 05-2291 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNOCAL NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te 's-Gavenhage,

eiseres,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINTERSHALL NOORDZEE B.V.,

gevestigd te 's-Gavenhage,

gedaagde,

procureur voorheen mr. H.C. Grootveld,

thans mr. W. Heemskerk

Partijen zullen hierna Unocal en Wintershall worden genoemd.

De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 januari 2006 in het vrijwaringsincident

- het tussenvonnis van 24 mei 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 16 oktober 2006.

1.2 Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Bij besluit van 9 juni 1980 heeft de Minister van Economische Zaken op grond van de destijds geldende Mijnwet continentaal plat van 23 september 1965 (hierna te noemen: "de Mijnwet") een vergunning verleend aan Unocal en DSM Energie B.V. (hierna te noemen: "DSM"). Deze vergunning geeft recht op het winnen van aardolie en aardgas alsmede van andere in dezelfde afzetting voorkomende delfstoffen (hierna te noemen: "koolwaterstoffen") in het deel van het continentaal plat dat is aangeduid als blok Q1 (hierna te noemen: "de winningvergunning").

2.2 Unocal heeft krachtens een overeenkomst met DSM recht op een aandeel van 80% van de productie van koolwaterstoffen in blok Q1 en DSM heeft recht op een aandeel van 20% daarin.

2.3 Unocal heeft haar aandeel, voor zover dit betrekking heeft op het diepe gedeelte van het continentaal plat (in navolging van partijen hierna aan te duiden als "de deep"), overgedragen aan Clyde Petroleum Exploratie B.V. (hierna te noemen: "Clyde"). Op 29 september 2000 hebben Unocal en Clyde daartoe een zogenoemde Farm-in Agreement gesloten (hierna te noemen: "de overeenkomst"). Hierin is onder meer het volgende bepaald:

"ARTICLE 1 DEFINITIONS AND INTERPRETATION

(..)

"Hydrocarbons" means natural gas, crude oil, natural gas liquids and similar substances before refining.

"Interest" means the interest of UNOCAL in respect of the Deep, comprising of 80% (eighty percent) of all right, title and interest in any way related to the Deep and all property, assets, rights and liabilities which are directly or indirectly connected therewith, as such interest is further specified in Annex I hereto.

(..)

"Reservoir" means a reservoir of Hydrocarbons fully or partly located in the Deep.

ARTICLE II TRANSFER

2.1 Subject to the terms, provisions and conditions set forth in this Agreement, UNOCAL hereby transfers the Interest to CLYDE, which transfer is hereby accepted by CLYDE.

(..)

ARTICLE III CONSIDERATION

3.1 In consideration for the transfer of the Interest by UNOCAL to CLYDE as per Article II hereof, Unocal will receive from CLYDE a royalty interest payment (hereinafter referred to as "ORI") with respect to Hydrocarbons produced by Clyde from the Deep, calculated as follows:

a. UNOCAL will have the ORI on the gross revenues from any Hydrocarbons produced from the Reservoirs;

b. (..)

c. CLYDE will calculate and pay at the end of each calendar month the ORI according to the following formula:

Gross Revenue * Royalty Rate

Where:

* Gross Revenue = gross revenue from any Hydrocarbons produced and delivered to any buyer from the Reservoir in the previous calendar month.

* Royalty Rate = 4% (four percent)"

2.4 In de overeenkomst is voorts bepaald dat Clyde "operator" zal zijn met betrekking tot de deep, hetgeen betekent dat zij zorgdraagt voor de feitelijke winning van koolwaterstoffen uit de deep.

2.5 Bij besluit van 12 april 2001 heeft de Minister van Economische Zaken toestemming verleend tot overdracht van de winningsvergunning aan Unocal, DSM en Clyde, waardoor Clyde medehoudster van de winningsvergunning is geworden.

2.6 De Staat heeft via Energie Beheer Nederland B.V. (hierna te noemen: "EBN") voor 40 % deelgenomen in de winning van koolwaterstoffen in blok Q1. Sinds de staatsdeelname bedraagt het aandeel van Clyde in de winning van koolwaterstoffen in de deep in blok Q1 48% en dat van DSM 12%.

