Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4560

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
09/997125-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte wist, heeft moeten of had kunnen weten dat het geld dat haar ouders haar geleend hadden ten behoeve van de inrichting van een zonnestudio, deels van misdrijf afkomstig was. Zij had met haar ouders en haar broer niet veel contacten over de glazenwasserij en het inkomen dat daarmee werd verdiend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij niet kunnen weten, maar ook niet hoeven te vermoeden dat de kasstaten, die zij van de familieboekhouder had gekregen met de opdracht deze over te schrijven in een kasboek, vals waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

parketnummer 09/997125-06

's-Gravenhage, 15 december 2006

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 1 december 2006.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsvrouw mr M.G.C. van Riet, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Appels heeft gevorderd dat verdachte terzake van het haar bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van twee uur per dag die zij in voorarrest heeft doorgebracht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De raadsvrouw heeft namens verdachte aangevoerd dat het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 niet-ontvankelijk verklaart dient te worden, wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte in een vergelijkbare positie verkeerde als haar oom [oom], welke ook een aanzienlijk geldbedrag van medeverdachte [medeverdachte parketnummer 09/997196-05] in bewaring heeft gehad. Nu deze [oom] in het geheel niet als verdachte is aangemerkt is de raadsvrouw van oordeel dat de vervolging van verdachte voor ditzelfde feit op willekeur berust.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Ten einde te kunnen vaststellen of er sprake is van willekeur door in binnen het kader van eenzelfde strafzaak de ene persoon wel als verdachte aan te merken en te vervolgen en de andere persoon niet, dient op z'n minst vast te staan dat het gaat om gelijkwaardige personen binnen dezelfde strafrechtelijke context. Daarvan is de rechtbank, gelet ook op de officier van justitie ter terechtzitting gedane mededeling, niet gebleken. Voor het overige miskent het verweer dat de wetgever beoogd heeft de beslissing omtrent vervolging tot een exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie te maken, zoals neergelegd in artikel 167 Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding is telastgelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte wist, heeft moeten of had kunnen weten dat het geld dat haar ouders haar geleend hadden ten behoeve van de inrichting van een zonnestudio, deels van misdrijf afkomstig was. Zij verkeerde in de veronderstelling dat dat geld afkomstig was uit de verkoop van onroerend goed. Voor zover verdachte zich kan herinneren kon binnen het gezin waarin zij opgroeide financieel gezien erg veel. In de tijd dat zoiets nog geen gemeengoed was, herinnert verdachte zich luxe verjaardagscadeaus en gezinsvakanties in het buitenland. Zij was van jongs af aan bekend met een ruim financieel bestedingspatroon binnen het ouderlijk gezin. Haar verhouding met haar ouders was, gelet op hetgeen zij hierover heeft verklaard over haar sexuele geaardheid, niet zodanig innig, dat zij met haar ouders en broer veel contacten had over de glazenwasserij en het inkomen dat daarmee werd verdiend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet kunnen weten, maar ook niet hoeven te vermoeden dat de kasstaten, die zij van de familieboekhouder had gekregen met de opdracht deze over te schrijven in een kasboek, vals waren. Het voor die wetenschap, ook in voorwaardelijke zin, benodigde referentiekader ontbrak haar ten enenmale.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve van het haar telastgelegde vrij.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

De Graaff en Smid-Verhage, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bröcheler, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2006.