Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4336

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
AWB 05/47643, 05/02568
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vaderschapsprocedure / Nederlanderschap / nieuwe feiten of omstandigheden

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het overleggen van de gelegaliseerde geboorteakte niet met zich brengt dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Dit geldt evenmin voor het instellen van de vaderschapsprocedure door eiseres, reeds omdat een dergelijke procedure niet zonder meer kan worden gelijkgesteld aan een procedure tot vaststelling van Nederlanderschap als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder g Vb 2000. Hetgeen eiseres overigens in dit verband heeft aangevoerd, betreft geen nieuwe feiten of omstandigheden ten opzichte van het besluit van 16 december 1998, waarin reeds is geoordeeld dat niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan betrokkenen niet zou kunnen terugkeren naar Ghana. Deze omstandigheden die op zich zelf niet onlosmakelijk verbonden zijn met het overleggen van de geboorteakte en het instellen van de vaderschapsprocedure, worden derhalve door de rechtbank buiten de beoordeling gelaten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 05/47643 (beroep)

AWB 05/02568 (voorlopige voorziening)

V.nr.: 130.509.3155

inzake: [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1990, van Ghanese nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiseres/verzoekster, hierna: eiseres,

wettelijk vertegenwoordiger: de heer [vader eiseres], woonachtig te [woonplaats],

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Boone, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 24 februari 2004 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij ouder(s)”. Bij besluit van 13 januari 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij bezwaarschrift van 17 januari 2005 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brieven van 11 en 13 februari 2005.

2. Bij brief van 17 januari 2005 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. De gronden van het verzoek zijn ingediend bij brief van 13 februari 2005.

3. Op 27 juli 2005 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 30 september 2005 ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 24 oktober 2005 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 23 november 2005. Bij brief van 25 november 2005 is het petitum van het verzoek om een voorlopige voorziening gewijzigd. Thans wordt verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. Op 12 december 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 12 mei 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2006. Eiseres en haar wettelijk vertegenwoordiger zijn aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

5. De rechtbank/voorzieningenrechter, hierna: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eiseres verblijft sinds 18 april 1998 in Nederland. Op 17 juni 1998 heeft zij een vergunning tot verblijf aangevraagd met als doel “verblijf bij vader [vader eiseres]”. Verweerder heeft bij besluit van 21 juli 1998 afwijzend op deze aanvraag beslist. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 16 december 1998 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 februari 2000 (AWB 99/354) heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het door eiseres ingediende beroep ongegrond verklaard omdat het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen eiseres en de heer [vader eiseres] (hierna te noemen: referent), niet met gelegaliseerde officiële documenten is aangetoond. Voorts heeft deze rechtbank in voormelde uitspraak geoordeeld dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar vader verbroken was, dat van overige klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding zouden nopen niet was gebleken, alsmede dat het beroep dat eiseres heeft gedaan op de bescherming van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet kon slagen.

2. In de bestreden beschikking heeft verweerder eiseres geen verblijfsvergunning verleend omdat zij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

III. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zoals onder meer tot uitdrukking gebracht in haar uitspraak van 4 april 2003 (JV 2003/219), blijkt dat het ingevolge artikel 4:6 van de Awb voor de bestuurlijke besluitvorming geldende rechtsbeginsel volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem) ook geldt voor de rechtspraak: Dit betekent dat buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, een zelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter kan worden voorgelegd. Voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken vindt dit beginsel nadere invulling in het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000. Deze wettelijke bepalingen verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Voor de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag, zal de rechtbank derhalve los van de stelling van partijen, direct moeten treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat er van nieuwe feiten en omstandigheden sprake is. Eiseres wijst in dit verband op het feit dat er sprake is van gewijzigde jurisprudentie inzake de legalisatie van documenten. Voorts stelt eiseres dat onder het oude recht zoals gold ten tijde van haar vorige aanvraag om verblijf bij referent, slechts aan het ontbreken van een mvv kon worden voorbijgegaan indien aan alle toelatingsvoorwaarden werd voldaan, hetgeen nu niet meer het geval is. Derhalve is er sprake van een wijziging van recht ten aanzien van de toepassing van het mvv-vereiste. Ten slotte voert eiseres aan dat zij thans in het bezit is van een gelegaliseerde akte waarmee de familieband met referent wordt vastgesteld.

4. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bedoeld in artikel 14 van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel kan de Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5. De eerste vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of de omstandigheid dat sinds de vorige aanvraag van eiseres de regelgeving met betrekking tot het mvv-vereiste is gewijzigd, een voor eiseres relevante wijziging van het recht is, in welk geval een rechterlijke toetsing van de thans bestreden beschikking openstaat. Daartoe overweegt de rechtbank dat ook in het besluit van 16 december 1998 op basis van het destijds geldende recht het ontbreken van een mvv aan eiseres is tegengeworpen, doch daarnaast is tevens getoetst of aan eiseres inhoudelijk een vergunning kon worden verleend. Aan het laatste is verweerder in de thans bestreden beschikking op grond van het huidige recht niet toegekomen. Hoewel de rechtsregimes derhalve wel zijn gewijzigd, moet uit de uitspraak van de AbRS van 19 oktober 2005 (JV 2005,461) worden afgeleid dat het hier niet gaat om een relevante wijziging van het recht. In genoemde uitspraak, die ook betrekking had op een aanvraag voor de inwerkingtreding van de Vw 2000 en een aanvraag van daarna, is immers bepalend geacht dat de tweede aanvraag tot hetzelfde doel strekte als de eerdere aanvraag, en heeft de omstandigheid dat in de tweede aanvraag het ontbreken van een geldige mvv is tegengeworpen, de AbRS niet tot een ander oordeel geleid.

6. Evenmin kan hetgeen eiseres heeft aangedragen omtrent de gewijzigde jurisprudentie op het gebied van legalisatie, als een relevante wijziging van het recht worden beschouwd. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de AbRS van 13 juli 2006 (JV 2006/397) waar is geoordeeld dat een ontwikkeling in de jurisprudentie reeds gelet op het bepaalde in artikel 12 van de Wet algemene bepalingen niet als een voor de aanvrager relevante wijziging van het recht kan worden aangemerkt.

7. Nu eiseres reeds op 17 juni 1998 een aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel “verblijf bij vader [vader eiseres]” heeft ingediend en op deze aanvraag definitief is beslist, stelt de rechtbank vast dat de onderhavige procedure een herhaalde aanvraag betreft. Door de rechtbank zal derhalve beoordeeld dienen te worden of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat de gelegaliseerde geboorteakte pas na het bestreden besluit in de vorige procedure is verkregen. De legalisatie van de akte en het overleggen daarvan moet als een nieuwe omstandigheid worden beschouwd die een hernieuwde rechterlijke beoordeling vergt. Gelet op de overwegingen van het besluit van 16 december 1998 en de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 9 februari 2000 is niet op voorhand uitgesloten dat hetgeen dienaangaande is aangevoerd kan afdoen aan het besluit van 16 december 1998. In het besluit van 16 december 1998 is immers de aanvraag afgewezen onder meer omdat door eiseres geen gelegaliseerde en geverifieerde verklaring met betrekking tot de familierechtelijke relatie tussen haar en referent was overgelegd. Omdat daardoor de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet was aangetoond, is in het besluit van 16 december 1998 overwogen dat reeds hierom geen verblijf hier te lande kon worden toegestaan.

