Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2546

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2006
Datum publicatie
17-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/55333
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:AZ7477, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / trage besluitvorming / artikel 119, tweede lid, Vw 2000.

Op 27 oktober 1999 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 8 januari 1999. In het besluit van 18 december 2001 is het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om toelating als vluchteling aangemerkt als bezwaar tegen het niet inwilligen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de Vw 2000 en is dit bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft betoogd dat nu sprake is van een beslissing op bezwaar artikel 82 Vw 2000, gelet op artikel 119, tweede lid, aanhef en onder b, Vw 2000, niet van toepassing is. De rechtbank overweegt dat het besluit van 18 december 2001 weliswaar een beslissing op bezwaar is, maar dat daarin voor de eerste maal op de asielaanvraag van eiser is beslist. Een redelijke uitleg van artikel 119, tweede lid, aanhef en onder b, Vw 2000 brengt met zich mee dat, daar waar het gaat om het opbouwen van tijdsverloop op grond van het driejarenbeleid, voornoemd artikel niet zo ver kan strekken dat artikel 82 Vw 2000 niet van toepassing is, nu er geen sprake is van een onder de oude Vreemdelingenwet genomen materiële beslissing op de aanvraag. Een onverkorte toepassing van artikel 119, tweede lid, aanhef en onder b, Vw 2000 zou ertoe leiden dat eiser, door op te komen tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag na afloop van de beslistermijn, in een onevenredig nadeliger positie zou komen te verkeren ten opzichte van een vreemdeling die niet ageert tegen te trage besluitvorming. De rechtbank acht hierbij van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 31 juli 2003 het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2003 niet-ontvankelijk heeft verklaard en zich niet op grond van artikel 120 Vw 2000 onbevoegd heeft verklaard. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/55333

V-nr: 030.301.4175

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1970, van Iraanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M. Kristel, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 31 oktober 2003 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen de fictieve ambtshalve weigering van verweerder om eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “tijdsverloop in de asielprocedure” te verlenen. Bij beroepschrift van 13 januari 2004 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van 31 oktober 2003. Bij uitspraak van 9 februari 2004 (AWB 04/1801) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar, dit beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat verweerder binnen zes weken een besluit op het bezwaar dient te nemen.

2. Bij beroepschrift van 25 maart 2004 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 31 oktober 2003. Bij besluit van 22 april 2004 heeft verweerder het bezwaar van 31 oktober 2003 ongegrond verklaard. Op grond van artikel 6:20 van de Awb wordt het beroep van 25 maart 2004 geacht (mede) te zijn gericht tegen het besluit van 22 april 2004. Bij uitspraak van 18 april 2005 (AWB 04/14215) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar, het beroep van 25 maart 2005 tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 25 oktober 2003 gegrond verklaard en het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 april 2004 ongegrond verklaard.

3. Bij hoger beroepschrift van 23 mei 2005 heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Bij uitspraak van 25 november 2005 (200504470/1) heeft de AbRS het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 18 april 2005 voor zover het beroep tegen het besluit van 22 april 2004 ongegrond is verklaard vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaard, het besluit van 22 april 2004 voor zover het door eiser gemaakte bezwaar ontvankelijk is geacht en ongegrond is verklaard vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak van de AbRS in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd. Bij deze uitspraak van de AbRS is tevens bepaald dat het tegen het besluit van 22 april 2004 gerichte beroepschrift aan verweerder wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift tegen de in dat besluit vervatte weigering tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

4. Bij beroepschrift van 8 december 2005 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2004. Bij besluit van 7 december 2005, verzonden op 8 december 2005 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Het beroep van 8 december 2005 wordt ingevolge artikel 6:20 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 december 2005. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 9 december 2005. Op 6 januari 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 7 februari 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 17 februari 2006.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2006. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser is naar eigen zeggen op 5 januari 1999 Nederland binnengekomen. Eiser heeft op 8 januari 1999 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op 27 oktober 1999 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 8 januari 1999. In het besluit van 18 december 2001 is het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om toelating als vluchteling aangemerkt als bezwaar tegen het niet inwilligen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de Vw 2000 en is dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 juni 2003 (AWB 02/2985) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar, het beroep tegen het besluit van 18 december 2001 ongegrond verklaard. Bij hoger beroepschrift van 3 juli 2003 heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de AbRS. Bij uitspraak van 31 juli 2003 (200304370/1) heeft de AbRS het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het driejarenbeleid.

