Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2646

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
21-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/9024 WOW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB1308, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen de tot Aldi gerichte weigering tot vrijstelling en bouwvergunning / handhavingsbesluit. Uitleg bestemmingsplan / betekenis van de in de Lijst van maatbstemde bedrijven aangegeven maatbestemming op de in geding zijnde percelen in Alphen aan den Rijn.

Rechtbank concludeert dat bouwplan niet voldoet aan het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/9024 WOW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

1. Aldi Zaandam B.V./Aldi Vastgoed B.V., gevestigd te Zaandam respectievelijk Culemborg,

2. [X. beheer] B.V., gevestigd te [plaats A.], eiseressen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Op 25 februari 2005 hebben eiseressen een aanvraag ingediend voor gebruiksvergunningen ten behoeve van het in gebruik nemen van een bestaand bedrijfspand op de percelen Eikenlaan 227A/229 te Alphen aan den Rijn als een supermarkt (een zogenoemde Aldi-markt). De aanvragen hebben betrekking op de bestaande bebouwing respectievelijk de situatie na uitvoering van een verbouwplan.

Op 1 maart 2005 hebben eiseressen sub 1 (hierna aan te duiden als Aldi) een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ingediend voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van genoemd bedrijfspand ten behoeve van algemene detailhandel en parkeren. Het bebouwde oppervlak zal met circa 80 m2 verminderen.

Verweerder heeft aan Aldi bevestigd de aanvraag om bouwvergunning op 2 maart 2005 te hebben ontvangen.

Bij brief van 17 juni 2005 heeft Aldi een bezwaarschrift ingediend tegen de fictieve weigering tot het verlenen van vrijstelling van de relevante bestemmingsplanvoorschriften.

Bij brief van 30 juni 2005 hebben eiseressen een bezwaarschrift ingediend tegen de fictieve weigering tot afgifte van een gebruiksvergunning.

Verweerder heeft de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van de relevante bestemmingsplanvoorschriften.

Bij besluit van 1 juli 2005 heeft verweerder geweigerd Aldi vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vernieuwen en veranderen van eerdergenoemd pand.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft verweerder Aldi aangezegd genoemd pand niet als supermarkt in gebruik te nemen en niet voor publiek open te stellen, bij gebreke waarvan verweerder zelf zal overgaan tot het beletten van het gebruik en openstelling van dat pand.

Aldi heeft tegen de besluiten van 1 juli 2005 en 7 juli 2005 bij brief van 7 juli 2005 bezwaar gemaakt bij verweerder, alsmede de voorzieningenrechter bij brief van 8 juli 2005 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 juli 2005 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 7 juli 2005 geschorst en de voorlopige voorziening getroffen dat genoemd bedrijfspand met onmiddellijke ingang in gebruik mag worden genomen ten behoeve van detailhandel.

Op 29 juli 2005 is de gebruiksvergunning voor de bestaande bebouwing verleend.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften, het bezwaar van Aldi tegen de besluiten van 1 juli 2005 en 7 juli 2005 ongegrond verklaard. Eveneens bij besluit van 8 november 2005 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften, het bezwaar van eiseres sub 2 tegen het besluit van 7 juli 2005 ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eiseressen bij brief van 12 december 2005, ingekomen bij de rechtbank op 14 december 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 15 augustus 2006 hebben eiseressen een rapport in het geding gebracht.

Het beroep is op 6 september 2006 ter zitting behandeld. Namens eiseressen zijn verschenen mr. P.H. Revermann, werkzaam bij het Juridisch en Bestuurlijk Adviescentrum, mr. C.G.J.A. van Dijk, N. Ophof en drs. J.A. de Leeuw. Namens verweerder zijn verschenen mr. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, mr. A. Habets-Brunt, J.P. Post en mr. R.A.J. Begheyn.

Motivering

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder met juistheid het bezwaar van 17 juni 2005 tegen de fictieve weigering tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 6:20, vierde lid van de Awb mede gericht heeft geacht tegen het nadien genomen reële besluit van 1 juli 2005 om vrijstelling en bouwvergunning te weigeren. Verweerder heeft voorts terecht vastgesteld dat het bezwaar tegen weigering van een gebruiksvergunning voor de bestaande bebouwing onder toepassing van artikel 6:20, vierde lid van de Awb is komen te vervallen, nu deze vergunning nadien is verleend en verweerder daarmee aan het bezwaar geheel tegemoet is gekomen. Op de aanvraag voor een gebruiksvergunning met betrekking tot de situatie na uitvoering van het verbouwplan heeft verweerder nog geen besluit kunnen nemen, nu dit verbouwplan niet is uitgevoerd. Het beroep richt zich thans tegen de tot Aldi gerichte weigering tot vrijstelling en bouwvergunning alsmede het tot eiseressen gerichte handhavingsbesluit.

