Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ3105

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
28-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/2148 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in 1989 via een assurantietussenpersoon een kapitaalverzekering lijfrenteclausule afgesloten met als ingangsdatum 19 december 1989 en einddatum 19 december 2001. De verzekeringsmaatschappij heeft in 2002 aan verweerder bericht dat eiser nog geen beslissing heeft genomen omtrent de aanwending van het op 19 december 2001 vrijgekomen kapitaal. Het vrijgekomen kapitaal is door de verzekeringsmaatschappij op een bankrekening van de assurantietussenpersoon gestort. Verweerder heeft het vrijgekomen kapitaal in 2001 belast. De rechtbank overweegt dat in het arrest van de Hoge Raad van 16 september 1981, nr. 20 729, BNB 1982/15) voor de toepassing van de Wet IB'64 is overwogen dat de begunstigde bij een overeenkomst van levensverzekering, recht gevende op een kapitaalsuitkering die uitsluitend kan worden gebezigd als koopsom voor een lijfrente, bij expiratie van de polis niet in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken, mits de lijfrenteclausule binnen een redelijke termijn ten uitvoer wordt gelegd en dat bij gebreke daarvan voor de heffing van de inkomstenbelasting er van moet worden uitgegaan, dat de lijfrenteclausule niet ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat op enig moment vóór januari 2005 de lijfrenteclausule op enigerlei wijze ten uitvoer is gelegd. Het had op zijn weg gelegen om, bijvoorbeeld door het overleggen van een nieuwe polis of een aanvulling op een bestaande polis, te bewijzen dat, op welk moment en voor welk bedrag een bijstorting heeft plaatsgevonden op een lopende verzekering. Het (nadere) bewijsaanbod dat eiser ter zitting heeft gedaan acht de rechtbank te laat gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde, te meer nu hij ter zitting niet heeft verklaard waarom het bewijs niet eerder had kunnen worden aangebracht. Het voorgaande brengt - gelet op het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad - mee dat de kapitaalsuitkering in de heffing van de inkomstenbelasting moet worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1777
FutD 2006-2213
V-N 2007/41.22

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2148 IB/PVV

Uitspraakdatum: 25 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Y.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [000.00.000.000]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.240 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.749.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 maart 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 30 maart 2005, ontvangen bij de rechtbank op 31 maart 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2005. Namens eiser zijn verschenen mr. R.L. de Vries en H.G. van Gigch. Namens verweerder is verschenen L. van Wissen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1943].

2.2. In 1989 heeft hij via een assurantietussenpersoon een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule bij Nationale Nederlanden N.V. afgesloten, waarvan de ingangsdatum 19 december 1989 was en de einddatum 19 december 2001.

2.3. Bij brief van 27 augustus 2002 heeft Nationale Nederlanden aan verweerder bericht dat eiser nog geen beslissing heeft genomen omtrent de aanwending van het op 19 december 2001 vrijgekomen kapitaal ten bedrage van € 23.491,74. Het vrijgekomen kapitaal is door Nationale Nederlanden op een bankrekening van de assurantietussenpersoon gestort.

2.4. In een brief van 14 februari 2005 schrijft eisers gemachtigde aan verweerder onder meer het volgende:

'Aangezien de feitelijke situatie zo is, dat alle ontvangen gelden teruggestort zijn en aangewend zullen worden voor oudedagsaanvulling op 65-jarige leeftijd verzoek ik u de voorgenomen bijtelling in box 1 achterwege te laten.'

2.5. In een verklaring van 12 oktober 2005 van [naam tussenpersoon], namens de onder 2.3. bedoelde assurantietussenpersoon is onder meer het volgende vermeld:

'Allereerst is toch met name van belang dat de heren [X.] nimmer de beschikking hebben gehad over het bedrag van de betreffende polis. Het is altijd de bedoeling geweest om het bedrag als oudedagsvoorziening te gebruiken en niet op te nemen, hetgeen ook niet gebeurd is.

Verder ben ik van mening dat er geen sprake kan zijn van een afkoop omdat het 'vrijgekomen' bedrag is doorgestort op een op de expiratiedatum, zijnde 19 december 2001, reeds bestaande polis bij een andere verzekeraar. Het is derhalve niet zo dat er pas jaren later een nieuwe polis is opgemaakt.

Het is bekend dat dit binnen redelijke termijn dient plaats te vinden. Echter, wat is redelijk en in hoeverre kan het de heren [X.] in casu worden verweten dat dit al dan niet binnen redelijke termijn is geschied. We spreken hier toch over een bijzondere omstandigheid. De doorstorting op de nieuwe andere polis is een 'spel' geweest tussen de beide verzekeraars, NN en Axa, en de tussenpersoon, de heer [naam tussenpersoon] van Inventief, ofwel ondergetekende. De heren [X.] hebben nimmer geweten en nimmer een rol gespeeld in al deze transacties.'

