Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4156

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2006
Datum publicatie
11-12-2006
Zaaknummer
KG 06/1258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verblijfsomstandigheden op de detentieboten 'Reno' en 'Stockholm' waarvan de Staat (Minister van Justitie) gebruik maakt voor de detentie van vreemdelingen die in afwachting zijn van uitzetting. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het voldoende aannemelijk is dat de detentieboten en het daarop gehanteerde regime voldoen bij een verblijf van korte duur. Ervan uitgaande dat de vreemdelingen voortaan in beginsel niet langer dan zes maanden op de detentieboten verblijven, wijst de voorzieningenrechter de vorderingen om de verblijfsomstandigheden op de detentieboten in een aantal opzichten te verbeteren af. Detentie op de detentieboten gedurende meer dan zes maanden acht de voorzieningenrechter in beginsel in strijd met artikel 5.4 Vreemdelingenbesluit. Het wordt de Staat verboden om vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op de detentieboten tenzij de Minister van Justitie in individuele gevallen besluiten neemt die de vreemdeling door de rechter kan laten toetsen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 55
JV 2007/63
RV20060068 met annotatie van Baudoin P.J.A.M. Piet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 11 december 2006,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 06/1258 van:

1. de stichting Stichting Rechtsbijstand Asiel Nederland,

gevestigd te Arnhem,

2. de vereniging Vereniging Asieladvocaten en -juristen Nederland (VAJN),

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

procureur mr. E. Grabandt,

advocaten mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk te Alkmaar, mr. J.J. Eizenga te Prinsenbeek en mr. M.J.A. Leijen te Alkmaar,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. F.W. Bleichrodt.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 30 november 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Gedaagde maakt voor de detentie van vreemdelingen, die in afwachting zijn van uitzetting, gebruik van de detentieboten 'Reno' (vanaf 1 september 2004) en 'Stockholm' (vanaf 24 januari 2005), beide gelegen in de Merwehaven te Rotterdam (hierna te noemen: de detentieboten).

1.2. De Inspectie voor Sanctietoepassing van het Ministerie van Justitie (ISt) en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) hebben in mei 2006 een gezamenlijk onderzoeksapport (hierna: het rapport) uitgebracht over de detentieboten. Aanleiding voor het gezamenlijke onderzoek was de publiciteit rond een tweetal artikelen in het blad Vrij Nederland.

1.3. Uit het rapport blijkt dat op de Stockholm op 6 april 2006 444 vreemdelingen waren gedetineerd met een gemiddelde verblijfsduur van 102 dagen. Op deze datum verbleven 56 vreemdelingen meer dan zes maanden op de Stockholm en 2 vreemdelingen meer dan een jaar.

1.4. Het rapport vermeldt onder 3.1 onder meer het volgende:

"De onderzoekers hebben geconstateerd dat de voorzieningen die de bewoners ter beschikking staan nagenoeg allemaal voldoen aan de vereisten uit de Penitentiaire beginselenwet maar als sober kunnen worden gekwalificeerd. Het feit dat bewoners vanwege het gevoerde dagprogramma beschikken over veel bewegingsvrijheid binnen de afdeling doet aan deze soberheid niet af omdat zowel de feitelijke bewegingsvrijheid als de beschikbare middelen om invulling te geven aan deze bewegingsruimte, beperkt zijn.

Vele betrokkenen waarmee de onderzoekers spraken zijn van mening dat de locatie, vanwege het sobere karakter van de geboden voorzieningen, niet is toegerust op een langdurig verblijf van bewoners; hierbij wordt door hen een periode van vier tot zes maanden genoemd.

De RSJ handhaaft haar eerdere conclusie (toezichtsbezoek 23 februari 2005) dat het niveau van het regime en het niveau van de materiële en sociale omstandigheden voldoende zijn afgestemd op een korte verblijfsduur. Naar mate de detentieduur toeneemt, vormen de beperkingen van het regime en de omstandigheden een bezwaar."

1.5. Het rapport vermeldt onder 4.2 het volgende:

"4.2 Aanbevelingen voor de locatie Merwehaven (...)

3. Ontlast de afdelingshoofden zodanig dat informatie-uitwisseling met vreemdelingentoezichthouders onder andere door regelmatig werkoverleg geborgd is. (...)

