Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2583

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2006
Datum publicatie
29-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/43166
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening / AC-procedure / psychische klachten / aard van de zaak / rechtsbijstand / zorgvuldigheid.

De vraag die voorligt is of verweerder verzoekers asielaanvraag, met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid, binnen de AC-procedure heeft kunnen afdoen. De voorzieningenrechter oordeelt allereerst dat deze vraag, vanwege de aard van de zaak, ontkennend moet worden beantwoord. Daartoe acht de voorzieningenrechter redengevend dat de zaak zich niet voldoende snel liet overzien om de aanvraag binnen 48 procesuren af te doen. Daarbij is onder andere de uitvoerige vraagstelling van verweerder in aanmerking genomen, hetgeen zijn neerslag heeft gevonden in de rapporten van de gehoren, die in totaal veertig pagina’s beslaan. Verder is van belang geacht dat in de betreffende zaak niet slechts een eerste en een nader gehoor heeft plaatsgevonden, doch ook een aanvullend nader gehoor. Voorts wordt geoordeeld dat verweerder ook vanwege de psychische gesteldheid van verzoeker de asielaanvraag niet binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen. Onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 21 februari 2006 (nr. 200600404/1) wordt vooropgesteld dat in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van een advies dat voorafgaand aan een gehoor is uitgebracht door een arts, waarin is geconcludeerd dat tegen het horen van de betreffende vreemdeling geen medische bewaren bestaan. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval had verweerder in de voorliggende zaak evenwel niet zonder meer van het medisch advies mogen uitgaan. Hiertoe is van belang dat verweerder, onder andere op eigen initiatief, na het betreffende medisch advies verzoeker meermalen heeft onderworpen aan nadere medische consulten. Voorts is van belang dat de gemachtigde van verzoeker reeds in een vroeg stadium en meermalen expliciet heeft gesignaleerd dat verzoekers psychische gesteldheid een afhandeling van de aanvraag binnen de AC-procedure in de weg stond, terwijl ook door de arts bij het betreffende advies is aangegeven dat niet kon worden uitgesloten dat verzoeker aan ptss lijdt. Tot slot is van belang dat verzoeker enkele uren vóór het uitreiken van de beschikking vanwege zijn psychische gesteldheid met spoed naar het ziekenhuis is verwezen, terwijl hij enkele uren na de uitreiking vervroegd in een psychiatrische kliniek is opgenomen, alwaar hij thans, anderhalve maand later, nog altijd vanwege ernstige psychische klachten wordt behandeld. Vorenstaande conclusies klemmen te meer nu de gehoren in totaal nagenoeg vier dagen in beslag hebben genomen, terwijl verzoeker tussendoor meermalen een arts heeft moeten bezoeken en met zijn advocaat heeft moeten overleggen. Overigens mag niet onderbelicht blijven dat verzoeker pas zeventien jaar oud is.Tot slot wordt geoordeeld dat verweerder de asielaanvraag evenmin zorgvuldig binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen, nu de gemachtigde van verzoeker daarmee niet voldoende gelegenheid is geboden om adequate rechtshulp aan verzoeker te kunnen bieden. Hieraan wordt ten grondslag gelegd dat in de AC-procedure korte termijnen gelden, terwijl de rapporten van de gehoren omvangrijk zijn en het, met name ook vanwege verzoekers psychische problemen, niet mogelijk bleek om zonder onderbrekingen de betreffende rapporten met hem door te nemen. Het op verzoek door verweerder verleende uitstel voor indiening van de zienswijze en reacties op de rapporten van anderhalf uur wordt ontoereikend geacht. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/43166

V.nr.: 271.327.6097

inzake: [naam verzoeker], (die stelt te zijn) geboren op [geboortedag] november 1988, van (gestelde) Keniaanse nationaliteit, verblijvende op de gesloten jeugdafdeling van “de Bascule”, de psychiatrische kliniek van het Academisch Medisch Centrum (hierna: AMC) te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. W.M. Blaauw, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.K. Frijters, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 6 september 2006 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

5 september 2006 waarbij de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen en waarbij verzoeker niet ambtshalve in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (hierna: amv)” als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 20 oktober 2006. Verzoeker is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst.

2. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

3. Vaststaat dat verweerder de asielaanvraag van verzoeker heeft afgedaan binnen de AC-procedure. De vraag die voorligt, is of verweerder met deze afdoening binnen 48 procesuren voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

4. Bij de beoordeling van deze vraag gaat de voorzieningenrechter uit van het volgende als relevante, vaststaande gegevens in het licht van het voorliggende geschil.

4.1 Op 31 augustus 2006 heeft verzoeker zich gemeld bij de korpschef en een asielaanvraag ingediend, waarna hij op diezelfde dag naar het aanmeldcentrum (AC) te Schiphol is overgebracht.

4.2 Op 1 september 2006 heeft het eerste gehoor in het kader van de asielaanvraag plaatsgevonden, waarvan een rapport is opgemaakt (processtuk 8). Blijkens het rapport was bij het gehoor een medewerker van Vluchtelingenwerk aanwezig. Omdat verzoeker tijdens het gehoor emotioneel werd, is ten behoeve van hem een verpleegkundige geraadpleegd. Betreffende dit consult bevindt zich geen informatie bij de processtukken.

4.3 Op 2 september 2006 om 10.40 uur heeft de toenmalige gemachtigde van verzoeker de correcties en aanvullingen op het rapport van het eerste gehoor ingediend (processtuk 13).

4.4 Op 2 september 2006 om 11.04 uur heeft de toenmalige gemachtigde van verzoeker verweerder schriftelijk verzocht het nader gehoor uit te stellen, gelet op verzoekers emotionele reactie naar aanleiding van het eerste gehoor. Voorts maakt de toenmalige gemachtigde van verzoeker in zijn schrijven kenbaar dat hij van mening is dat het standaard medisch onderzoek in het AC in het geval van verzoeker ontoereikend is om te beoordelen of verzoeker al dan niet in staat is aan het nader gehoor deel te nemen en verzoekt verweerder daarom om verzoekers aanvraag verder af te doen buiten de AC-procedure (processtuk 13).

4.5 Het verzoek om uitstel van het nader gehoor en afdoening van de aanvraag buiten de AC-procedure is door verweerder op 2 september 2006 afgewezen (processtuk 14).

4.6 Op 2 en 3 september 2006 heeft het nader gehoor plaatsgevonden. Uit het daarvan opgemaakte rapport (processtuk 15) blijkt onder meer het volgende.

- Bij het nader gehoor was (in ieder geval op 2 september 2006) een bewaker aanwezig vanwege verzoekers onrustige gedrag op 2 september 2006 direct voorafgaand aan het gehoor.

- Op pagina 3 van het rapport van het nader gehoor is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen ten aanzien van de aanvang van het nader gehoor op 2 september 2006.

“Zijn er medische klachten waarom dit gehoor niet kan plaatsvinden? In de wachtruimte was u heel onrustig en wilde u niet meekomen. Ik, samen met (...), hebben u toen uitgelegd dat ik met u over uw redenen van vertrek zou gaan praten en dat u niet bang hoeft te wezen. U heeft toegestemd mee te gaan. Nu vraag ik u nogmaals: Hoe gaat het met u en kunt u aan het gesprek deelnemen? U hoeft in principe niets aan mij te vertellen over hetgeen u in Nederland is overkomen.

Ik voel dat ik last heb van mijn hart en dat mijn hoofd vol zit. Ik kan wel vertellen over wat mij is overkomen in Kenia. Dat wil ik en kan ik.”

- Op 2 september 2006 vanaf 13.12 uur heeft J. Duijn, medewerker van Vluchtelingenwerk, het gehoor bijgewoond.

- Gedurende het nader gehoor is zowel op 2 september 2006 alsook op 3 september 2006 herhaaldelijk aan verzoeker gevraagd hoe het met hem ging en of hij in staat was het gehoor voort te zetten.

- Het nader gehoor is op 3 september 2006 van 9.34 uur tot 12.40 uur onderbroken, omdat verzoeker tijdens het gehoor hevig begon te huilen en aangaf dat hij slaperig was en heel veel hoofdpijn had.