Het bouwplan voorziet in het optimaliseren van detailhandelsgebruik ter plaatse binnen de bestaande bebouwing c.q. bouwmassa. Het plan ziet primair op interne verbouwingen van het bedrijfspand. De oppervlakte wordt verkleind, de gevelbeplating wordt aangepast en de nooduitgang wordt verplaatst. Door het vervallen van twee 'zijvleugels' aan de bestaande bebouwing kunnen tevens extra parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

Verweerder heeft de bouwvergunning geweigerd, omdat het bouwplan niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. Vrijstelling wordt niet wenselijk geacht.

In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (Wow) is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van één van de daar gegeven weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Rijnhaven'. Aan de in geding zijnde percelen is blijkens de plankaart de bestemming 'Bedrijven (B IV)' gegeven.

In artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat gronden met deze bestemming zijn bestemd voor

(a) bedrijfstypen, die zijn genoemd en met een zone-nummer zijn aangeduid in de bij deze voorschriften behorende in bijlage A opgenomen 'Lijst van toegelaten bedrijfstypen' en die als zodanig corresponderen met de bijbehorende zoneringskaart (hierna aan te duiden als: de Lijst van toegelaten bedrijfstypen), alsmede

(b) voor de afwijkende bedrijfstypen die in tabel 4 van bijlage A als zodanig zijn aangegeven op de aldaar aangegeven adressen (welke tabel hierna zal worden aangeduid als: de Lijst van maatbestemde bedrijven).

In artikel 4, derde lid, onder f, van de planvoorschriften is bepaald dat de op het moment van het onherroepelijk worden van het plan bestaande bedrijven met functionele afwijkingen maatbestemd zijn en in de bestaande omvang mogen voortbestaan.

In artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften is - voor zover van belang - bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de bestemming bedrijven te wijzigen, voor zover de wijziging betrekking heeft op (a) de lijst van toegelaten bedrijfstypen, (b) de milieuzonering als weergegeven op de zoneringskaart en (c) de specifiek bestemde bedrijfstypen die zijn genoemd in het eerste lid onder 1.1, sub b ten behoeve van bedrijfstypen die uitsluitend zijn toegestaan in de voor het betrokken perceel geldende zone(s), zoals genoemd in bijlage A, slechts nadat de specifiek bestemde bedrijfstypen ter plekke zijn beëindigd.

In artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat het verboden is de in dit plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van het bestemmingsplan, zich toespitsend op de betekenis van de in de Lijst van maatbestemde bedrijven aangegeven maatbestemming op de in geding zijnde percelen.

Aldi heeft aangevoerd dat detailhandel op de betreffende percelen in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De maatbestemming is in de Lijst van maatbestemde bedrijven functioneel en gekoppeld aan het bedrijfstype met de aanduiding 'detailhandel'. Aldi stelt dat het bestemmingsplan geen enkele relatie legt met de in de Lijst van maatbestemde bedrijven vermelde SBI-code. Evenmin is de SBI-code terug te vinden in de begripsbepalingen of in enig planvoorschrift dan wel in de toelichting van het bestemmingsplan. De SBI-code is in de Lijst van maatbestemde bedrijven opgenomen onder de feitelijke gegevens met betrekking tot het concreet genoemde bedrijf. In de Lijst van maatbestemde bedrijven wordt pas daarna, in de kolommen met de vermelding 'Afwijking', de maatbestemming 'detailhandel' genoemd. Aldi heeft verder betoogd dat het bestemmingsplan zowel in de voorschriften met betrekking tot de maatbestemmingen als in de toelichting daarop (vrijwel) steeds spreekt over 'bedrijfstypen' en '-functies', hetgeen in haar visie duidt op typen en functies vallende binnen de maatbestemming 'detailhandel'. Het gaat in het bestemmingsplan niet over toevallige ondernemingen of bedrijven. De regels moeten duidelijk zijn voor de burger, dat is hier niet het geval. De burger die het plan leest en de tabel raadpleegt, zal concluderen dat detailhandel op de betreffende locatie is toegestaan. Verweerder dient het risico van optredende onduidelijkheden te dragen.