4. Verbeter het inkomst- en plaastingsproces door meer stabiliteit te brengen in het team van de inkomstafdeling. (...)

5. Vervang versleten matrassen.

6. Draag zorg voor serviesgoed dat niet de sporen van eerder gebruik vertoont. (...)

7. Ontlast de afdelingshoofden zodanig dat de afdelingshoofden niet vooral op basis van incidenten contact hebben met de bewoners. (...)

8. Maak de huisregels zodanig onbelemmerd beschikbaar en zodanig toegankelijk dat de bewoners op de hoogte zijn van hun rechten en plichten.

9. Draag zorg voor een eensluidende handhaving van de huisregels door de vreemdelingentoezichthouders opdat de bewoners geen willekeur ondervinden. (...)

10. Creëer een juridisch loket om de onzekerheid bij de bewoners tot het minimum te beperken als het gaat om hun rechtspositie.

11. Draag zorg voor een betere bekendheid van de rol en de functie van de commissie van toezicht bij zowel vreemdelingentoezichthouders als bewoners. (...)

12. Tref geluidsisolerende voorzieningen opdat de bewoners ongestoord kunnen telefoneren. (...)

13. Draag zorg voor een meer uitgebreide rapportage over het gedrag van de bewoners ten behoeve van een betere voortgangscontrole en om problematisch gedrag en klachten beter te kunnen volgen.

14. Voorkom onderdiagnostiek en onderbehandeling van bewoners bij psychosociale problematiek.

15. Verbeter de continuïteit in de huisartsenzorg ten behoeve van de kwaliteit van de indicatiestelling door de huisarts.

16. Verruim de capaciteit van de extra zorgafdeling in overeenstemming met de noodzakelijke behoefte. (...)

17. Het is wenselijk om, in overleg met de gedetineerdencommissie, het assortiment van de winkel uit te breiden met verse producten als fruit en groente. (...)

18. Maak het mogelijk dat de bewoners toegang hebben tot een uitgebreider boekenbestand, woordenboeken en juridische naslagwerken. (...)

19. Creëer de mogelijkheid dat de bewoners wekelijks aan lichamelijke oefening kunnen doen met behulp van fitnessapparatuur. (...)

20. Tref een luchtvoorziening ten behoeve van de OBS-afdeling opdat het verblijf hierin kan worden aangemerkt als verblijf in de buitenlucht. (...)

21. Formaliseer en faciliteer de gedetineerdencommissie. (...)

22. Draag zorg voor de borging van een technisch volledige bruikbaarheid van de veiligheidsvoorzieningen en voor de handhaving en naleving van de instructies dienaangaande, in het bijzonder als het gaat om de detectiepoort.

23. Laat calamiteitenoefeningen regelmatig plaatsvinden. (...)

24. Creëer de mogelijkheid en draag zorg voor de gelegenheid voor een reguliere informatie-uitwisseling over de bewoners tussen de vreemdelingen-toezichthouders en de terugkeerfunctionarissen enerzijds gericht op de omstandigheden tijdens het verblijf in bewaring en anderzijds gericht op de omstandigheden na vertrek."

1.6. Bij brief van 1 september 2006 aan de Tweede Kamer is de Minister van Justitie ingegaan op het rapport. In de brief is onder meer het volgende vermeld:

"Het regime dat op de detentieboot Stockholm wordt gevoerd is formeel een regime van beperkte gemeenschap zoals dat in een regulier huis van bewaring regel is. Het regime voldoet daarmee aan de eisen zoals neergelegd in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). Waar het gaat om de uren dat men buiten de cel verblijft, is het regime op de Stockholm - evenals in de overige detentiecentra - zelfs beduidend ruimer dan de Pbw vereist en in huizen van bewaring gebruikelijk is. (...) Dat het regime qua invulling van activiteiten sober van karakter is, doet daaraan niet af maar hangt samen met de kernfunctie van de vreemdelingenbewaring, waarin de voorbereiding van het vertrek van betrokkene uit Nederland centraal staat. Primair op reïntegratie gerichte activiteiten zoals onderwijs en arbeid passen hier minder goed bij. (...)

