Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2718

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
27-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/1408 en 06/7013 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht

(ernstig) plichtsverzuim

Disciplinaire bestraffing van berisping wegens vastgesteld plichtsverzuim terecht opgelegd;

Terechte inhouding bezoldiging wegens te laat/niet op werk verschijnen;

Niet-toekennen periodieke salarisverhoging niet redelijk (beroep gegrond);

vastgestelde beoordeling komt te vervallen

De Rechtbank is van oordeel dat eiseres zich heeft schuldig gemaakt aan toerekenbaar plichtsverzuim: voorwaardelijk strafontslag is niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim;

verweerder is bevoegd tot tenuitvoerlegging van strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nrs. AWB 06/1408 en 06/7013 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

UITSPRAAK IN HET GEDING TUSSEN

[eiseres], wonende te 's-Gravenhage,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van Den Haag, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiseres heeft bij brieven van 16 februari 2006 (06/1408) en 17 augustus 2006 (06/7013) beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van respectievelijk 6 januari 2006 en 11 juli 2006.

2. De rechtbank heeft bij brief van 3 oktober 2006 met toepassing van artikel 8:52 van de Awb bepaald dat het beroep met procedurenummer 06/7013 versneld behandeld zal worden.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in beide beroepen een verweerschrift ingediend.

4. Eiseres heeft bij brieven van 13 oktober 2006 en 16 oktober 2006 nog aanvullende stukken ingezonden.

5. De openbare behandeling van de bovengenoemde beroepen heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2006. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. J. van Overdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. O.M. Langemeijer en ir. G.M.J. Loeffen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank bij haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiseres is sinds 1 maart 1997 in dienst bij de gemeente Den Haag, laatstelijk in de functie van Hoofd Vergunningen bij Stadsdeel Centrum van de Dienst Stadsbeheer (hierna: de Dienst).

1.2 Nadat eiseres met ingang van 1 maart 2004 uit haar functie was ontheven wegens disfunctioneren en daar achteraf onvoldoende feitelijke grondslag voor aanwezig bleek te zijn, is zij - na daarmee ingestemd te hebben - per 1 maart 2005 op deze functie teruggeplaatst. Eiseres heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3 Bij brief van 2 mei 2005 heeft verweerder aan eiseres voorgesteld haar in een andere functie te plaatsen, omdat zij er blijk van heeft gegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in de samenwerking tussen haar en haar leidinggevenden.

1.4 Eiseres heeft dit voorstel bij brief van 31 mei 2005 van de hand gewezen.

1.5 De Dienst heeft in eerste instantie op 29 juni 2005 en vervolgens op 19 juli 2005 een functioneringsgesprek met eiseres gepland. Op beide afspraken is zij niet verschenen.

1.6 Bij besluit van 1 augustus 2005 (hierna: besluit 1) heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt dat aan haar de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping wordt opgelegd, omdat zij niet is verschenen op het functioneringsgesprek van 19 juli 2005.

1.7 Bij besluit van 7 september 2005 (hierna: besluit 2) heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij enerzijds disciplinair bestraft wordt met het inhouden van vijf uren vakantieverlof wegens een foutieve ziekmelding op 31 juli 2005 en het niet tijdig beginnen met de werkzaamheden op 22 juli 2005 en anderzijds loon wordt ingehouden wegens de tien ten onrechte niet gewerkte uren op 22 juli 2005 en 2 augustus 2005.

1.8 Tegen de onder punt 1.6 en 1.7 opgenomen besluiten heeft eiseres achtereenvolgens bij brieven van 3 augustus 2005 en 3 oktober 2005 bezwaar gemaakt. Deze bezwaren zijn voor advies voorgelegd aan de Algemene bezwarencommissie personeelsbesluiten (hierna: de Commissie). De Commissie heeft eiseres omtrent haar bezwaren gehoord.

1.9 Bij brief van 7 september 2005 heeft verweerder zijn voorstel om te zoeken naar een andere passende functie voor eiseres herhaald.

1.10 Dit voorstel is bij brief van 3 oktober 2005 wederom door eiseres van de hand gewezen.

1.11 Bij besluit van 3 november 2005 (hierna: besluit 3) heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij disciplinair wordt bestraft met inhouding van twee dagen verlof wegens het beledigen van haar leidinggevende.

1.12 Op 28 december 2005 (hierna: besluit 4) heeft verweerder de beoordeling van eiseres over het tijdvak 1 maart 2005 tot 1 december 2005 vastgesteld.

1.13 Bij besluit van 3 januari 2006 (hierna: besluit 5) heeft verweerder aan eiseres de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag, met een proeftijd van twee jaar, opgelegd wegens onrechtmatige afwezigheid, het zich niet houden aan de werktijden, het maken van beledigende opmerkingen richting haar leidinggevende en het gebrek aan communicatie met deze. Daarbij is bepaald dat in het geval eiseres binnen deze periode van 2 jaar nogmaals enig plichtsverzuim begaat, onvoorwaardelijk strafontslag volgt.

1.14 Bij besluit van 5 januari 2006 (hierna: besluit 6) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat gelet op de onvoldoende beoordeling haar per 1 maart 2006 geen periodieke verhoging wordt toegekend.

1.15 Overeenkomstig het advies van de Commissie, is bij besluit van 6 januari 2006 het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Eveneens overeenkomstig het advies van de Commissie is bij dit besluit het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard voor wat betreft de opgelegde disciplinaire straf en voor het overige ongegrond verklaard, met dien verstande dat slechts zes uur loon zal worden ingehouden nu eiseres op 2 augustus 2005 vier uren arbeidsongeschikt was gemeld.

1.16 Bij besluit van 16 februari 2006 (hierna: besluit 7) heeft verweerder eiseres met ingang van 17 februari 2006 strafontslag verleend wegens haar onrechtmatige afwezigheid op 24 januari 2006, de foutieve ziekmelding op 25 januari 2006 en haar beledigend gedrag richting haar leidinggevende. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat het salaris van eiseres wordt ingehouden over de periode van 24 januari 2006 tot 2 februari 2006.

1.17 Tegen de onder punt 1.11, 1.12, 1.13, 1.14 en 1.16 opgenomen besluiten heeft eiseres achtereenvolgens bij brieven van 9 december 2005, 6 februari 2006 en 2 maart 2006 bezwaar gemaakt. Deze bezwaren zijn voor advies voorgelegd aan de Commissie.

1.18 De Commissie heeft alvorens haar advies uit te brengen, aan Leeuwendaal Adviesbureau te Rijswijk de opdracht verstrekt tot het verrichten van een feitenonderzoek. Voorts heeft zij eiseres omtrent haar bezwaren en naar aanleiding van het Rapport van Leeuwendaal Adviesbureau gehoord.

1.19 Overeenkomstig het advies van de Commissie zijn bij besluit van 11 juli 2006 de bezwaren van eiseres tegen besluiten 3 tot en met 7 ongegrond verklaard.

2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar het dossier.

3.1 In artikel 3.1 van Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (hierna: ARG) is bepaald dat met inachtneming van artikel 1:2:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (hierna: ARG) aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging wordt toegekend.

3.2 Ingevolge artikel 3:1:1, vierde lid, van de ARG wordt over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.

3.3 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.1 van de ARG is door verweerder de Beloningsregeling gemeente Den Haag (hierna: de Regeling) vastgesteld.

3.4 Ingevolge artikel 2:7, tweede lid, van de Regeling wordt het salaris van de ambtenaar die voldoende functioneert, binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag.

3.5 Artikel 2:9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat, indien een ambtenaar blijkens een formele beoordeling onvoldoende functioneert, kan worden bepaald dat de hem op grond van artikel 2:7 toekomende salarisverhoging achterwege blijft.

3.6 Krachtens het bepaalde in artikel 15:1:1 van de ARG is de ambtenaar gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

3.7 Ingevolge artikel 15:1:15, eerste lid, van de ARG kan het college bepalen, dat met inachtneming van door het college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.

3.8 Ter uitvoering van artikel 15:1:15, eerste lid, van de ARG heeft verweerder de Beoordelingsregeling 1984 vastgesteld.

3.9 Artikel 16:1:1, eerste lid, van de ARG bepaalt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair kan worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid van artikel 16:1:1 omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

3.10 Artikel 16:1:2, eerste lid, van de ARG regelt welke disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd. Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen onder meer de disciplinaire straffen van een schriftelijke berisping en vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft, worden opgelegd. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

3.11 Ingevolge artikel 8:13 van de ARG kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag worden verleend.

4.1 Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling, overweegt de rechtbank het volgende. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de stukken die eiseres bij brieven van 13 en 16 oktober 2006 heeft overgelegd te laat zijn ingediend. In dat kader heeft verweerder verzocht deze stukken niet bij de rechterlijke beoordeling te betrekken. Gelet op de versnelde behandeling van het beroep met procedurenummer 06/7013 en de aard van de stukken, die grotendeels in de organisatie van verweerder bekend verondersteld mogen worden, is er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om af te wijken van de tien dagen termijn en de stukken toe te laten.

Besluit van 6 januari 2006

Besluit 1 (disciplinaire bestraffing van berisping)

5.1 Volgens vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim terzake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake moet zijn van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

5.2 Vaststaat dat eiseres niet aan de oproep van verweerder van 18 juli 2005 gehoor heeft gegeven om op 19 juli 2005 een functioneringsgesprek bij te wonen. Nu van deze oproep niet gezegd kan worden dat deze dermate onredelijk was dat eiseres daaraan zonder meer niet behoefde te voldoen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres door haar weigering aan deze oproep gevolg te geven zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen. Daarbij heeft de rechtbank laten meewegen dat eiseres eerder heeft verzuimd te verschijnen op een functioneringgesprek en er voorts bij brieven van 30 juni 2005 en 18 juli 2005 nadrukkelijk op was gewezen dat het wederom niet verschijnen als plichtsverzuim zou worden aangemerkt.

5.3 De rechtbank heeft geen aanleiding het geconstateerde plichtsverzuim niet toerekenbaar te achten. De door eiseres naar voren gebrachte argumenten dat zij in het kader van een gedegen voorbereiding voorafgaand aan het functioneringsgesprek overleg wilde met haar raadsman dan wel dat zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, kunnen niet een dusdanig gewicht in de schaal leggen dat dit heeft te leiden tot het niet toerekenbaar achten van het plichtsverzuim. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres ruim de tijd heeft gehad zich voor te bereiden op het gesprek. Aan de stelling van eiseres dat haar handelwijze bezien moet worden in het licht van de conflictsituatie tussen haar en haar leidinggevenden, kan eveneens niet die betekenis worden gehecht die eiseres daaraan verleend wil zien. Eiseres stonden ook andere wegen ter beschikking om haar standpunt omtrent het aangekondigde functioneringsgesprek in relatie tot de verstoorde verhoudingen kenbaar te maken. Verweerder heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht eiseres met betrekking tot het hiervoor vastgestelde plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.

5.4. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de aan eiseres opgelegde (lichtste) straf van een schriftelijke berisping onevenredig is aan het door haar gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank merkt daarbij op dat ze het op zichzelf al afkeurenswaardig acht indien een ambtenaar zonder geldige reden geen gehoor geeft aan uitnodigingen als door verweerder aan eiseres gedaan, doch dat zodanig gedrag haar onaanvaardbaar voorkomt indien het gaat om een uitnodiging die door de verwijzing naar mogelijke bestraffing bij geen gehoor geven in zekere zin tot dienstopdracht is verheven. Hieraan kan niet afdoen dat eiseres een zeer gespannen verhouding had met haar leidinggevenden, die niet uitsluitend aan haar toegeschreven kan worden.

Besluit 2 (inhouding bezoldiging)

6.1 Onder verwijzing naar hetgeen bepaald is in artikel 3:1:1, vierde lid, van de ARG, staat de vraag centraal of eiseres in strijd met haar verplichting opzettelijk heeft nagelaten haar betrekking te vervullen.

6.2 De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Op grond van de gedingstukken staat vast dat eiseres op

22 juli 2005 zonder daartoe toestemming te zijn verleend twee uur te laat op haar werk is verschenen. De stelling van eiseres dat zij thuis heeft gewerkt, kan geen gewicht in de schaal leggen. Daarvoor was immers geen toestemming verleend. Daarbij komt nog dat eiseres er al eerder op was gewezen dat ze haar leidinggevende tijdig diende te melden als ze later op het werk zou verschijnen. Voorts is onweersproken dat eiseres op 2 augustus 2005 zonder geldige reden en voorafgaande melding niet is verschenen op haar werk en zodoende een halve dag heeft verzuimd. Dit klemt in het bijzonder omdat eiseres meerdere malen is voorgehouden dat verlof in overleg opgenomen dient te worden en dat zonder taal of teken wegblijven hoog opgenomen wordt.

6.3 Gelet op het voorgaande dient de onder 6.1 opgenomen vraag bevestigend beantwoord te worden. Verweerder is er dan ook terecht toe overgegaan de bezoldiging van eiseres in te houden over de zes uren dat zij opzettelijk heeft nagelaten haar betrekking te vervullen.

Conclusie

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseres tegen het besluit van 6 januari 2006 ongegrond dient te worden verklaard.

Besluit van 11 juli 2006

Besluit 3 (disciplinaire bestraffing van inhouding van 2 verlofdagen)

8.1 Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder

punt 5.1, zal de rechtbank eerst vaststellen of eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim terzake waarvan verweerder haar de straf van inhouding van twee dagen verlof heeft opgelegd.

8.2 Vaststaat dat eiseres bij mailbericht van 14 oktober 2005 de volgende vraag aan haar direct leidinggevende heeft voorgelegd: “Wat zit er in mij dat het gedrag van ernstige intimidatie, sabotage en zwartmakerij in jou oproept?”. Nog afgezien van het gegeven dat eiseres haar aantijgingen niet nader heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat de gebezigde bewoordingen als laatdunkend, respectloos en grievend zijn te kenschetsen. Door zich in deze bewoordingen tegen haar direct leidinggevende te keren, heeft eiseres zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt en bepaaldelijk de grenzen van het toelaatbare overschreden. Dat sprake was van een verstoorde verhouding met haar direct leidinggevende kan daaraan niet afdoen. Temeer nu eiseres niet in een opwelling heeft gehandeld doch welbewust haar bewoordingen heeft gekozen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aan eiseres verweten gedraging kan worden gekwalificeerd als plichtsverzuim. De rechtbank heeft daarbij mee laten wegen dat eiseres reeds meerdere malen was gewaarschuwd dat dergelijke uitlatingen onacceptabel zijn. Verder heeft de rechtbank gewicht toegekend aan de brief van de algemeen directeur van de Dienst Stadsbeheer van 5 augustus 2005, waarin eiseres wordt meegegeven dat mocht zij dergelijke uitlatingen in de toekomst bezigen dit consequenties zal hebben.

