Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3120

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2006
Datum publicatie
28-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/5636 en 05/7243 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder had redelijkerwijs bekend kunnen zijn met het feit dat eiseres de door haar ontvangen alimentatie niet had aangegeven. Geen nieuw feit voor navordering. Echter kwade trouw aanwezig, daar het opzettelijk niet vermelden in de onderwerpelijke aangiften kan worden aangemerkt als het opzettelijk onthouden van de juiste inlichtingen aan verweerder. Geen vertrouwen gewekt door verweerder. Voorwaardelijke opzet is bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 92
FutD 2006-2221

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5636 en 05/7243 IB/PVV

Uitspraakdatum: 23 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000.00.000.0.00]) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 39.170 (€ 17.775) en voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag (aanslagnummer 647.98.537.H.07) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 38.127 (€ 17.301) alsmede bij beschikkingen vergrijpboeten van ƒ 1.668 (€ 757) (1999) en ƒ 1.648 (€ 748) (2000).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 juli 2005, respectievelijk 31 augustus 2005, de navorderingsaanslagen en de boetes gehandhaafd.

1.2. Eiseres heeft daartegen bij brief van 10 augustus 2005, ontvangen bij de rechtbank op 11 augustus 2005, beroep ingesteld.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en - als nadere stukken vóór de zitting - een verweerschrift met bijlagen ingediend bij brief van 31 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op 5 april 2006. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

1.4. Een eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006 te 's-Gravenhage.

Namens verweerder is verschenen mr. drs. J.W. van Wallenburg. Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 17 maart 2006 aan zijn gemachtigde mr. J.C.J. Smallenbroek, [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiseres is, zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank, niet verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften aan partijen zijn verstrekt.

1.5. De voorzitter heeft na dit onderzoek het onderzoek ter zitting heropend.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2006. Namens eiseres is verschenen mr. J.C.J. Smallenbroek. Namens verweerder is verschenen mr. drs. J.W. van Wallenburg

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

1.6. Ter zitting is tevens behandeld het beroepschrift van eiseres met betrekking tot de boetebeschikking over het 2001 (AWB 05/7247). Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in de ene zaak geldt, voor zover van belang, tevens als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Eiseres is in 1998 gescheiden van [ex-echtgenoot] (hierna: [ex-echtgenoot]). Zij beschikt niet over een echtscheidingsconvenant. Zij heeft in de periode 1998 tot en met 2000 (2001 voor zaak 05/7247) van haar ex-echtgenoot de volgende bedragen als alimentatie ontvangen:

1998: € 3.868

1999: € 8.440 (ƒ 18.600)

2000: € 8.440 (ƒ 18.600)

2001: € 8.440

2.2. Eiseres heeft deze inkomsten niet in haar aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over die jaren opgenomen.

2.3. Verweerder heeft de navorderingsaanslagen over het jaar 1999 en 2000 opgelegd nadat aan [ex-echtgenoot] de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998 was opgelegd.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen en de boetes over de jaren 1999 en 2000 terecht zijn opgelegd.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Eiseres heeft gesteld dat haar beroep gegrond moet worden verklaard omdat verweerder eerst na de daartoe door de rechtbank gestelde termijn zijn verweerderschrift heeft ingediend. Ingevolge artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Verweerder heeft het verweerschrift ingediend op 31 maart 2006, ontvangen door de rechtbank op 5 april 2006 en het verweerschrift is op dezelfde datum door de griffier aan de gemachtigde van eiseres toegezonden. De zaak is voor de eerste keer behandeld ter zitting van 25 april 2006. De rechtbank verwerpt deze grief van eiseres, nu zij niet heeft aangevoerd dat zij door de handelwijze van verweerder in haar belang is geschaad en de rechtbank niet is gebleken dat dat het geval is.