Het ligt tot slot niet in de rede om de verblijfsduur op de Stockholm te maximeren. Dit is immers bij geen enkele penitentiaire inrichting met een regime van beperkte gemeenschap het geval. Als de regimevoering conform de toepasselijke regelgeving plaatsvindt, is aan de aanvaardbare verblijfsduur in zo'n regime geen bovengrens verbonden. De mate van medewerking van het land van herkomst aan de terugkeer van de vreemdeling heeft geen invloed op het toegepaste regime. Zoals ik al in mijn brief van 24 mei heb aangegeven, zou zo'n maximum (...) bovendien specifiek ten aanzien van de vreemdelingenbewaring waar het gaat om de bereidwilligheid van betrokkene om mee te werken aan diens terugkeer, een verkeerd signaal afgeven. Dit laat onverlet dat bij het opleggen van een bewaringsmaatregel steeds moet worden beoordeeld of sprake is van zicht op uitzetting. Indien dit niet - langer - het geval is, dient de bewaring in beginsel te worden opgeheven. Dit wordt ook periodiek door de rechter getoetst."

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseressen vorderen - zakelijk weergegeven - het volgende:

I gedaagde te gebieden de voorzieningen op de detentieboten te verbeteren door

a. aan de gedetineerden afdoende privacy te bieden;

b. aan de gedetineerden zinvolle arbeid en educatie aan te bieden;

c. aan de gedetineerden goede leefomstandigheden te bieden, onder meer door goede matrassen en schoon serviesgoed ter beschikking te stellen;

d. duidelijkheid en eenduidigheid over de huisregels te bieden, en deze aan alle gedetineerden op een toegankelijke manier in de gangbare talen ter beschikking te stellen;

e. de huisregels eenduidig en zonder willekeur te handhaven;

f. een juridisch loket in te stellen;

g. een commissie van toezicht voor de gedetineerden op voldoende wijze aanwezig en toegankelijk te laten zijn;

h. geluidsisolerende voorzieningen bij de telefoons te plaatsen en de gedetineerden de mogelijkheid te geven in privacy te telefoneren;

i. goede medische voorzieningen te treffen;

j. goede en voldoende beschikbare psychologische en psychosociale zorg te organiseren;

k. vers, goed, voldoende en gevarieerd eten aan te bieden;

l. het assortiment van de winkel uit te breiden met verse producten;

m. meer mogelijkheden tot lichamelijke oefening te creëren;

n. een goede luchtvoorziening op de observatieafdeling te creëren die kan worden aangemerkt als verblijf in de buitenlucht;

o. goede en technisch volledig bruikbare veiligheidsvoorzieningen te bieden en zorg te dragen voor de handhaving en naleving van de instructies dienaangaande;

p. calamiteitenoefeningen minimaal eens per maand te laten plaatsvinden;

q. door deskundigen een onderzoek te laten doen naar de brandveiligheid op de detentieboten en de resultaten daarvan en de te nemen maatregelen bekend te maken;

r. rookvrije kabels te installeren;

s. een uitgebreidere bibliotheek te creëren;

t. de gedetineerden ook in de avonduren de mogelijkheid te geven buiten de cel te verblijven;

u. maatregelen te treffen om te hoge temperaturen en een benauwde atmosfeer te voorkomen;

v. bij het werven van personeel rekening te houden met geschiktheid met betrekking tot de specifieke doelgroep;

II gedaagde te verbieden om vreemdelingen langer dan drie, althans vier, althans zes maanden te detineren op de detentieboten, en gedaagde te gebieden de vreemdelingen na zes maanden verblijf op de detentieboten in vrijheid te stellen, althans over te plaatsen naar een detentie-instelling met een regime waar afdoende privacy alsmede zinvolle arbeid en educatie wordt geboden;

III gedaagde te gebieden binnen twee weken een onderzoek naar de brandveiligheid gedaan te hebben en de resultaten daarvan bekend te maken;

IV gedaagde te verbieden nog langer vreemdelingen op de detentieboten in bewaring te houden wanneer de detentieboten op grond van het onder III genoemde onderzoek niet blijken te voldoen aan de regels dan wel wanneer het onderzoek niet tijdig is afgerond.