4.7 Op 3 september 2006 is een standaard medisch rapport opgemaakt (processtuk 16), waaruit blijkt dat verzoeker op die dag om 9.00 uur is gezien door een verpleegkundige van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst (hierna: GGD), onder raadpleging van een arts. Daarbij heeft de verpleegkundige geen (bijzondere) indicaties geconstateerd op basis waarvan diende te worden geconcludeerd dat verzoeker wegens medische redenen niet nader kon worden gehoord of niet in staat was coherent te verklaren.

4.8 Op 3 september 2006 om 11.30 uur heeft verzoeker een medisch consult bij een forensisch arts van de GGD gehad, naar aanleiding waarvan een standaard medisch adviesformulier is ingevuld (processtuk 16). Het betreffende advies was geldig tot 7 september 2006. Op het standaard adviesformulier is aangekruist dat geen aanleiding bestond voor de conclusie dat verzoeker vanwege medische redenen niet nader kon worden gehoord. Voorts is op het formulier met pen het volgende genoteerd.

“Bij onderzoek geen aanwijzingen voor acute psychopathologie i.e. psychotische aandoeningen die verhoor in de weg staan, dan wel acute behandeling vereisen. Psychopathologie zoals posttraumatisch stresssyndroom (hierna: ptss) acht ik niet uitgesloten.”

4.9 Op 4 september 2006 heeft in het kader van verzoekers asielaanvraag een aanvullend nader gehoor plaatsgevonden, waarvan een rapport is opgemaakt (processtuk 17).

4.10 Op 4 september 2006 is een standaard medisch rapport opgesteld (processtuk 18), waaruit blijkt dat verzoeker op die dag om 11.00 uur is gezien door een verpleegkundige van de GGD, onder raadpleging van een arts. Daarbij zijn geen (bijzondere) indicaties ten aanzien van verzoeker aanwezig geacht op basis waarvan diende te worden geconcludeerd dat hij vanwege medische redenen niet nader kon worden gehoord of niet in staat was coherent te verklaren.

4.11 Op 5 september 2006 om 8.00 uur is het voornemen van verweerder om de asielaanvraag van verzoeker af te wijzen, gedateerd 4 september 2006, (processtuk 19) aan verzoeker uitgereikt. Daarnaast heeft verweerder op hetzelfde moment ook de rapporten van het nader gehoor en het aanvullend nader gehoor (processtukken 15 en 17) aan verzoeker uitgereikt.

4.12 Op 5 september 2006 heeft de huidige gemachtigde van verzoeker meermalen verzocht om verlenging van de termijn waarbinnen hij de zienswijze en de reacties op de rapporten van de nadere gehoren diende in te dienen. De redenen van dit verzoek waren gelegen in de omvang van de rapporten, in het feit dat slechts in beperkte mate over een tolk kon worden beschikt en in de omstandigheid dat verzoeker psychische klachten had en onderbrekingen van het gesprek tussen verzoeker en zijn gemachtigde daarom onvermijdelijk waren. Verweerder heeft in reactie hierop aan de gemachtigde van verzoeker in totaal anderhalf uur extra tijd gegund voor de indiening van de zienswijze en de reacties op de rapporten. Verder is de tijd voor de indiening van de zienswijze en de reacties ook nog voor de duur van twee uur “stilgezet” vanwege het feit dat gedurende die periode geen tolk beschikbaar was, zodat overleg tussen verzoeker en zijn gemachtigde niet mogelijk was.

4.13 Op 5 september 2006 om 14.20 uur heeft de gemachtigde van verzoeker de zienswijze op het voornemen en de reacties op het nader gehoor en het aanvullend nader gehoor ingediend (processtuk 22). Daarbij heeft de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat hij het rapport van het aanvullend nader gehoor in zijn geheel met verzoeker heeft kunnen bespreken en het rapport van het nader gehoor tot pagina 13 met hem heeft kunnen doornemen. De gemachtigde van verzoeker heeft bij de indiening van de zienswijze en de reacties verweerder verzocht om verzoekers aanvraag, gelet op de omvang van de gehoren en de psychische toestand van verzoeker, verder buiten de AC-procedure af te doen. Dit verzoek is niet door verweerder ingewilligd.

4.14 Op 5 september 2006 om 14.20 uur is de dienstdoende coördinator primair proces (cpp) van verweerder op de hoogte gesteld van een verzoek van verzoeker voor een medisch consult. Blijkens een standaard formulier heeft op 5 september 2006 om 14.30 uur het verzochte consult plaatsgevonden (processtuk 27). Op basis van dit consult heeft de betreffende verpleegkundige, in samenspraak met een arts, een spoedverwijzing naar een ziekenhuis noodzakelijk geacht. Vermeld als ziekenhuis is het AMC, alwaar hij blijkens het voornoemde formulier op 6 september 2006 zou worden opgenomen.

4.15 Het bestreden besluit van 5 september 2006, waarbij verweerder verzoekers asielaanvraag heeft afgewezen (processtuk 23), is op 5 september 2006 om 16.13 uur aan verzoeker uitgereikt (processtuk 24).

4.16 Op 5 september 2006, na de uitreiking van de bestreden beschikking, is verzoeker vervroegd opgenomen op de forensische jeugdpsychiatrie afdeling van “de Bascule”, een kliniek van het AMC (processtuk 31).

4.17 Na de indiening van het beroep tegen het besluit van 5 september 2006 en het daarmee samenhangende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op 6 september 2006 heeft de gemachtigde van verzoeker op 7 september 2006 aan verweerder verzocht de beschikking van 5 september 2006 in te trekken, vanwege het feit dat voldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig zouden zijn waaruit blijkt dat verzoekers zaak niet voor afdoening binnen de AC-procedure geschikt was (processtuk 29). Dit verzoek is door verweerder afgewezen (processtuk 30).

4.18 Op 13 september 2006 zijn de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De gronden zijn aangevuld bij schrijven van 14 september 2006, met bijgevoegd een verklaring van een huisarts.

4.19 Op 14 september 2006 heeft de gemachtigde van verzoeker de voorzieningenrechter schriftelijk verzocht om de op 15 september 2006 geplande behandeling van het verzoek ter zitting te verdagen, vanwege de psychische toestand van verzoeker. Op dezelfde dag heeft de voorzieningenrechter een brief ontvangen van een kinder- en jeugdpsychiater, Tijs Jambroes, en het teamhoofd GZ psycholoog van “de Bascule”, Nico Kuin, waarin het volgende ten aanzien van verzoeker is vermeld.

“Betrokkene verblijft vanaf 6 september 2006 vrijwillig op de forensische jeugdpsychiatrische kliniek. Het betreft een gastplaatsing in afwachting van de mogelijkheid tot plaatsing op de gesloten jeugdafdeling van De Bascule. Betrokkene lijdt aan een paranoïde psychose met wanen en hallucinaties waardoor hij zeer angstig is. Hij wordt behandeld met zware medicijnen. Onverwachtse en spanningvolle gebeurtenissen zijn voor hem contra geïndiceerd in verband met verergering van de psychotische klachten. Vandaar dat wij het medisch psychiatrisch niet verantwoord vinden dat hij morgen op zitting verschijnt.”

4.20 De op 15 september 2006 geplande zitting is naar aanleiding van het voornoemde verzoek van de gemachtigde van verzoeker door de rechtbank verdaagd tot een nader te bepalen datum.

4.21 Tijdens de nader bepaalde zitting van 20 oktober 2006 is komen vast te staan dat verzoeker nog altijd in “de Bascule” verblijft, thans op de gesloten afdeling.

5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de asielaanvraag van verzoeker op zorgvuldige wijze binnen 48 procesuren in het AC kon worden afgedaan, omdat uit het advies van de forensisch arts van de GGD van 3 september 2006 blijkt dat verzoeker kon worden gehoord en in staat was coherent te verklaren. Dit terwijl geen redenen bestonden om te twijfelen aan de deskundigheid van de arts en – zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht – gedurende de AC-procedure ook overigens geen aanleiding bestond om – in afwijking van het advies van de forensisch arts van 3 september 2006 – verzoeker na dat advies niet nader te horen. Verweerder heeft hierbij met name gewezen op de geldigheidsduur van het betreffende medisch advies tot 7 september 2006. Voorts is namens verweerder ter zitting betoogd dat ook nadien niet van omstandigheden is gebleken op basis waarvan verweerder heeft moeten concluderen dat het nader gehoor en het aanvullend nader gehoor, die respectievelijk gedeeltelijk en geheel na het advies hebben plaatsgevonden, vanwege medische redenen niet aan de besluitvorming ten grondslag konden worden gelegd. Ter onderbouwing van dit standpunt is aangevoerd dat de rapporten die van de nadere gehoren zijn opgemaakt, geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat verzoeker de hem bij de gehoren gestelde vragen niet heeft begrepen of om medische redenen niet in staat was deze te beantwoorden.

6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag, gelet op de vereiste zorgvuldigheid, niet binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen, gezien verzoekers psychische gesteldheid en de omvang van de gehoren, alsmede gezien het feit dat de twee vorenstaande omstandigheden in combinatie met de beperkte beschikbaarheid van een tolk ertoe hebben geleid dat geen adequate rechtshulp in slechts 48 uur aan verzoeker kon worden geboden.

7. Ten aanzien van de voorliggende vraag of verweerder met de afdoening van verzoekers asielaanvraag binnen de AC-procedure voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, oordeelt de voorzieningenrechter allereerst dat dit, gelet op de aard van de zaak, niet het geval is. De voorzieningenrechter acht daartoe redengevend dat de zaak van verzoeker zich niet voldoende snel liet overzien om de aanvraag binnen een tijdsbestek van 48 procesuren af te doen. Daarbij is onder andere de zeer uitvoerige vraagstelling van verweerder in aanmerking genomen, hetgeen zijn neerslag heeft gevonden in de rapporten van de diverse gehoren, die in totaal veertig pagina’s beslaan. In dit verband moet overigens nog worden benadrukt dat verweerder in deze zaak niet slechts een eerste gehoor en nader gehoor heeft afgenomen, doch ook een aanvullend nader gehoor noodzakelijk heeft geacht.

8. Ten aanzien van de vraag of verweerder ook vanwege de psychische gesteldheid van verzoeker onzorgvuldig heeft gehandeld door de asielaanvraag van verzoeker binnen 48 procesuren af te doen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

8.1 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 februari 2006 (200600404/1) stelt de voorzieningenrechter voorop dat in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van een advies dat voorafgaand aan een gehoor is uitgebracht door een arts van de GGD, waarin is geconcludeerd dat tegen het horen van de betreffende vreemdeling geen medische bewaren bestaan. Dit betekent dat verweerder zijn beslissing op een asielaanvraag in beginsel kan baseren op gehoren, die zijn afgenomen na het betreffende advies en binnen de geldigheidsduur van dat advies vallen.

8.2 Gelet op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval is de voorzieningenrechter evenwel van oordeel dat verweerder in de voorliggende zaak aanleiding had moeten zien om van het vorenstaande uitgangspunt af te wijken, in die zin dat hij niet zonder meer van het medisch advies van 3 september 2006 had mogen uitgaan. Hiertoe acht de voorzieningenrechter met name de navolgende omstandigheden – zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 8.3, 8.4 en 8.5 – van belang.