9. In bezwaar en beroep heeft eiseres tevens aangevoerd dat zij in een procedure is verwikkeld tot “vaststelling van het vaderschap”. Ook in zoverre is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nieuwe omstandigheid die hernieuwde rechterlijke beoordeling vergt. Tussen partijen is immers niet in geschil dat eiseres deze procedure is aangevangen na de uitspraak van 9 februari 2000. Op voorhand is niet uitgesloten dat hetgeen dienaangaande is aangevoerd, kan afdoen aan het besluit van 16 december 1998

10. Nu sprake is van nieuwe omstandigheden die tot heroverweging nopen, zal de rechtbank de bestreden beschikking in zoverre toetsen.

11. Verweerder heeft in de bestreden beschikking onder meer overwogen dat de familierechtelijke relatie is aangetoond middels het overleggen van de gelegaliseerde geboorte akte van betrokkene. Verweerder heeft evenwel daarin kennelijk geen reden gezien eiseres het ontbreken van een mvv niet tegen te werpen. Daartoe is onder meer overwogen dat het handhaven van het mvv-vereiste in het geval van eiseres geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert, waardoor eiseres niet op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van het mvv-vereiste wordt vrijgesteld. Evenmin komt eiseres op grond van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) voor de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking. Met betrekking tot het instellen van de vaderschapsprocedure is in de bestreden beschikking overwogen dat niet is gebleken dat eiseres thans de Nederlandse nationaliteit heeft en dat nu de vaderschapsprocedure nog niet is afgerond er in zoverre sprake is van een toekomstig onzekere gebeurtenis,

12. Eiseres stelt dat handhaving van het mvv-vereiste een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. In dat verband doet zij er onder meer een beroep op dat de familierechtelijke relatie door middel van de geboorteakte inmiddels is aangetoond. Daarnaast doet zij een beroep op de omstandigheid dat een procedure vaststelling vaderschap is aangevangen en dat naar analogie van de procedure vaststelling Nederlanderschap vrijstelling van het mvv vereiste aan haar moet worden verleend. Tevens geeft eiseres in het kader van haar beroep op de hardheidsclausule aan dat zij schoolgaand is en een onderbreking daarvan een leerachterstand oplevert. Daarnaast is er geen opvang voor eiseres in Ghana en wonen er nog een broertje en een zusje van eiseres in Nederland. Het zou een breuk in het gezin zijn indien eiseres naar Ghana terug zou moeten. Ten slotte zou één van de ouders met haar meemoeten en ten gevolge hiervan zijn of haar baan moeten opzeggen.

Daarnaast stelt eiseres dat de weigering om aan haar een verblijfsvergunning te verlenen een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.

13. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het overleggen van de gelegaliseerde geboorteakte niet met zich brengt dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Dit geldt evenmin voor het instellen van de vaderschapsprocedure door eiseres, reeds omdat een dergelijke procedure niet zonder meer kan worden gelijkgesteld aan een procedure tot vaststelling van Nederlanderschap als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder g, van het Vb 2000. Hetgeen eiseres overigens in dit verband heeft aangevoerd, betreft geen nieuwe feiten of omstandigheden ten opzichte van het besluit van 16 december 1998, waarin reeds is geoordeeld dat niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan betrokkenen niet zou kunnen terugkeren naar Ghana. Deze omstandigheden die op zich zelf niet onlosmakelijk verbonden zijn met het overleggen van de geboorteakte en het instellen van de vaderschapsprocedure, worden derhalve door de rechtbank buiten de beoordeling gelaten.

14. Met betrekking tot het beroep van eiseres op artikel 8 EVRM wijst de rechtbank op bestendige jurisprudentie van de AbRS dat bij het niet voldoen aan het mvv-vereiste geen ruimte is voor de beoordeling of artikel 8 van het EVRM niettemin noopt tot toelating. Naar het oordeel van de rechtbank is onder bijzondere omstandigheden wel ruimte voor deze beoordeling. Van dergelijke omstandigheden is in deze zaak evenwel geen sprake.

15. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

16. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

17. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

18. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 05/47643

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 05/02/568

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2006 door mr. drs. S.M. Schothorst, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: YJ

Coll: YHK

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.