2.2. Daartoe voeren eiseressen - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende aan. De verblijfsomstandigheden op de detentieboten zijn dusdanig slecht dat een langer verblijf dan drie, althans vier, althans zes maanden onrechtmatig is. De RSJ heeft in het rapport gesteld dat een langer verblijf bezwaarlijk is. De artikelen 3, 5, 6 en 8 EVRM zijn hierbij in het geding. Ook worden de vreemdelingen verder in hun grondrechten beperkt dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel, hetgeen strijd oplevert met artikel 5.4 Vreemdelingenbesluit. Verder verdraagt de wijze waarop de vreemdelingendetentie op de detentieboten wordt uitgevoerd zich niet met de Penitentiaire beginselenwet, de European Prison Rules, de Country Reports van de CPT en de CPT Standards. Er is voorts sprake van een zorgwekkende toestand met betrekking tot de brandveiligheid op de detentieboten. Gedaagde dient in elk geval de aanbevelingen van het rapport van de ISt en de RSJ over te nemen.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Nu het in deze zaak gaat om het regime op de detentieboten in het algemeen en voor eiseressen geen andere mogelijkheid bestaat om een collectieve actie in te stellen, kunnen eiseressen worden ontvangen in hun vorderingen. Gedaagde heeft hiertegen overigens geen bezwaar gemaakt.

3.2. Het gaat in dit kort geding vooral om twee vragen: ten eerste of gedaagde gehouden is om de verblijfsomstandigheden op de detentieboten in een aantal opzichten te verbeteren (de vorderingen onder I) en ten tweede of de vreemdelingenbewaring op de detentieboten na verloop van tijd onrechtmatig wordt (de vorderingen onder II). In het algemeen wordt vooropgesteld dat voldoende aannemelijk is dat de detentieboten en het daarop gehanteerde regime - afgezien van mogelijke verbeterpunten, ofwel het antwoord op de eerste vraag - voldoen bij een verblijf van korte duur. De verblijfsomstandigheden zijn sober, maar gegeven de gerichtheid op spoedige terugkeer, wel voldoende. Ook de RSJ is deze mening toegedaan.

3.3. Verder wordt er bij de behandeling van de eerste vraag van uitgegaan dat de vreemdelingen voortaan in beginsel niet langer dan zes maanden op de detentieboten verblijven, waarbij wordt vooruitgegrepen op de beantwoording van de tweede vraag (zie onder 3.8 en verder). Dit is van belang omdat de verblijfsduur van invloed is op de eisen die gesteld kunnen worden aan de verblijfsomstandigheden. Hieronder zullen de vorderingen onder I - verdeeld naar het soort verweer - aan de orde komen.

3.4. Met betrekking tot het gevorderde onder I c, d, e, g, h, i, j, l, m, o, p, q en s heeft gedaagde gesteld dat dit weliswaar verbeterpunten zijn, maar dat er in dit kader al afdoende maatregelen zijn getroffen en dat, voor zover van toepassing, de aanbevelingen uit het rapport zijn overgenomen. De voorzieningenrechter overweegt in dit kader het volgende.

(c) De matrassen en het serviesgoed zijn inmiddels vervangen.

(d/e) De huisregels zijn vertaald in het Engels, Frans, Duits, Arabisch, Chinees en Spaans. Volgens gedaagde heeft de directie van de detentieboten de aanbeveling over de handhaving van de huisregels ter harte genomen en maatregelen genomen.

(g) Met betrekking tot de commissie van toezicht heeft gedaagde gesteld dat elke detentieboot thans een weekcommissaris heeft, terwijl in reguliere inrichtingen slechts een maandcommissaris functioneert.

(h) Over de telefoons zijn inmiddels geluidsisolerende kappen geplaatst.

(i/j) Met betrekking tot de medische zorg en psychologische en psychosociale zorg heeft gedaagde gesteld dat er nu, anders dan voorheen, gewerkt wordt met een vast team van huisartsen en de capaciteit van de bijzondere zorgafdeling is verdubbeld. Verder heeft gedaagde gesteld zich actief in te spannen om te voorzien in de vacature van een psycholoog, waartoe al gesprekken zijn gepland.