4.2. Eiseres heeft voorts betoogd dat verweerder voor het jaar 1999 geen nieuw feit heeft om na te vorderen en dat eiseres voor het jaar 2000 niet te kwader trouw is geweest. Aan [ex-echtgenoot] is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering voor het jaar 1998 opgelegd, voordat aan eiseres de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 werd opgelegd. Derhalve was het verweerder bekend of had het hem redelijkerwijs bekend kunnen zijn dat [ex-echtgenoot] de aan eiseres betaalde alimentatie in aftrek bracht. De rechtbank overweegt dienaangaande dat bij een geïntegreerde wijze van behandeling van aangiften, van een tot het desbetreffende team behorende ambtenaar mag worden verwacht dat hij een teamgenoot in kennis stelt van door hem bij de beoordeling van een aangifte waargenomen opvallende veranderingen, zoals het opvoeren van een aftrekpost voor betaalde alimentatie, indien hij het mogelijke belang van het attenderen van een team-genoot - in verband met het regelen van aanslagen waarmee die teamgenoot is belast - op dat gegeven redelijkerwijs moet inzien. Hieruit volgt dat verweerder niet is vrij te pleiten van een ambtelijk verzuim, nu hij slechts kennis heeft genomen van de gegevens op de aangiften van eiseres. Verweerder had derhalve redelijkerwijs bekend kunnen zijn met het feit dat eiseres de door haar ontvangen alimentatie niet had aangegeven.

4.3. In artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) is bepaald dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering kan opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is, dat wil zeggen indien de belastingplichtige ten aanzien van dat feit de inspecteur de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

4.4. Naar aanleiding van een verzoek om informatie van verweerder heeft de (toenmalige) adviseur van eiseres bij brief van 26 mei 2003 het navolgende geantwoord:

'Namens mijn bovengenoemde cliënte vraag ik in antwoord op uw brief van 25 april 2003. uw aandacht voor het volgende:

In 1998 is cliënte van haar ex-echtgenoot gescheiden. Na de feitelijke scheiding heeft zij zich tot mij gewend met de vraag om haar behulpzaam te zijn met het invullen van de aangifte inkomstenbelasting. Hierbij is de vraag aan de orde geweest of de alimentatie, die zij van haar ex-echtgenoot was gaan ontvangen, in de aangifte vermeld zou moeten worden. Hierbij is overwogen, dat de belastingdienst uitgaat van het standpunt, dat de alimentatiebetaler in diens aangifte kiest: Brengt deze de betaalde alimentatie in aftrek, dan is de alimentatiebij de ontvangster belast, en brengt hij de alimentatie niet in aftrek, dan is de alimentatie bij de ontvangster niet belast (netto-afspraak). Cliënte gaf aan niet te weten, of het hier een zogenaamde bruto-afspraak of een netto-afspraak betrof. In de emotie van het moment (de echtscheiding was in die periode nog zeer recent) kon zij het echtscheidingsconvenant, waaruit e.e.a. zou kunnen blijken, niet produceren. Overigens is zij dit convenant nog steeds kwijt. Omdat cliënte en de ex-echtgenoot in 1998 niet 'on speaking terms' waren, kon ook via de ex-echtgenoot niet gechecked worden, welke afspraak er exact gemaakt was. Op advies van ondergetekende is toen de insteek gekozen, dat de alimentatie niet opgegeven zou worden, en dat de belastingdienst dit vanzelf zou corrigeren wanneer de aangifte van de ex-echtgenoot hiertoe aanleiding zou geven. Er is dus geen sprake geweest van het verzwijgen van alimentatie-inkomsten, maar van het uitgaan van een bepaald handelen van de ex-echtgenoot in diens aangifte, te weten het niet in aftrek brengen van de betaalde partner-alimentatie.

Via uw brief van 17 april 2003 is gebleken, dat de ex-echtgenoot al sinds 1998 jaarlijks de alimentatie in aftrek brengt in zijn aangifte inkomstenbelasting. Het lijdt dus geen twijfel dat deze partneralimentatie bij mijn cliënte belast is. Op grond van het bovenstaande verzoek ik u om bij het opleggen van de navorderingsaanslag(en) rekening te houden met de omstandigheden die in 1998 tot de gekozen weg hebben geleid, en de omstandigheid dat er geen feitelijke mogelijkheden tot overleg tussen de ex-echtgenoten waren. Bovendien verzoek ik u rekening te houden met de omstandigheid, dat de kennis over bruto- dan wel netto-alimentatie bij ondergetekende is en was, en in het geheel niet bij cliënte. Kortom, cliënte heeft zich bij het indienen van de aangifte geheel laten leiden door ondergetekende, zodat haar de omissie feitelijk niet te zeer kan worden aangerekend. Tenslotte verzoek ik u ook rekening te houden met de omstandigheid, dat er relatief lange tijd is verstreken tussen het indienen van de aangifte 1998 en uw brief van 17 april 2003, waardoor cliënte op het spoort werd gezet van de onvolledige aangiften vanaf 1998. Ik verzoek u derhalve om bij het opleggen van de navorderingsaanslag(en) over de jaren 1998 tot en met 2002 geen boete op te leggen.'