8.3 De rechtbank heeft geen aanleiding het geconstateerde plichtsverzuim niet toerekenbaar te achten. Aan de stelling van eiseres dat haar handelwijze bezien moet worden in het licht van de conflictsituatie tussen haar en haar direct leidinggevende en de dientengevolge ontstane psychische druk, kan niet die betekenis worden gehecht die eiseres daaraan verleend wil zien. De rechtbank is niet gebleken dat ten tijde van de verweten gedraging de gemoedstoestand van eiseres van dien aard was dat zij de ontoelaatbaarheid van haar gedragingen niet heeft kunnen onderkennen. Daarbij komt nog, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat eiseres niet in een opwelling heeft gehandeld, doch welbewust haar bewoordingen heeft gekozen. Verweerder heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht eiseres met betrekking tot het hiervoor vastgestelde plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.

8.4 De rechtbank is voorts van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de aan eiseres opgelegde straf van inhouding van twee dagen verlof onevenredig is aan het door haar gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank heeft daarbij mee laten wegen dat eiseres reeds meerdere malen was gewaarschuwd, laatstelijk nog bij brief van 5 augustus 2005, dat de uitlatingen zoals door haar gedaan onacceptabel zijn en bij herhaling consequenties zouden hebben. Dat eiseres een zeer gespannen verhouding had met haar leidinggevenden en in het bijzonder met haar direct leidinggevende, die niet uitsluitend aan haar toegeschreven kan worden, kan aan het voorgaande niet afdoen. Uit het dossier komt nadrukkelijk het beeld naar voren dat eiseres doelbewust uit is geweest op verdere escalatie van de verhoudingen en niet van plan was zich meer terughoudend op te stellen.

Besluit 4 (beoordeling) en besluit 6 (achterwege laten van periodieke verhoging)

9.1 Centraal staat de vraag of verweerder van beoordeling van eiseres had moeten afzien. Het is vaste jurisprudentie dat in het algemeen een beoordeling slechts dan achterwege moet blijven, indien moet worden gezegd, dat op grond van bijzondere omstandigheden niet op verantwoorde wijze een objectief oordeel kan worden gevormd over het functioneren van de beoordeelde in een bepaalde periode. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke bijzondere omstandigheid aanwezig is. Uit de stukken komt duidelijk het beeld naar voren dat sinds de terugkeer van eiseres in haar functie van Hoofd Vergunningen gaandeweg de verhoudingen verslechterd zijn. Eiseres bleek niet in staat om de - naderhand onrechtmatig gebleken - ontheffing uit haar functie per 1 maart 2004 achter zich te laten en heeft zich daardoor in haar houding en gedrag laten leiden. Eiseres lijkt bewust voor een strategie van confrontatie en escalatie gekozen te hebben. Alhoewel de eerste en tweede beoordelaar van hun kant hebben geprobeerd de terugkeer van eiseres in goede banen te leiden en in verschillende stadia hebben geprobeerd middels een minnelijke regeling tot een oplossing met eiseres te komen, kan ook hun enig aandeel in de ontstane situatie niet ontzegd worden. Ook de eerste en tweede beoordelaar hebben niet altijd adequaat gehandeld. Duidelijk naar voren komt dat lopende het jaar 2005 de bedorven verhouding door zowel eiseres als de eerste en tweede beoordelaar als vrij emotioneel werd beleefd. De rechtbank is op grond van deze gegevens tot de conclusie gekomen dat de eerste en tweede beoordelaar eind 2005 niet meer in staat hadden mogen worden geacht - geheel daargelaten of de beoordeling inhoudelijk juist was - met voldoende mate van objectiviteit over eiseres een beoordeling uit te brengen. De algemeen directeur Stadsbeheer, die overigens ook zijdelings bij het probleem betrokken was en volledig op de hoogte was van de gespannen situatie, heeft namens verweerder dan ook in redelijkheid niet kunnen overgaan tot het vaststellen van de gewraakte beoordeling.

9.2 Om deze reden kan het bestreden besluit van 11 juli 2006 voor zover het betrekking heeft op de bij besluit van 28 december 2005 vastgestelde beoordeling niet in stand blijven. De rechtbank ziet eveneens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat de onderhavige beoordeling komt te vervallen.