(l) Met betrekking tot het assortiment in de winkel heeft gedaagde gesteld dat binnenkort een automaat met versproducten wordt geplaatst, waarvoor het contract al is ondertekend.

(m) Gedaagde heeft gesteld dat onderzocht wordt of het mogelijk is om buiten de boten fitnessmogelijkheden te realiseren. Volgens gedaagde loopt daarmee al een proef in Dordrecht en zal bij een positief resultaat uiterlijk op 1 maart 2007 fitnessapparatuur geplaatst worden.

(o/p) Over de veiligheidsvoorzieningen heeft gedaagde opgemerkt dat de detentieboten in dit opzicht voldoende zijn toegerust, maar dat er niettemin inmiddels scherpere aandacht is voor de naleving van de voorschriften. Volgens gedaagde worden eens per maand calamiteitenoefeningen gehouden.

(q) Volgens gedaagde is inmiddels veel aandacht voor de brandveiligheid: sprinklerinstallaties zijn geplaatst of gerepareerd en er zijn zelfdovende afvalbakken geplaatst. Verder is volgens gedaagde op 6 november 2006 door de brandweer en de gemeentelijke toezichthouder een destructief onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten op 1 december 2006 bekend zullen worden.

(s) Gedaagde heeft gesteld dat de bibliotheek inmiddels is uitgebreid met 800 à 1000 boeken en dat er inmiddels diverse buitenlandse kranten beschikbaar zijn.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eiseressen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, ondanks de maatregelen die gedaagde met betrekking tot deze punten heeft genomen, (thans nog) van onrechtmatigheid sprake is. Deze vorderingen komen derhalve niet voor toewijzing in aanmerking. Dat geldt, gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot de vordering onder I q, ook voor de vorderingen onder III en IV.

3.5. Het gevorderde onder I b, k, r, t, u en v dient volgens gedaagde te worden afgewezen omdat hiervoor geen aanleiding bestaat. De voorzieningenrechter overweegt in dit kader het volgende.

(b) Gedaagde heeft erop gewezen dat het beschikbaar stellen van arbeid en educatie op grond van de Pbw niet verplicht is en voorts dat de aard van de vreemdelingendetentie zich hiertegen verzet. Daarbij is van belang dat arbeid en educatie gericht zijn op resocialisatie.

(k) Met betrekking tot de voedselvoorziening heeft gedaagde (onbetwist) gesteld dat op de detentieboten hetzelfde voedsel wordt geleverd als in andere penitentiaire inrichtingen.

(r) Met betrekking tot de pvc-kabels heeft gedaagde (onbetwist) gesteld dat deze voldoen aan de hiervoor geldende regels.

(t) Gedaagde heeft ten aanzien van de tijd die de vreemdelingen buiten hun cel kunnen doorbrengen (onbetwist) gesteld dat deze voldoet aan de regels en in totaal ruimer is dan in andere penitentiaire inrichtingen.

(u) Volgens gedaagde wordt de ventilatie periodiek gemeten door een extern bureau en worden er maatregelen genomen als de waarden niet voldoen aan de eisen. Ook worden bij extreme hitte extra maatregelen genomen. Verder kunnen, anders dan in veel andere inrichtingen, de ramen worden opengezet.

(v) Volgens gedaagde wordt al het personeel voldoende opgeleid en blijkt uit het rapport dat de verstandhouding tussen het personeel en de vreemdelingen goed is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseressen hun stellingen in het licht van dit verweer onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Hierbij is ook van belang dat de verblijfsduur voortaan in beginsel beperkt zal zijn tot zes maanden. Overigens bevat het rapport omtrent deze punten geen aanbevelingen. Deze vorderingen komen derhalve evenmin voor toewijzing in aanmerking.

3.6. Met betrekking tot de vorderingen onder I f en n bevat het rapport weliswaar aanbevelingen, maar gedaagde neemt deze niet over. Volgens gedaagde zijn de rechten van de vreemdelingen ook zonder de instelling van een juridisch loket gewaarborgd. Iedere vreemdeling heeft immers een piketadvocaat toegewezen gekregen, de vreemdelingen worden geïnformeerd over de huisregels en over het bestaan van de commissie van toezicht, en verder is er ook nog contact mogelijk met de terugkeerfunctionaris. Voorts kan volgens gedaagde de luchtruimte van de observatieafdeling, in weerwil van het rapport, worden aangemerkt als een verblijf in de buitenlucht. Ook is het volgens gedaagde onmogelijk om een aparte luchtmogelijkheid te creëren en zijn er geen penitentiaire normen op grond van waarvan gedaagde verplicht zou zijn hierin te voorzien.