2.7 Op 30 september 2003 zijn ingevolge een juridische fusie alle rechten en verplichtingen van Clyde onder algemene titel overgaan op Wintershall, waaronder de rechten en verplichtingen uit de overeenkomst.

2.8 Bij brief van 5 december 2003 heeft Unocal Wintershall onder meer meegedeeld dat Wintershall inbreuk maakt op de overeenkomst en heeft zij Wintershall aansprakelijk gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade.

3. Het geschil

3.1 Unocal vordert, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

-een verklaring voor recht dat de uitleg door Wintershall van artikel 3 van de overeenkomst onjuist is, Wintershall derhalve tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomst en Wintershall jegens Unocal tot nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomst gehouden is;

-veroordeling van Wintershall tot betaling aan Unocal van EUR 4.989.329,88, alsmede de sedert april 2005 tot heden verschuldigde bedragen, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de respectieve bedragen verschuldigd zijn, tot aan de dag van algehele voldoening, en

-veroordeling van Wintershall in de kosten van het geding, waaronder die van de voorlopige getuigenverhoren, inclusief getuigengelden.

3.2 Unocal legt hieraan samengevat het volgende ten grondslag. Unocal heeft haar rechten uit de winningsvergunning overgedragen aan Clyde tegen een door Clyde aan Unocal te betalen royalty. Uit de getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor dat voorafgaand aan deze procedure heeft plaatsgevonden, blijkt dat de onderhandelaars aan de zijde van Clyde er vanuit gingen dat de royalty 4% zou bedragen van Clyde's aandeel in de bruto-opbrengsten van de totale productie van koolwaterstoffen uit de deep van blok Q1. Deze uitleg van de overeenkomst van Clyde stemt niet overeen met het door Clyde zelf geredigeerde artikel 3 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat de royalty 4% van de bruto-opbrengsten van de totale productie van koolwaterstoffen uit de deep van blok Q1 bedraagt. Unocal mocht in goed vertrouwen afgaan op de door Clyde aangeleverde tekst van artikel 3 van de overeenkomst en daaruit afleiden dat het ook de bedoeling van Clyde was dat de royalty zou worden berekend over de bruto-opbrengsten van de totale productie van koolwaterstoffen. Artikel 3 van de overeenkomst moet in deze zin worden uitgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 3:35 BW kan Wintershall geen beroep doen op het ontbreken van een met haar verklaring overeenstemmende wil. Wintershall betaalt Unocal echter slechts 4% van haar eigen aandeel in die bruto-opbrengsten en schiet daarmee toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Wintershall is jegens Unocal gehouden tot nakoming van de overeenkomst en tot betaling van de volledige royalty. Het verschil, berekend tot en met maart 2005, bedraagt het gevorderde bedrag van EUR 4.989.329,88.

3.3 Wintershall voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Partijen verschillen van mening over de wijze waarop artikel 3 van de overeenkomst moet worden uitgelegd en meer in het bijzonder over de hoogte van de door Wintershall aan Unocal te betalen royalty. Volgens Unocal blijkt uit artikel 3 van de overeenkomst dat de royalty 4% bedraagt van de totale opbrengst van koolwaterstoffen uit de deep van blok Q1. Unocal baseert deze uitleg hoofdzakelijk op de tekst van artikel 3.1 sub a. en c. van de overeenkomst, waarin staat dat de royalty moet worden berekend over "any Hydrocarbons produced from the Reservoirs" respectievelijk "any Hydrocarbons produced and delivered to any buyer from the Reservoir". Wintershall stelt hier tegenover dat de royalty 4% bedraagt van het aandeel van Wintershall (zijnde 48%) in de totale opbrengst van koolwaterstoffen uit de deep van blok Q1. Zij baseert haar uitleg mede op de aanhef van artikel 3.1 van de overeenkomst, waarin is bepaald dat Unocal van Clyde zal ontvangen een royalty "with respect to Hydrocarbons produced by Clyde from the Deep". Voorts stelt Wintershall dat het in de olie- en gasindustrie gebruikelijk is dat een royalty wordt berekend over het aandeel in de winning.