9.3 Aangezien de beoordeling in rechte geen stand kan houden en de beoordeling de basis heeft gevormd voor verweerders besluit om de periodieke salarisverhoging niet aan eiseres toe te kennen, kan het bestreden besluit van 11 juli 2006 op dat punt evenmin in stand blijven. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 5 januari 2006 te herroepen, nu in bezwaar rechtens nog maar één beslissing mogelijk is.

Besluit 5 (voorwaardelijk ontslag)

10.1 Verweerder heeft aan het in geding zijnde voorwaardelijk strafontslag, met een proeftijd van twee jaar, ten grondslag gelegd dat eiseres onrechtmatig afwezig is geweest op 18 november 2005 door rond 14.00 uur te vertrekken terwijl zij tot 16.00 uur had dienen te werken. De rechtbank is van oordeel dat dit feit voldoende vast staat. Zij acht het verhaal van eiseres dat zij wegens problemen met een steigerdoekreclame het pand met spoed moest verlaten, niet aannemelijk. Eerder die dag was zij immers reeds ter plekke geweest om de situatie te beoordelen en aan de hand daarvan waren nadere afspraken met de betrokken ondernemer gemaakt. In de agenda van eiseres waren dienaangaande ook geen opmerkingen gemaakt en ook overigens heeft zij zich niet afgemeld bij de op dat moment verantwoordelijke leidinggevende. Verder heeft verweerder eiseres verweten dat zij op 4, 10 en 18 oktober 2005, alsmede op 8, 15 en 17 november 2005 te laat op haar werk is verschenen. De rechtbank is van oordeel dat ook dit feit voldoende aannemelijk is gemaakt door verweerder. De stelling van eiseres dat de verklaring van haar direct leidinggevende, [naam leidinggevende], niet betrouwbaar is gelet op de tussen hen bestaande verstoorde relatie, wordt niet gevolgd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten die de juistheid van die stelling kunnen onderstrepen. Voorts heeft de rechtbank mee laten wegen dat eiseres bij mailbericht van 21 november 2005 op het niet tijdig op het werk verschijnen op die data is gewezen en in de gelegenheid is gesteld daarvoor een verklaring te geven. Eiseres is op dat verzoek niet ingegaan. Tot slot heeft verweerder aan het voorwaardelijk ontslag ten grondslag gelegd dat eiseres wederom een beledigende opmerking naar haar direct leidinggevende heeft gemaakt die als volgt luidt: “Neem jij jezelf nog echt serieus? Nou ik kan dat in elk geval niet”. Eiseres heeft die uitlating niet bestreden.

10.2 De rechtbank overweegt dat eiseres zich met de onder 10.1 weergegeven gedragingen niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen. Ten aanzien van de werktijden zijn bij meerdere gelegenheden concrete afspraken gemaakt. Tijdens het functioneringsgesprek op 21 en 22 juli 2005 is duidelijk met eiseres afgesproken dat zij zich aan de af te spreken werktijden dient te houden. In de daaropvolgende werkbespreking van 29 juli 2005 is dit punt nogmaals aangestipt. En in de memo van 4 augustus 2005 zijn de werktijden formeel vastgelegd: eiseres zou gaan werken van 7.30 uur tot 12.00 uur en van 12.30 uur tot in eerste instantie 15.00 uur, en na volledig herstel tot 16.00 uur. Op 18 november 2005 was eiseres volledig arbeidsgeschikt en had derhalve tot 16.00 uur dienen te werken. Door zonder taal of teken rond 14.00 uur te vertrekken heeft eiseres zich niet aan de afgesproken werktijden gehouden en daarmee haar plicht verzaakt. Dit klemt temeer nu met eiseres in het eerdergenoemde functioneringsgesprek was afgesproken dat zij haar eigen agenda dient in te vullen met afspraken en indien er geen afspraken zijn genoteerd zij bereikbaar wordt geacht te zijn.

Ook op de overige zes onder 10.1 genoemde dagen heeft eiseres zich niet aan de evengenoemde werktijden gehouden door na de afgesproken tijd op het werk te verschijnen. Daarmee heeft eiseres zich niet aan de haar opgelegde verplichtingen gehouden.

Met betrekking tot de door eiseres gemaakte opmerking richting haar direct leidinggevende overweegt de rechtbank tot slot dat de gebezigde bewoordingen als laatdunkend en respectloos zijn te kenschetsen. Door zich wederom in ongepaste bewoordingen tegen haar direct leidinggevende te keren, heeft eiseres ook dit keer weer de grenzen van het toelaatbare overschreden. Dit klemt temeer nu eiseres als een gewaarschuwd mens gold. Meerdere malen is zij mondeling en schriftelijk op de onbetamelijkheid van haar gedrag gewezen. Daarnaast is zij voor dergelijk gedrag reeds eerder disciplinair bestraft. De rechtbank wijst op haar overwegingen onder besluit 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich, gelet op het vorenstaande, schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

10.3 De rechtbank heeft geen aanleiding het geconstateerde plichtsverzuim niet toerekenbaar te achten. Aan de stelling van eiseres dat haar handelwijze bezien moet worden in het licht van de conflictsituatie tussen haar en haar direct leidinggevende en de dientengevolge ontstane psychische druk, kan wederom niet die betekenis worden gehecht die eiseres daaraan verleend wil zien. De rechtbank is niet gebleken dat ten tijde van de verweten gedraging de gemoedstoestand van eiseres van dien aard was dat zij de ontoelaatbaarheid van haar gedragingen niet heeft kunnen onderkennen.

10.4 Dit betekent dat nu nog ter beoordeling staat of sprake is van onevenredigheid tussen het aan eiseres opgelegde voorwaardelijk strafontslag en het jegens haar vastgesteld plichtsverzuim. Gelet op de aard en ernst van de aan eiseres verweten gedragingen in onderlinge samenhang bezien, en in het bijzonder het recidive karakter daarvan, is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen tezamen ernstig plichtsverzuim opleveren. De rechter acht de straf van voorwaardelijk strafontslag dan ook niet onevenredig aan de ernst van het door eiseres gepleegde plichtsverzuim. Zoals reeds onder punt 8.4 werd overwogen kan het gegeven dat eiseres een zeer gespannen verhouding had met haar leidinggevenden en in het bijzonder met haar direct leidinggevende, die niet uitsluitend aan haar toegeschreven kan worden, aan het voorgaande niet afdoen. Eiseres is bewust in een patroon vervallen van weloverwogen provoceren en negeren van bij haar bekend zijnde regels. De rechtbank leidt dit mede af uit de meermaals door eiseres gedane uitlating dat zij zich bewust is van de dreiging van ontslag en een uiteindelijk ontslag op de koop toe neemt.

Besluit 7

Het ten uitvoer leggen van het strafontslag

11.1 Gelet op het voorgaande dient de rechtbank thans te beoordelen of verweerders besluit om uitvoering te geven aan het eerder genomen ontslagbesluit de toetsing van de rechtbank kan doorstaan. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (laatstelijk CRvB d.d. 13 april 2006, TAR 2006, 132) merkt de rechtbank daarbij op dat naast de beoordeling of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt geen plaats is voor een onevenredigheidstoets. Ter beoordeling staat dan ook slechts of eiseres zich binnen de gestelde termijn van twee jaar wederom schuldig heeft gemaakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor het voorwaardelijk strafontslag was opgelegd.