8.3 Vaststaat dat verzoeker tijdens de 48-uursprocedure zes keer is gezien door een arts van de GGD, althans een verpleegkundige van de GGD onder raadpleging van een arts, waarbij telkens de vraag centraal stond of verzoeker medisch in staat was nader te worden gehoord en daarbij coherent te verklaren. Zoals ter zitting desgevraagd niet door de gemachtigde van verweerder (gemotiveerd) is weersproken, waren (in ieder geval) vier van de zes voornoemde consulten op initiatief van verweerder. Van die vier consulten heeft er één plaatsgevonden na het tot 7 september 2006 geldende advies van de forensisch arts van 3 september 2006. Uit het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder kennelijk meermalen aanleiding heeft gezien om, onder andere ook na en niettegenstaande het voornoemde advies van 3 september 2006, advies in te winnen over de vraag of verzoeker medisch in staat was nader te worden gehoord. Verder blijkt uit het rapport van het nader gehoor dat verweerder het bij aanvang van dat gehoor vanwege verzoekers onrustige gedrag noodzakelijk heeft geacht om het betreffende gehoor in het bijzijn van een bewaker te laten plaatsvinden. Dit alles terwijl uit de naar aanleiding van de diverse gehoren opgemaakte rapporten blijkt dat verzoekers psychische toestand ook tijdens de gehoren uitdrukkelijk aan de orde is gesteld. Zo stelt de voorzieningenrechter op basis van de betreffende rapporten vast dat tijdens de gehoren verschillende malen expliciet aan verzoeker is gevraagd hoe het met hem ging en of hij in staat was om het betreffende gehoor voort te zetten, waarop verzoeker meerdere keren heeft geantwoord dat hij (onder andere) last had van (zware) hoofdpijnen. Bovendien blijkt uit het rapport van het nader gehoor, zoals weergegeven onder 4.6, dat het nader gehoor op 3 september 2006 gedurende enkele uren is onderbroken vanwege verzoekers psychische toestand, die zich onder meer uitte in een hevige en aanhoudende huilbui.

8.4 Voorts acht de voorzieningenrechter bij zijn voornoemde oordeel dat verweerder niet zonder meer van het medisch advies van 3 september 2006 had mogen uitgaan, van belang dat reeds na het eerste gehoor en overigens ook na het aanvullend nader gehoor expliciet door de (toenmalig) gemachtigde van verzoeker is gesignaleerd dat verzoekers psychische gesteldheid een afhandeling van verzoekers asielaanvraag binnen de AC-procedure in de weg stond en dat onder andere om die reden aan verweerder is verzocht de aanvraag van verzoeker buiten de 48-uursprocedure af te doen. Dit klemt te meer, nu ook door de forensisch arts bij zijn advies van 3 september 2006 is aangegeven dat niet kon worden uitgesloten dat verzoeker aan ptss lijdt.

8.5 Tot slot neemt de voorzieningenrechter in dit kader in aanmerking dat minder dan twee uur voorafgaand aan het uitreiken van de beschikking op 5 september 2006 vanwege verzoekers psychische gesteldheid een spoedverwijzing naar het AMC voor de daarop volgende dag is afgegeven, terwijl verzoeker enkele uren na de uitreiking van de beschikking vervroegd op een psychiatrische afdeling van het AMC is opgenomen, alwaar hij thans, anderhalve maand later, nog altijd in verband met ernstige psychische klachten wordt behandeld.

8.6 Op basis van het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder, gelet op verzoekers psychische gesteldheid ten tijde van de 48-uursprocedure, niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld door, in ieder geval zonder advisering van een medisch specialist op dit gebied, verzoekers aanvraag binnen 48 procesuren af te doen.

9. Vorenstaande conclusies klemmen naar het oordeel van de voorzieningenrechter te meer gezien de belasting die verweerders handelwijze voor verzoeker met zich heeft gebracht. Hierbij benadrukt de voorzieningenrechter dat de gehoren van verzoeker in totaal nagenoeg vier werkdagen in beslag hebben genomen, terwijl verzoeker tussendoor ook diverse malen een arts, althans een verpleegkundige van de GGD, heeft moeten bezoeken en met zijn advocaat heeft moeten overleggen. Bovendien mag in dit opzicht niet onderbelicht blijven dat verzoeker ten tijde van de AC-procedure pas zeventien jaar oud was.