Aldi heeft voorts aangevoerd dat er onjuiste coderingen voorkomen in de SBI-codering in de Lijst van maatbestemde bedrijven, terwijl voorts SBI-codes ontbreken. Aldi heeft dit standpunt nader onderbouwd met een onderzoeksrapport.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat krachtens het bestemmingsplan op de betreffende percelen uitsluitend detailhandel in de vorm van een bouwmarkt (nader aangeduid met de SBI-codes 52468 en 52441) is toegestaan. De term detailhandel in de Lijst van maatbestemde bedrijven geeft slechts de aard van de (in dit geval: functionele) afwijking aan, niet het toegelaten gebruik. De Lijst van maatbestemde bedrijven moet namelijk aldus worden opgevat dat in die lijst met 'bedrijfstype' gedoeld wordt op bedrijven met een specifieke SBI-code. Aldus houdt de bij ieder bedrijf vermelde SBI-code een beperking in van de op het perceel gelegde maatbestemming 'detailhandel'. Het is nooit de bedoeling geweest dat op alle maatbestemde locaties bedrijven moeten worden toegelaten omdat ze vallen onder de afwijking. Het door Aldi in het geding gebrachte rapport dient in deze procedure buiten beschouwing te worden gelaten, aangezien hierin nieuwe voorbeelden worden genoemd waarop in bezwaar niet kon worden gereageerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Bijlage A (Bedrijven en milieuzonering) bij het bestemmingsplan bevat - voor zover hier van belang - de volgende toelichting:

'In artikel 4 wordt de vestiging van bedrijfstypen mogelijk gemaakt voor zover zij zijn vermeld in de 'Lijst van toegelaten bedrijfsfuncties', opgenomen in deze bij de voorschriften horende bijlage.

Deze lijst is opgesteld aan de hand van de uitgangspunten beschreven in het rapport 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG (1999). In dat rapport is een 'Lijst van bedrijfstypen' opgenomen, waarin voor een zeer groot aantal bedrijven en uitgesplitst naar hinderaspecten de hinderlijkheid is vermeld. Deze zogenaamde basislijst is ingedeeld volgens de standaardbedrijfs-indeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (1993).'

De rechtbank overweegt dat de SBI-codering door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gebruikt om bedrijfstypen te rubriceren al naar gelang hun economische hoofdactiviteit. Nu verweerder in bijlage A bij het bestemmingsplan uitdrukkelijk heeft verwezen naar de SBI-indeling alsmede het VNG-rapport 'Bedrijven en milieuzonering', verbindt de rechtbank geen gevolgen aan het achterwege laten van een begripsbepaling van de SBI-codering in de planvoorschriften.

Uit de toelichting op het bestemmingsplan, de planvoorschriften alsmede de Lijst van toegelaten bedrijfstypen leidt de rechtbank af dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de planwetgever is geweest om detailhandel in het (relevante deel van het) plangebied in de basisregeling slechts beperkt toe te staan. Paragraaf 6.2.a van de toelichting op het bestemmingsplan bevat namelijk de volgende passage:

'Ook enkele vormen van detailhandel zijn na vrijstelling in de deelgebieden III en IV toegestaan (...). In het algemeen kan deze bedrijfsvorm niet zonder meer worden toegelaten op het bedrijventerrein, omdat de meeste vormen van detailhandel niet wenselijk zijn op een bedrijventerrein. Er zijn echter enkele vormen van detailhandel, zoals (...) bouwmarkten (...) waarvan de vestiging in een woon- of winkelgebied ongewenst is of moeilijk inpasbaar.'

Uit artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften blijkt verder dat slechts bedrijfstypen zijn toegestaan die zijn genoemd in de Lijst van toegelaten bedrijfstypen. Voor wat betreft de rubriek SBI 5.2 (Detailhandel en reparatie t.b.v. particulieren) vermeldt de Lijst van toegelaten bedrijfstypen vervolgens slechts één bedrijfsactiviteit, te weten SBI-code 527 - Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen).