In het als bezwaarschrift doorgestuurde beroepschrift heeft eiser aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord. Nu het besluit van 22 april 2004 ingevolge de uitspraak van de AbRS is aan te merken als een beslissing in primo behoeft deze bezwaargrond, gelet op het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb, dat ziet op de beslissing op bezwaar, geen bespreking. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is eiser niet gehoord naar aanleiding van het als bezwaarschrift doorgestuurde beroepschrift.

Artikel 119, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt dat artikel 82 van de Vw 2000 niet van toepassing is op een op bezwaar genomen besluit. Niet van belang is of deze beslissing voor of na 1 april 2001 is genomen. Eiser had, mede gelet op de op het voorblad bij het besluit van 18 december 2001 vermelde informatie, gedurende de beroepstermijn geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vw 2000.

De stelling dat het besluit van 18 december 2001 een primaire beslissing op eisers aanvraag betrof, wordt niet gevolgd. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2003, waarin dit besluit impliciet als beslissing op bezwaar is aangemerkt.

Voor zover eiser zich beroept op de eenmalige regeling voor asielzoekers zoals weergegeven in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2003/38, baat dit eiser evenmin. De bevoegdheid om conform dit TBV een vergunning te verlenen was gebaseerd op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. Deze bevoegdheid op grond van artikel 3.6 van het Vb 2000 is op 15 mei 2004 komen te vervallen. Bovendien is de geldigheid van TBV 2003/38 na 31 december 2003 verstreken.

3. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Er is sprake van meer dan drie jaar relevant tijdsverloop. Artikel 119, tweede lid, van de Vw 2000 was in de asielprocedure van eiser niet van toepassing. Het rechtsmiddelensysteem van de Vw 2000 was van toepassing. Het besluit op het bezwaarschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag dateert van na de invoering van de Vw 2000. De daarin vervatte beslissing op eisers aanvraag moet tevens worden aangemerkt als een besluit in primo. Het beroep had om die reden wel schorsende werking op grond van artikel 82 van de Vw 2000.

Beslissend is wat hierover in de wet staat, niet wat verweerder in het besluit vermeldt (uitspraak AbRS van 28 september 2004, 200407296/1).

Hoger beroep is niet mogelijk als het gaat om een besluit op een bezwaarschrift, gericht tegen een besluit dat is bekendgemaakt onder de oude Vreemdelingenwet. Hoger beroep is slechts mogelijk als het besluit in primo is genomen na de inwerkingtreding van de Vw 2000.

Eiser verwijst naar de uitspraak van 28 oktober 2003 (200305786/1) waarin de AbRS het hoger beroep ontvankelijk heeft geacht. Hieruit moet worden geconcludeerd dat een fictieve weigering niet moet worden gelijkgesteld met een reëel besluit (verwezen wordt tevens naar de uitspraak van de AbRS van 3 december 1999, H01.97.1411), dat de beslissing op bezwaar van 18 december 2001 tevens een besluit in primo op de asielaanvraag was en dat artikel 82 van de Vw 2000 derhalve van toepassing was op de beroepsprocedure tegen dit primaire besluit op de aanvraag.

4. In het verweerschrift stelt verweerder zich onder 3.2 op het standpunt dat het besluit van 18 december 2001 als beslissing op bezwaar moet worden aangemerkt. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2003 waarin het besluit impliciet als beslissing op bezwaar is aangemerkt.