Met betrekking tot deze beide punten geldt dat het feit dat in het rapport hierover een aanbeveling is opgenomen, niet zonder meer betekent dat gedaagde onrechtmatig handelt door deze aanbevelingen niet over te nemen. Daarbij is van belang dat gedaagde een zekere beleidsvrijheid heeft. In het licht hiervan en gelet op het gemotiveerde verweer van gedaagde is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagde onrechtmatig handelt. Ook deze vorderingen komen derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

3.7. Tot slot komt ook de vordering onder I a niet voor toewijzing in aanmerking. Weliswaar is privacy op de detentieboten schaars, zoals ook gedaagde erkent, maar gelet op het feit dat de verblijfsduur voortaan in beginsel beperkt zal zijn tot zes maanden, acht de voorzieningenrechter dit niet onrechtmatig.

3.8. De tweede vraag is of de tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring onder dit regime, dat niet onrechtmatig is bij een verblijf van korte duur, na verloop van tijd onrechtmatig wordt. In dit kader kent de voorzieningenrechter een groot gewicht toe aan de opvatting van de RSJ zoals die kan worden afgeleid uit het rapport. De RSJ acht de beperkingen van het regime en de omstandigheden een toenemend bezwaar naar mate de detentieduur toeneemt, waarbij de RSJ kennelijk een maximale verblijfsduur van zes maanden op het oog heeft. De voorzieningenrechter is, in aansluiting hierbij, van oordeel dat gedaagde in beginsel onrechtmatig handelt door vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op de detentieboten. Hierbij wordt met name het gebrek aan ruimte en privacy van belang geacht. Ook speelt mee dat niet kan worden uitgesloten dat vreemdelingen op de detentieboten, die in beginsel dienen mee te werken aan hun terugkeer, langer dan zes maanden op de detentieboten in bewaring worden gehouden zonder dat dit door een gebrek aan medewerking van hun kant wordt veroorzaakt. Het feit dat de detentieboten voldoen aan de minimumeisen van de Penitentiaire beginselenwet maakt het voorgaande niet anders. Op de betreffende vreemdelingendetentie is immers ook artikel 5.4 Vreemdelingenbesluit van toepassing, dat bepaalt dat de vreemdeling niet verder wordt beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel. Op grond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter detentie op de detentieboten gedurende meer dan zes maanden ook in beginsel in strijd met dit artikel.

3.9. Een en ander laat de mogelijkheid dat van onrechtmatigheid in individuele gevallen geen sprake is onverlet. Dat kan zich voordoen indien duidelijk is dat de overschrijding van zes maanden wordt veroorzaakt door een gebrek aan medewerking van de betreffende vreemdeling. Het is aan de Minister van Justitie om ter zake beleid - zonodig regelgeving - te ontwikkelen en in individuele gevallen besluiten te nemen, die de betreffende vreemdeling door de rechter kan laten toetsen. Het bezwaar van gedaagde, dat van het maximeren van de verblijfstermijn in de detentieboten een onjuist signaal uitgaat naar vreemdelingen die weigeren mee te werken aan hun terugkeer, wordt aldus ondervangen.

3.10. Gelet op het voorgaande zal het gedaagde worden verboden om vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op de detentieboten, tenzij ter zake een door een rechterlijke of daaraan gelijk te stellen instantie toetsbaar besluit wordt genomen. Het is aan gedaagde om in geval van overschrijding van deze termijn te beslissen of en zo ja op welke andere plaats de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring wordt voortgezet.

3.11. Aangezien partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld zal worden bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt gedaagde om vreemdelingen langer dan zes maanden in bewaring te houden op (één van) de detentieboten, tenzij ter zake een door een rechterlijke of daaraan gelijk te stellen instantie toetsbaar besluit wordt genomen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 11 december 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

SV