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of het op 19 december 2001 vrijgekomen kapitaal terecht in de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor dat jaar is betrokken.

3.2. Eiser heeft aangevoerd dat de uitkering nooit op een bankrekening van eiser terecht is gekomen; het kapitaal is op een rekening van de tussenpersoon gebleven, zonder medeweten van eiser. Afgesproken is dat het pas na zijn 65e tot uitkering zal komen in termijnen. De correctie is daarom ten onrechte aangebracht. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat, als het al in zijn inkomen valt, het in ieder geval niet in 2001 in zijn inkomen valt, nu de Hoge Raad zegt dat binnen een redelijke termijn de lijfrenteclausule ten uitvoer moet worden gelegd.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, aangezien de lijfrenteclausule niet ten uitvoer is gelegd binnen een redelijke termijn als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 16 september 1981, nr. 20 729 (BNB 1982/15), het hierboven genoemde kapitaal in 2001 moet worden belast. Hij wijst er daarbij op dat zelfs in januari 2005 dat nog niet was gebeurd. De correctie van het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning met € 23.491 is daarom terecht, aldus verweerder.

3.4. Eiser concludeert - naar de rechtbank begrijpt - tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.749. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel O van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 is op een levensverzekering als deze de regeling van toepassing zoals deze gold op 31 december 2000 ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

4.2. In het hierboven genoemde arrest van 16 september 1981 heeft de Hoge Raad voor de toepassing van laatstgenoemde wet overwogen dat de begunstigde bij een overeenkomst van levensverzekering, recht gevende op een kapitaalsuitkering die uitsluitend kan worden gebezigd als koopsom voor een lijfrente, bij expiratie van de polis niet in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken, mits de lijfrenteclausule binnen een redelijke termijn ten uitvoer wordt gelegd en dat bij gebreke daarvan voor de heffing van de inkomstenbelasting er van moet worden uitgegaan, dat de lijfrenteclausule niet ten uitvoer wordt gelegd.

4.3. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat op enig moment vóór januari 2005 de lijfrenteclausule op enigerlei wijze ten uitvoer is gelegd. Het had op zijn weg gelegen om, bijvoorbeeld door het overleggen van een nieuwe polis of een aanvulling op een bestaande polis, te bewijzen dat, op welk moment en voor welk bedrag een bijstorting heeft plaatsgevonden op een lopende verzekering. De onder 2.5. vermelde, ter zitting overgelegde, verklaring kan niet als een dergelijk bewijs dienen, omdat deze onvoldoende concreet is en voorts in strijd is met wat de gemachtigde van eiser in zijn in 2.4. vermelde brief heeft verklaard. Het (nadere) bewijsaanbod dat eiser ter zitting heeft gedaan acht de rechtbank te laat gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde, te meer nu hij ter zitting niet heeft verklaard waarom het bewijs niet eerder had kunnen worden aangebracht. Het voorgaande brengt - gelet op het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad - mee dat de kapitaalsuitkering in de heffing van de inkomstenbelasting moet worden betrokken.

4.4. De rechtbank verwerpt ook eisers subsidiaire betoog. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat eiser de lijfrentetermijn niet binnen redelijke termijn tot uitvoering heeft gebracht moet het er voor worden gehouden dat de kapitaalsuitkering in 2001 vorderbaar en inbaar is geworden en derhalve door eiser is genoten. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat, indien eiser daarom zou hebben verzocht, het kapitaal direct na de expiratie op 19 december 2002 aan hem zou zijn uitgekeerd. Eiser heeft ter zitting weliswaar gesteld dat hij, gelet op de expiratiedatum de uitkering vermoedelijk pas in januari 2002 zou hebben kunnen ontvangen, maar de rechtbank acht dat zo het al rechtens relevant zou zijn niet aannemelijk. Voorts leidt de rechtbank uit de jurisprudentie waarop eiser zich beroept - te weten de uitspraken van de Hoge Raad van 22 november 2000, nr. 35 313, BNB 2001/190, en van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 maart 2005, nr. 03/3286, VN 2005/37.10 - niet af dat de kapitaaluitkering pas genoten wordt na afloop van een redelijke termijn om de keuze te maken de lijfrenteclausule al dan niet tot uitvoering te brengen. Het woord 'mits' dat de Hoge Raad bezigt in de zinsnede 'mits de lijfrenteclausule binnen een redelijke termijn ten uitvoer wordt gelegd' in zijn arrest van 16 september 1981 wijst er ook op dat dit een voorwaarde is. Nu niet aan die voorwaarde is voldaan, geldt als hoofdregel dat het kapitaal bij expiratie van de verzekering in het inkomen valt.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. D.A. Verburg, mr. J.P.F. Slijpen en mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.