5. In zijn reactie op het verweerschrift heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder onder 3.2 van het verweerschrift een geheel nieuwe motivering aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Deze stelling dient buiten beschouwing te blijven, aldus eiser.

De stelling dat de rechtbank impliciet het besluit van 18 december 2001 aanmerkt als een besluit op bezwaar is onjuist. De rechtbank concludeert dat terecht een verblijfsvergunning is onthouden, niet dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

7. Ingevolge artikel 119, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is artikel 82 van de Vw 2000 niet van toepassing op een beroep tegen een op bezwaar genomen beslissing.

8. Op grond van het voorheen geldende artikel 3.6, aanhef en onder b, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag. Volgens hoofdstuk C2/9.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 moet de vreemdeling gedurende deze periode rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, van de Vw 2000 in afwachting van de beslissing op het beroepschrift gericht tegen de afwijzing van de aanvraag.

9. Krachtens hoofdstuk C2/9.4.2 van de Vc 2000 wordt er geen tijdsverloop meer opgebouwd vanaf de datum waarop de beslissing rechtens onaantastbaar wordt. Daarvan zal in beginsel sprake zijn vier weken na de datum waarop de beslissing, met inachtneming van de artikelen 3:40 en 3:41 van de Awb, in werking treedt, mits de vreemdeling binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing.

10. Uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 29 mei 2000 (Kamerstuk 1999-2000, 26732, nr. 44) en de tweede nota van wijziging van 31 mei 2000 (Kamerstuk 1999-2000, 26732, nr. 45) blijkt dat uit het tweede lid van artikel 119 van de Vw 2000 volgt dat er in asielzaken geen schorsende werking wordt toegekend aan een beroep indien niet alle besluiten in de procedure zijn genomen onder de Vw 2000. Dit om te voorkomen dat in zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 aanhangig zijn bij de rechtbanken, sprake zal zijn van relevant tijdsverloop voor het driejarenbeleid.

11. Vastgesteld wordt dat bij besluit van 18 december 2001 voor de eerste maal op de asielaanvraag van eiser is beslist. Weliswaar heeft het besluit de vorm van een beslissing op bezwaar, maar, mede gelet op de toelichting waarnaar hierboven onder III.10. wordt verwezen, brengt een redelijke uitleg van artikel 119, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 met zich mee dat daar waar het gaat om het opbouwen van tijdsverloop op grond van het driejarenbeleid voornoemd artikel niet zo ver kan strekken dat artikel 82 van de Vw 2000 in het onderhavige geval niet van toepassing is. Er is immers geen sprake van een onder de oude Vreemdelingenwet genomen materiële beslissing op de aanvraag. De rechtbank acht hierbij van belang dat de AbRS bij uitspraak van 31 juli 2003 het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2003 niet-ontvankelijk heeft verklaard en zich niet op grond van artikel 120 van de Vw 2000 onbevoegd heeft verklaard.

Eiser heeft in 1999 het hem toekomende rechtsmiddel aangewend om verweerder tot besluitvorming te dwingen, nadat deze de beslistermijn ongebruikt had laten verstrijken. Een onverkorte toepassing van artikel 119, tweede lid, van de Vw 2000 zou ertoe leiden dat eiser, door gebruik te maken van dit rechtsmiddel, dat niet heeft geleid tot materiële besluitvorming vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000, in een onevenredig nadeliger positie zou komen ten opzichte van een vreemdeling die niet ageert tegen te trage besluitvorming.

Daarom moet het er voor worden gehouden dat artikel 82 van de Vw 2000 ook in een bijzondere situatie als de onderhavige van toepassing was. De conclusie is dan ook dat eiser in de periode vanaf 8 januari 1999 tot 15 januari 2002 rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h en daarmee drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat artikel 119, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 van toepassing is en dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het driejarenbeleid omdat hij geen relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard wegens strijd met de wet, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

14. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,-- (zegge: honderd en achtendertig euro).

Gewezen door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier, en openbaar gemaakt op: 27 juni 2006.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 27juni 2006.

Conc: MSj

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.