Uit paragraaf 6.2.a van de toelichting op het bestemmingsplan blijkt vervolgens dat ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan reeds aanwezige afwijkende vormen van detailhandel, die in strijd zijn met de bestemming, een passende maatbestemming hebben gekregen. Artikel 4, eerste lid, onder b van de planvoorschriften bepaalt dat deze afwijkende bedrijfstypen in de Lijst van maatbestemde bedrijven als zodanig zijn aangegeven op de aldaar aangegeven adressen. Voor de in geding zijnde adressen vermeldt de Lijst van maatbestemde bedrijven de naam 'Karwei Doe het Zelf Centrum' alsmede 'De Ridder Nachtrust Adviseur' met respectievelijk de SBI-code 52468 en 52441. Onder de kop 'AFWIJKING' is in de kolom 'FUNCTIONEEL' achter beide namen vermeld 'DETAILHANDEL'. Weliswaar maakt de Lijst van maatbestemde bedrijven, op zichzelf bezien, niet aanstonds duidelijk wat met het woord 'DETAILHANDEL' in die lijst wordt bedoeld, bezien in samenhang met de overige onderdelen van het bestemmingsplan en tegen de achtergrond van de bedoeling van de planwetgever, kan de rechtbank echter tot geen andere conclusie komen dan dat voor de betreffende adressen een afwijkende bestemming is vastgelegd die voor de aldaar gevestigde bedrijven op maat is toegestaan. Voor de in geding zijnde percelen houdt dit naar het oordeel van de rechtbank in dat op de daarbij behorende adressen een bouwmarkt (SBI-code 52468) respectievelijk een winkel in meubelen (SBI-code 52441) zijn toegelaten. Een andere conclusie zou immers tot het ongerijmde resultaat leiden dat de planwetgever op de adressen waar ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan reeds afwijkende vormen van detailhandel aanwezig waren, niet slechts die afwijkende vorm heeft gelegaliseerd, maar tevens iedere andere vorm van detailhandel. Voor een dergelijke uitleg bevat het bestemmingsplan geen aanknopingspunten. Integendeel, de in de artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften en de Lijst van toegelaten bedrijfstypen opgenomen basisregeling, gaat uit van een beperking van de toegelaten bedrijfstypen in de SBI-rubriek 'Detailhandel en reparatie t.b.v. particulieren' tot één specifieke bedrijfsactiviteit, te weten reparatie ten behoeve van particulieren, exclusief auto's en motorfietsen.

Wat betreft het door Aldi in het geding gebrachte rapport overweegt de rechtbank dat dit een nadere onderbouwing en uitwerking vormt van reeds in de bezwaarfase aangevoerde argumenten. De stelling van verweerder dat dit rapport niet in de beoordeling mag worden betrokken, houdt daarom geen stand. Het rapport geeft aan dat in het bestemmingsplan onjuiste SBI-coderingen voorkomen, terwijl ook SBI-codes ontbreken. De rechtbank overweegt op dit punt dat - zo deze stelling van Aldi al juist is, hetgeen hier in het midden kan blijven - op grond van de onjuiste dan wel ontbrekende coderingen hooguit onduidelijkheid kan ontstaan over de precieze afbakening van de maatbestemming op de betreffende percelen, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de planwetgever heeft beoogd om op onjuist aangeduide percelen een algemene functionele afwijking toe te staan.

De door Aldi aangevoerde privaatrechtelijke overeenkomst tussen verweerders gemeente en eiseres sub 2 acht de rechtbank gelet op het dwingende karakter van artikel 44 van de Wow niet van belang voor de beoordeling van het onderhavige geschilpunt. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat verweerder onweersproken heeft aangevoerd dat met die overeenkomst slechts werd gestreefd naar een tijdelijke oplossing.

De rechtbank concludeert dat het bouwplan niet voldoet aan het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Verweerder heeft terecht op grond van artikel 44 van de Wow de gevraagde bouwvergunning geweigerd.

Op grond van artikel 46, derde lid, van de Wow dient een aanvraag om een bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Medewerking verlenen aan het bouwplan is in principe alleen mogelijk met toepassing van artikel 19 WRO. Bij de toepassing van artikel 19 van de WRO komt verweerder, in aanmerking genomen de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan verweerder is toegekend, beleidsvrijheid toe. Verweerder heeft besloten geen medewerking te verlenen aan het bouwplan met toepassing van artikel 19 WRO omdat dit in strijd is met de planologische uitgangspunten van het bestemmingsplan en het gemeentelijk beleid.