4.5. Eiseres heeft bij brief aan verweerder van 27 mei 2003 verklaard dat zij haar adviseur heeft gezegd dat zij niet wist of haar ex-man de betaling van alimentatie aan de belastingdienst opgaf, dat haar adviseur toen heeft beslist dat haar alimentatie-inkomsten niet opgegeven zouden worden en dat hij niet heeft uitgelegd wat de gevolgen van deze actie zouden kunnen zijn.

4.6. Blijkens op vorenstaande verklaringen van eiseres en haar adviseur is tussen hen besproken of de door eiseres ontvangen alimentatie in de onderwerpelijke aangiften moest worden opgenomen. Niet wetende of haar ex-echtgenoot de door hem betaalde bedragen niet in aftrek heeft gebracht moet eiseres naar het oordeel van de rechtbank hebben beseft dat zij daarmee willens en wetens de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans aanvaardde dat te weinig belasting zou worden geheven. Het onjuiste standpunt bij de aangifte is weliswaar ingenomen door de (toenmalige) adviseur van eiseres, doch diens gedragingen dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden toegerekend aan eiseres. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat het opzettelijk niet vermelden van de alimentatie in de onderwerpelijke aangiften kan worden aangemerkt als het opzettelijk onthouden van de juiste inlichtingen aan de inspecteur.

4.7. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres dat met het opleggen van de aanslagen over de jaren 1998 en daarna de aangiften werden gevolgd de indruk is gewekt dat de aangiften in orde waren aldus, dat daarmee door verweerder het vertrouwen is gewekt dat de alimentatie niet behoefde te worden aangegeven. Deze grief faalt, nu het opleggen van de aanslagen conform aangifte niet een gedraging is van verweerder die bij eiseres de indruk kon wekken te berusten op een bewuste standpuntbepaling, waaraan zij in rechte te respecteren vertrouwen mocht ontlenen.

4.8. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stelling dat geen sprake is van kwade trouw omdat zij volledig aan haar informatieplicht heeft voldaan. Dat zij heeft voldaan aan het verzoek om inlichtingen te verstrekken neemt immers niet weg, dat zij bij het doen van aangifte over de onderwerpelijke jaren willens en wetens de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven.

4.9. Aangaande de boetes heeft eiseres aangevoerd dat verweerder er in zijn brief van 25 april 2003 op had moeten wijzen dat eiseres niet tot antwoorden verplicht was en hij eiseres met die brief uit haar tent lokt om een strafrechtelijke sanctie te kunnen opleggen en te onderbouwen. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat aan eiseres niet een zogenoemde cautie is gegeven. Deze grief faalt, aangezien het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering niet geldt voor strafvervolgingen in de vorm van een fiscale boete, en in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet de eis valt te lezen dat een cautie als door eiseres bedoeld moet worden gegeven. Bovendien heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij na de aankondiging van de boetes nog verdere mededelingen heeft gedaan.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene is voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Voorwaardelijk opzet is dus bewezen. De rechtbank acht de boetes van 25% passend bij de ernst van de gedragingen en de omstandigheden van het geval. De stelling van eiseres dat zo er wel sprake is van kwade trouw in de zin van voorwaardelijk opzet, daaraan een einde komt bij het doen van de aangifte vanaf 1999, omdat zij na de aangifte over 1998 niet beter wist en ook niet kon weten faalt, omdat eiseres ook bij het doen van haar aangiften over de jaren vanaf 1999 de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Verweerder heeft alvorens de boetes te verminderen tot op 25% de boetes verminderd met 10% omdat de berechting van de zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft plaatsgevonden. Door de boete eerst te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn en pas daarna passend bij de ernst en de gedragingen en de omstandigheden van het geval, heeft feitelijk geen vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden. De rechtbank vermindert de boetes derhalve ambtshalve alsnog met 10% tot € 681 (1999) en € 673 (2000).

4.11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover het de boetebeschikkingen betreft;

- vermindert de boetebeschikking voor het jaar 1999 met € 76 tot een bedrag van € 681 en die voor het jaar 2000 met € 75 tot een bedrag van € 673;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres in beide zaken betaalde griffierecht van € 37, in totaal € 74, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 23 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier.