Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2637

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-09-2006
Datum publicatie
21-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/43234
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Suriname / laissez-passer / zicht op uitzetting.

In de Afdelingsuitspraak 200606643/1 van 22 augustus 2006 wordt ervan uitgegaan dat de mogelijkheid dat een laissez-passer (LP) verstrekt zou kunnen worden door de Surinaamse autoriteiten zonder voorafgaande presentatie in persoon. In de onderhavige zaak heeft verweerder ter zitting bevestigd dat alleen dan een LP wordt afgegeven indien eerst een presentatie in persoon heeft plaatsgevonden. Nu vaststaat dat eiser niet in persoon is gepresenteerd en sedert april 2006 geen presentaties in persoon meer plaatsvinden bij de Surinaamse autoriteiten en tevens onbekend is wanneer het presentatietraject bij de Surinaamse autoriteiten kan worden hervat, kan niet worden gezegd dat de autoriteiten bereid zijn tot afgifte van een LP. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/43234 VRONTN

V-nr.: 130.505.2770

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1958, van Surinaamse nationaliteit, verblijvende op de Detentieboot Reno te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. IJ. Ruiter, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 11 augustus 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Verweerder heeft de rechtbank hiervan op 6 september 2006 in kennis gesteld. Krachtens artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 12 september 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Ten aanzien van de inbewaringstelling heeft eiser geen opmerkingen. Wel stelt eiser zich op het standpunt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Door het conflict dat momenteel bestaat tussen de Nederlandse en Surinaamse autoriteiten, worden aanvragen om een laissez-passer (LP) niet in behandeling genomen. Er zou een missie naar Suriname gaan van 15 tot en met 18 augustus 2006, maar deze is door de Surinaamse autoriteiten twee dagen van te voren afgeblazen. Er is nu sprake van een complete impasse. Over de identiteit van eiser kan geen discussie bestaan. Eiser heeft ooit een verblijfsvergunning aangevraagd en toen een paspoort overgelegd, dit moet bij verweerder bekend zijn. Dit paspoort is hij nu kwijtgeraakt. Eiser verzoekt om opheffing van de maatregel zonder toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Er bestaat wel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De aanvraag voor een laissez-passer is gezonden aan de Unit Facilitering Terugkeer (UFT). Het is juist dat er problemen zijn met de Surinaamse autoriteiten en dat de missie is afgeblazen. Er is echter wel telefonisch contact geweest op hoog ambtelijk niveau en naar een spoedige oplossing wordt gezocht. Een nieuwe missie staat in de planning, onbekend is wanneer precies. Het is juist dat Surinaamse autoriteiten een presentatie in persoon verlangen en dat zij zonder een dergelijke presentatie geen LP’s afgeven. Verweerder verwijst echter naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 22 augustus 2006 met nummer 200605643/1. Eiser heeft geen identiteitsdocument overgelegd. Deze week zal hij worden gehoord. De voortzetting van de bewaring is des te meer van belang nu eiser op 18 juli 2006 ongewenst is verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

Niet in geschil is dat eiser is veroordeeld ter zake een misdrijf, niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en niet beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats, zodat aannemelijk moet worden geacht dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen menen dat het belang van de openbare orde de bewaring vordert.

Nu voorts kan worden vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf hier te lande heeft, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om eiser in bewaring te stellen.

Gesteld noch gebleken is dat verweerder het onderzoek met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt. Wel is in geschil of er een reëel perspectief op uitzetting bestaat nu sedert april 2006 geen presentaties meer mogelijk zijn bij de Surinaamse autoriteiten en er ook geen LP worden afgegeven indien er geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak het reëel perspectief op uitzetting ontbreekt en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 22 augustus 2006 (200606643/1). Hierin is – voorzover van belang – als volgt geoordeeld:

“De enkele omstandigheid dat de Surinaamse autoriteiten vanaf april 2006 geen presentaties in persoon houden en geen indicatie kan worden gegeven wanneer zij deze hervatten, is geen omstandigheid op grond waarvan bij voorbaat moet worden aangenomen dat de Surinaamse autoriteiten niet bereid zijn om een laissez-passer te verstrekken ten behoeve van de vreemdeling, indien hij zijn volledige juiste gegevens verstrekt. Op de vreemdeling rust de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze verplichting brengt onder meer met zich dat hij actieve en volledige medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de voor zijn vertrek noodzakelijke documenten. De minister heeft onweersproken gesteld dat de Surinaamse autoriteiten op grond van eerder onderzoek in 2003 een toezegging hebben gedaan dat een laissez-passer zal worden verleend ten behoeve van de vreemdeling. Op grond van deze toezegging verricht de minister thans opnieuw onderzoek, teneinde de vreemdeling bij de Surinaamse autoriteiten te presenteren, waarbij hij wijst op de mogelijkheid van het indienen van een schriftelijke aanvraag om een laissez-passer, op grond waarvan de Surinaamse autoriteiten een identiteits- en nationaliteitsonderzoek kunnen verrichten. Nu de vreemdeling volhardt in de stelling dat hij de Franse nationaliteit heeft, terwijl de Franse autoriteiten op 26 september 2002 een zogenoemde non-statementverklaring hebben afgegeven, hij voorts op 22 januari 2003 een nationaliteitsverklaring heeft ingevuld voor Suriname en zich heeft bediend van meerdere aliassen, heeft hij niet voldaan aan de verplichting volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de voor zijn vertrek benodigde documenten. Bij gebreke van deze medewerking bestaat geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt.”

In deze aangehaalde uitspraak wordt uitgegaan van de mogelijkheid dat een LP verstrekt zou kunnen worden door de Surinaamse autoriteiten zonder voorafgaande presentatie in persoon. In de onderhavige zaak heeft verweerder ter zitting evenwel bevestigd dat alleen dan een LP wordt afgegeven door de Surinaamse autoriteiten indien eerst een presentatie in persoon heeft plaatsgevonden. Reeds hierom vormt de uitspraak derhalve geen onderbouwing van verweerders standpunt in de zaak van eiser.

Nu vaststaat dat eiser niet in persoon ten overstaan van de Surinaamse autoriteiten is gepresenteerd, sedert april 2006 geen presentaties in persoon ten overstaan van de Surinaamse autoriteiten plaatsvinden en tevens onbekend is wanneer het presentatietraject bij de Surinaamse autoriteiten kan worden hervat, kan niet worden gezegd dat de Surinaamse autoriteiten bereid zijn om een LP te verstrekken ten behoeve van eiser. Het zicht op uitzetting ontbreekt derhalve.

Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 15 september 2006.

De rechtbank ziet in het vorenstaande geen aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen.

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 15 september 2006 wordt opgeheven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 15 september 2006 door mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Rensenbrink, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.:FR

Coll:

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.