De rechtbank overweegt dat bij de totstandkoming van het bestemmingsplan bepaalde uitgangspunten zijn geformuleerd, die bij de beoordeling of het bestreden besluit op goede gronden berust, dienen te worden gerespecteerd. Een van die uitgangspunten is dat detailhandel in het (relevante deel van het) plangebied slechts beperkt is toegestaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in het bestemmingsplan en zijn planologische beleid geen onderscheid heeft kunnen maken tussen de verkoop van volumineuze en niet-volumineuze artikelen. Verweerder acht de verkoop van volumineuze artikelen vanwege andere aan- en afvoerproblemen niet gewenst in woon- of winkelgebieden. Het komt de rechtbank niet onaannemelijk voor dat aan de vestigingsplaats van een bouwmarkt vanuit verkeerskundig en ruimtelijk oogpunt wegens de aan- en afvoer van de goederen andere eisen moeten worden gesteld dan aan die van andere vormen van detailhandel, zoals supermarkten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de vaststelling van dat beleid zijn bevoegdheid dan ook niet overschreden. De rechtbank acht het daarom aanvaardbaar dat verweerder gelet op het bestemmingsplan waarin dit onderscheid wordt benadrukt, strikt de hand houdt aan de bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan geformuleerde beleidsuitgangspunten. Dat verweerder voornemens is om op het nabijgelegen zogenoemde Baronieterrein een of meerdere supermarkten toe te laten, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende om anders te oordelen. Dit terrein komt niet voor op de in de Lijst van maatbestemde bedrijven, zodat de vergelijking met de in geding zijnde percelen reeds daarom niet opgaat.

Eiseressen hebben een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Zij hebben aangevoerd dat een aantal van de in Lijst van maatbestemde bedrijven opgenomen percelen inmiddels een andere gebruiker kent, waarbij sprake is van een wijziging in het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat voor de door eiseressen genoemde gevallen geen bouwvergunningen onder vrijstelling zijn verleend. Het enige door eiseressen in dat verband aangegeven voorbeeld waarin wel bouwver-gunning is verleend, betreft de vestiging van Leen Bakker B.V. aan het adres Rijnhavenkade 2/2a, waar voorheen Poppeliers B.V. gevestigd was. Poppeliers B.V. komt in de Lijst van maatbestemde bedrijven voor met de SBI-code 52441, Leen Bakker B.V. kent als SBI-code 52444. De rechtbank is van oordeel dat met dit voorbeeld het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, nu het in het geval van Leen Bakker B.V. gaat om een winkel waarvan de bedrijvigheid aansluit op het bedrijfstype dat op de betreffende locatie reeds was gevestigd, te weten winkels in woninginrichting dan wel -meubilair.

Van zwaarwegende feiten of omstandigheden van de zijde van eiseressen die verweerder na afweging van de belangen tot een andersluidend oordeel hadden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen de verzochte vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

Ten aanzien van het handhavingsbesluit met betrekking tot het gebruik van het betreffende bedrijfspand overweegt de rechtbank als volgt.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor ter zake van de weigering vrijstelling en bouwvergunning heeft overwogen, volgt dat het door Aldi voorgestane en daadwerkelijke gebruik in strijd is met het in artikel 17, eerste lid, van het bestemmingsplan opgenomen gebruiksvoorschrift, zodat verweerder op de voet van artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd was handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen concreet zicht op legalisering van het in geding zijnde gebruik. Niet geoordeeld kan voorts worden dat hier overigens sprake is van een situatie waarin handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die situatie behoort te worden afgezien. Aldi is er blijkens haar eigen stellingen reeds vanaf 14 maart 2005 van op de hoogte geweest dat verweerder het (toen nog voorgenomen) gebruik strijdig achtte met het bestemmingsplan. Dat Aldi er desondanks voor heeft gekozen het bedrijfspand volledig in te richten en in gebruik te nemen, dient voor haar rekening en risico te blijven.

Het door Aldi gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Aldi heeft namelijk niet aannemelijk kunnen maken dat sprake is van gevallen waarin ter plaatse van een maatbestemd perceel waar ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een vorm van detailhandel was gevestigd, het gebruik ten tijde van het nemen van het handhavingsbesluit was gewijzigd in een andere vorm van detailhandel die krachtens verweerders ter zake gevoerde planologische beleid als niet wenselijk wordt gezien, zonder dat verweerder tegen een zodanige wijziging is opgetreden.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer, mr. C.J. Waterbolk en mr. E. Dijt, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.