11.2 Eiseres is allereerst verweten dat zij onrechtmatig afwezig was op 24 januari 2006, na 10.00 uur, en zich foutief heeft ziek gemeld op 25 januari 2006. De rechtbank overweegt dienaangaande dat door eiseres niet wordt bestreden dat zij zich op 24 januari 2006 niet zelf heeft ziek gemeld, doch heeft gemeend dit over te kunnen laten aan de bedrijfsarts, en op 25 januari 2006 bij een andere persoon dan haar direct leidinggevende de ziekmelding heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat van eiseres inmiddels verwacht mocht worden dat zij zeer goed op de hoogte was van de regels omtrent ziekmeldingen. Met name ook van de regel dat zij de ziekmelding rechtstreeks bij haar direct leidinggevende diende te doen. Nog afgezien van het feit dat de Dienst geen ziekmelding van de bedrijfsarts heeft ontvangen, is voor een bedrijfsarts daarin geen taak weggelegd. Eiseres is de laatste maanden voor haar ontslag meerdere malen, laatstelijk nog bij mailbericht van 6 januari 2006, op de regels omtrent ziekmelding en verlofaanvragen gewezen. Dat eiseres desondanks persisteerde in haar onjuiste gedrag rekent de rechtbank haar zwaar aan. Temeer nu zij reeds vele malen was gewezen op de mogelijke rechtspositionele consequenties van haar gedrag.

Daarnaast is eiseres verweten dat zij na het uiten van het voornemen van voorwaardelijk ontslag wederom meerdere malen beledigend gedrag richting haar leidinggevenden heeft vertoond. Een bloemlezing daarvan heeft verweerder als bijlage bij zijn voornemen tot effectuering van het voorwaardelijk strafontslag opgenomen.

11.3 Eiseres heeft zich door de onder punt 11.2 genoemde gedragingen schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zodat verweerder, gelet op het feit dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan voor de tenuitvoerlegging van het besluit van 3 januari 2006 (besluit 5) relevant plichtsverzuim, bevoegd was tot deze tenuitvoerlegging. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zij heeft daarbij laten meewegen dat verweerder eiseres nog in de gelegenheid heeft gesteld op kosten van de gemeente Den Haag een expertise te ondergaan naar haar toerekeningsvatbaarheid in relatie met het haar verweten plichtsverzuim. Eiseres heeft een dergelijk onderzoek evenwel van de hand gewezen.

De inhouding van het salaris

12.1 De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 16 februari 2006 zich enkel richtten op het ten uitvoer gelegde strafontslag. Gelet daarop zijn in de beslissing op bezwaar van 11 juli 2006 aan de inhouding van het salaris over de periode van 24 januari 2006 tot

2 februari 2006 verder geen overwegingen meer gewijd en kan deze beslissing dan ook niet geacht worden daar nog over te gaan. Voor zover de gronden van beroep betrekking hebben op deze inhouding van het salaris, vallen deze bijgevolg buiten de grenzen van het onderhavige geding en zal de rechtbank daar thans niet meer op ingaan.

Conclusie

13. Gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder punt 9.2 en punt 9.3 zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 11 juli 2006 voor zover daarbij de beoordeling en het niet-toekennen van een periodieke salarisverhoging zijn gehandhaafd, gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. Voor het overige wordt het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 11 juli 2006 ongegrond verklaard.

14. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van beroepsprocedure 06/7013 AW gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, te weten € 322,-- voor het beroepschrift en € 322,-- voor het verschijnen ter zitting bij zaken van gemiddeld gewicht.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep tegen het besluit van 6 januari 2006 ongegrond;

verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bij het besluit van 11 juli 2006 gehandhaafde beoordeling van 28 december 2005 gegrond;

verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bij het besluit van 11 juli 2006 gehandhaafde niet-toekenning van de periodieke salarisverhoging gegrond;

vernietigt het besluit van 11 juli 2006 in zoverre;

bepaalt dat de op 28 december 2005 vastgestelde beoordeling komt te vervallen;

herroept het besluit van 5 januari 2006;

verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 11 juli 2006 voor het overige ongegrond;

bepaalt dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan eiseres het door haar betaalde griffierecht in procedure 06/7013 AW, te weten € 141,--, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiseres dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. C.C. de Rijke-Maas en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2006, in tegenwoordigheid van mr. A.P.J. Heesen, griffier.