10.1 Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder verzoekers asielaanvraag evenmin zorgvuldig binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen, nu hij de gemachtigde van verzoeker daarmee niet voldoende gelegenheid heeft geboden om adequate rechtshulp aan verzoeker te kunnen bieden. Hieraan legt de voorzieningenrechter ten grondslag dat in de AC-procedure korte termijnen gelden, terwijl de met verzoeker te bespreken rapporten van de nadere gehoren (zeer) omvangrijk waren en het, met name ook vanwege verzoekers psychische problemen, niet mogelijk bleek te zijn om zonder onderbrekingen de betreffende rapporten met hem door te nemen. Verweerder heeft in dit kader aangevoerd dat aan de gemachtigde van verzoeker allereerst anderhalf uur extra tijd is geboden om de correcties en aanvullingen op de nadere gehoren en de zienswijze op het voornemen in te dienen en dat daarnaast de klok voor het indienen van de voornoemde correcties, aanvullingen en zienswijze gedurende twee uur is “stilgezet” vanwege het feit dat geen tolk beschikbaar was en overleg tussen verzoeker en de gemachtigde derhalve niet mogelijk was. De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat het stilzetten van de klok geen verruiming van enige termijn voor rechtshulp is. Het uitstel van anderhalf uur is dat wel. Met name echter gelet op de omvang van de rapporten en de psychische gesteldheid van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze beperkte verruiming van de termijn voor de indiening van de zienswijze en de reacties op de gehoren in het onderhavige geval niet toereikend is om tot de conclusie te komen dat in het voorliggende geval voldoende adequate rechtshulp kon worden geboden. Onweersproken is gebleven dat de gemachtigde van verzoeker bij het bespreken van het nader gehoor met verzoeker niet verder dan pagina 13 (van 23 pagina’s) van het rapport van het nader gehoor heeft kunnen komen, hetgeen de voorzieningenrechter in het licht van het vorenstaande begrijpelijk acht. Hierbij merkt de voorzieningenrechter overigens nog op dat de voornoemde verruiming van de termijn was ingegeven door de gemachtigde van verzoeker zelf, terwijl verweerder nadere verzoeken om uitstel van de zijde van verzoeker heeft afgewezen.

10.2 Voorts overweegt de voorzieningenrechter nog dat verweerder ten tijde van het uitreiken van de bestreden beschikking op 5 september 2006 om 16.13 uur ervan op de hoogte was dat verzoeker vanwege zijn psychische problemen met spoed in het AMC zou worden opgenomen. Alhoewel het strikt genomen buiten het AC-kader valt, merkt de voorzieningenrechter ten overvloede op dat verweerder zich op het moment van de uitreiking van de beschikking, gelet op de voornoemde spoedverwijzing vanwege verzoekers psychische klachten, had moeten afvragen of en zo ja, in hoeverre verzoeker na de uitreiking van de beschikking in staat zou zijn om binnen de bij de AC-procedure geldende (beroeps)termijnen (eventuele) rechtsmiddelen ten aanzien van de beschikking aan te wenden en met het oog daarop met zijn gemachtigde te overleggen.

11. Gelet op de bovenstaande aspecten, zowel afzonderlijk, als in onderlinge samenhang bezien, concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet op zorgvuldige wijze binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen.

12. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter ziet in de voorliggende zaak geen aanleiding thans uitspraak in de hoofdzaak te doen. In aanmerking is hierbij genomen hetgeen de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft betoogd, te weten dat uit medisch oogpunt een snelle afdoening van het beroep weliswaar wenselijk wordt geacht, maar dat vanuit het oogpunt van adequate rechtsbijstand in beroep een groot belang is gelegen bij het inhoudelijk kunnen overleggen met verzoeker. Voorts heeft verzoeker evenmin ten overstaan van de voorzieningenrechter kenbaar kunnen maken wat zijn visie is op het besluit.

13. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek dat ertoe strekt verzoekers uitzetting te verbieden, zolang niet op het beroep zal zijn beslist, toe te wijzen.

14. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:84, vierde lid, jo artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op € 644,= (1 punt voor het indienen van het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,=, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek toe en bepaalt derhalve dat verzoekers uitzetting wordt verboden zolang niet op het beroep tegen de beschikking van 5 september 2006 is beslist;

- veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 644,= (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 26 oktober 2006 door mr. K. Mans, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.I. Panday, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: LW

Coll.:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.