4.2 De rechtbank stelt voorop dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen c.q. aan welke verklaring zij kunnen worden gehouden niet kan worden beantwoord alleen op grond van de taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract aangezien het voor de beantwoording van die vraag mede aankomt op de zin die partijen in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs aan de bepaling hebben mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, in welk verband mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (de Haviltex-norm).

4.3 Uit het voorlopig getuigenverhoor dat voorafgaand aan de onderhavige procedure heeft plaatsgevonden blijkt dat de toenmalige onderhandelaren aan de zijde van Clyde tijdens de onderhandelingen en bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen hebben gehad dat de royalty zou worden berekend over het aandeel van Clyde in de totale productie van koolwaterstoffen uit de deep van blok Q1, mede ook omdat Clyde slechts een aandeel in de totale productie van koolwaterstoffen in blok Q1 verwierf. Voorts blijkt dat de onderhandelaar van Unocal er daarentegen vanuit is gegaan dat de royalty betrekking had op de totale productie en dat hij daarom in de definitie van "Gross Revenue" heeft opgenomen dat deze ziet op "any Hydrocarbons produced and delivered to any buyer from the Reservoir".

4.4 Uit bedoelde getuigenverklaringen blijkt dat er bij het aangaan van de overeenkomst tussen Unocal en Clyde geen wilsovereenstemming heeft bestaan. Dit is ook het standpunt van partijen. De getuigenverklaringen zijn echter niet richtinggevend voor de uitleg van de hoogte van de royalty als bedoeld in artikel 3 van de overeenkomst, omdat gesteld noch gebleken is dat de bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken onderhandelaren destijds op de hoogte waren van hun wederzijdse voornemens en verwachtingen in dit verband.

4.5 De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het beroep van Unocal op getuigenverklaringen waaruit volgens Unocal blijkt dat zij destijds niet zou hebben ingestemd met een royalty berekend over het aandeel in de winning waartoe Wintershall gerechtigd is, en dat Clyde de overeenkomst hoogstwaarschijnlijk ook zou hebben gesloten indien zij zou hebben geweten dat de royalty zou moeten worden berekend over de totale opbrengsten uit de deep van blok Q1. Ook in dit verband is immers gesteld noch gebleken dat de destijds onderhandelende partijen op de hoogte waren van hun wederzijdse voornemens en verwachtingen.

4.6 Nu de onderhandelingen geen aanknopingspunten opleveren voor de wijze waarop de overeenkomst ter zake van de hoogte van de royalty moet worden uitgelegd - of beter gezegd: de wijze waarop Unocal de overeenkomst redelijkerwijs heeft mogen opvatten - moet worden teruggevallen op een taalkundige uitleg van de bepalingen en de context van de overeenkomst. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 3.1 van de overeenkomst staat dat Unocal van Clyde zal ontvangen een royalty "with respect to Hydrocarbons produced by Clyde from the Deep". Uitgangspunt bij de berekening van de royalty zoals nader geregeld in artikel 3.1. sub a. tot en met c. is derhalve dat de royalty van 4% moet worden berekend over de opbrengst van koolwaterstoffen uit de deep van blok Q1 die door Clyde zijn geproduceerd.

4.7 De vraag rijst wat moet worden verstaan onder "Hydrocarbons produced by Clyde from the Deep" in de aanhef van artikel 3.1 van de overeenkomst. Volgens Unocal ziet deze zinsnede op de productie van Wintershall als licence operator. Aangezien Wintershall als licence operator alle koolwaterstoffen uit de deep van blok Q1 produceert moet de royalty over de opbrengst van de totale productie uit de deep van blok Q1 worden berekend, aldus Unocal.

Wintershall stelt hier tegenover dat "produced by Clyde" ziet op de winning van koolwaterstoffen door Clyde, thans Wintershall, als medehoudster van de winningsvergunning, en niet op het feitelijk onttrekken van koolwaterstoffen aan de bodem van het continentaal plat door Wintershall in haar hoedanigheid van operator. Wintershall voert hiertoe aan dat een winningvergunning in de Mijnwet is gedefinieerd als "een vergunning voor het winnen van daarin vermelde delfstoffen" en dat de houders van de winningsvergunning en EBN op grond van de wet worden beschouwd als de producenten van de gewonnen koolwaterstoffen, die ieder gerechtigd zijn hun aandeel in de koolwaterstoffen zelfstandig te verkopen. Dit moet volgens Wintershall worden onderscheiden van de feitelijke winning van koolwaterstoffen, die wordt gerealiseerd door de operator. De operator produceert niet, maar is opdrachtnemer van de vergunninghouders en EBN en brengt voor zijn werkzaamheden een vergoeding in rekening, aldus Wintershall. Artikel 3 van de overeenkomst gaat volgens Wintershall niet over het operatorship maar over het belang van Wintershall als medehoudster van de winningsvergunning in de deep van blok Q1.

4.8 De rechtbank stelt voorop dat het woord "to produce" niet in de overeenkomst is gedefinieerd. Op zichzelf bezien kan hieronder worden verstaan de feitelijke winning van koolwaterstoffen zoals deze is uitbesteed aan Clyde, thans Wintershall, maar evengoed kan hieronder worden verstaan de winning van koolwaterstoffen door de daartoe op grond van de winningsvergunning gerechtigde partijen. Deze laatste uitleg ligt naar het oordeel van de rechtbank het meest voor de hand en wel op basis van de constructie van de overeenkomst. In de overeenkomst is immers onderscheid gemaakt tussen enerzijds de (gedeeltelijke) overdracht van de winningsrechten door Unocal als medehoudster van de winningsvergunning en de royalty die daar tegenover staat (artikel 2 en 3 van de overeenkomst) en anderzijds het operatorship dat Clyde op zich neemt (artikel 7 en 8 van de overeenkomst). De in artikel 3 overeengekomen royalty heeft betrekking op de (gedeeltelijke) overdracht van de rechten uit de winningvergunning en de zinsnede "Hydrocarbons produced by Clyde" kan dan ook zo worden begrepen dat deze betrekking heeft op de winning door Clyde als medehoudster van de winningsvergunning, en niet op de activiteiten van Clyde als operator. Gelet hierop, en gelet op de bij Unocal bekende omstandigheid dat Clyde slechts een aandeel in de winning verwierf, had Unocal er rekening mee dienen te houden dat de verwachting van Clyde was dat de royalty slechts aan dit aandeel zou zijn gerelateerd.

4.9 De stelling van Unocal dat de toevoeging van het woord "any" aan "Hydrocarbons" in artikel 3.1 sub a. en c. van de overeenkomst alleen zo moet en kan worden geïnterpreteerd dat de royalty moet worden berekend over de totale productie van koolwaterstoffen in de deep van blok Q1, wordt verworpen. De omstandigheid dat het woord "Hydrocarbons" in de overeenkomst is gedefinieerd, neemt niet weg dat de toevoeging van het woord "any" zo kan worden begrepen dat daarmee bedoeld is meer expliciet tot uitdrukking te brengen dat het om verschillende soorten delfstoffen gaat.

4.10 De rechtbank verwerpt voorts de stelling van Unocal dat de overeenkomst moet worden uitgelegd ten nadele van Wintershall als (rechtsopvolger van) de partij die de overeenkomst heeft opgesteld. Voor een uitleg ten nadele van de partij die de overeenkomst heeft opgesteld is in dit geval geen aanleiding, nu de overeenkomst is gesloten tussen twee professionele en gelijkwaardige partijen die ieder konden beschikken over juridische bijstand. Overigens overweegt de rechtbank dat de onderhandelaar aan de zijde van Unocal tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard dat de tekst van artikel 3.1 van de overeenkomst van Clyde afkomstig is, behoudens de definitie van Gross Revenue, die door hemzelf is opgesteld. Het woord "any" waarop Unocal zich beroept staat nu juist in deze definitie.

4.11 Het voorgaande brengt mee dat Unocal aan de door Clyde aangeleverde tekst van artikel 3 van de overeenkomst niet redelijkerwijs de betekenis heeft mogen toekennen dat de royalty over de totale productie zou worden berekend. Unocal had in elk geval niet zonder meer van Clyde mogen verwachten dat Clyde dezelfde betekenis aan artikel 3 van de overeenkomst toekende. De vorderingen dienen derhalve te worden afgewezen.

4.12 Duidelijkheidshalve voegt de rechtbank hier nog het volgende aan toe. Het geven van een bewijsopdracht c.q. het gelasten van een deskundigenbericht met betrekking tot de vraag of er, zoals Wintershall heeft betoogd, bij overeenkomsten zoals de onderhavige een standaardpraktijk bestaat in die zin dat een royalty altijd wordt berekend over het aandeel van een vergunninghouder in de totale productie, is na het voorgaande niet meer aan de orde. Een eventuele vaststelling van de door Wintershall beweerde praktijk kan het hiervoor gegeven oordeel immers slechts ondersteunen; het niet bestaan van een dergelijke praktijk tast de juistheid van dat oordeel echter niet aan.

Proceskosten

4.13 Unocal zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld, waarbij tevens in aanmerking moet worden genomen dat Wintershall Nautadutilh in vrijwaring heeft opgeroepen. Wintershall vordert in de vrijwaringsprocedure kort gezegd dat Nautadutilh wordt veroordeeld om aan Wintershall te betalen al hetgeen waartoe Wintershall jegens Unocal in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Wintershall legt hieraan samengevat ten grondslag dat Nautadutilh Wintershall, althans haar moedermaatschappij Wintershall AG, onjuist dan wel onvolledig heeft geadviseerd ter zake van de overname van Clyde. NautaDutilh heeft volgens Wintershall onvoldoende informatie verstrekt over, en niet heeft gewaarschuwd voor de royalty regeling in de overeenkomst tussen Unocal en Clyde en de mogelijkheid dat daarover interpretatiegeschillen ontstaan. Aldus heeft Nautadutilh volgens Wintershall niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht en is zij jegens Wintershall aansprakelijk voor de schade die Wintershall daardoor lijdt.

4.14 Indien in de vrijwaringsprocedure vonnis zal worden gewezen, dan zal Wintershall, nu zij na de beslissing in de onderhavige procedure geen belang meer heeft bij haar vordering in de vrijwaringszaak, om welke reden die vordering waarschijnlijk zal worden afgewezen, daarbij in de proceskosten worden veroordeeld. Wintershall had blijkens de hiervoor kort weergegeven grondslag van haar vordering voldoende belang om Nautadutilh in vrijwaring op te roepen zodat Unocal tevens de kosten van de vrijwaring, waaronder de eigen proceskosten van Wintershall, aan Wintershall dient te vergoeden. Tot op heden zijn deze kosten beperkt tot de door Wintershall reeds gemaakte eigen proceskosten. De rechtbank heeft bij de berekening in aanmerking genomen dat Wintershall, tot aan dit vonnis, in de vrijwaringszaak geen conclusie van repliek heeft genomen. Voor wat betreft eventuele kosten die na dit vonnis in de vrijwaringszaak ontstaan, in het bijzonder een veroordeling van Wintershall tot betaling van de door Nautadutilh gemaakte proceskosten, is Wintershall aangewezen op de nakostenregeling (artikel 237 lid 4 Rv).

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Unocal in de proceskosten, waaronder die van het incident in de hoofdzaak en de door Wintershall in de vrijwaringsprocedure gemaakte kosten, tot aan deze uitspraak begroot op EUR 4.655,32 aan verschotten en EUR 13.296,- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr P.G.J. de Heij, mr. D. Aarts en mr. M.E. Honée en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2006.