Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2450

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
17-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/38920
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:AZ9663, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onherroepelijk asielbesluit / ruimte rechterlijke beoordeling van mede daarop gebaseerde besluit in amv-procedure.

Verweerder heeft de verlening van een verblijfsvergunning regulier geweigerd op de grond dat eiser het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvang in het land van herkomst frustreert. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het standpunt dat is ingenomen ten aanzien van eisers asielaanvraag, zoals neergelegd in het in rechte onaantastbare asielbesluit. Vastgesteld wordt dat, mede gelet op de formulering zoals gebezigd door de Afdelingsuitspraken 200408364 / 1 van 1 april 2005, 200502016/1 van 7 juni 2005, 200508767/1 van 10 februari 2006 en 200510190/1 van 21 april 2006, waarin is overwogen dat in beginsel aan de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat een verblijfsvergunning regulier te verlenen het besluit ten aanzien van de asielaanvraag ten grondslag ligt, er omstandigheden denkbaar zijn waaronder een uitzondering zou kunnen worden gemaakt op dit uitgangspunt. In het onderhavige geval heeft deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 21 december 2004 op het beroep van eiser gericht tegen het afwijzende asielbesluit een uitdrukkelijk oordeel over verweerders standpunt met betrekking tot de geloofwaardigheid van eisers verklaringen in het midden gelaten en uitsluitend de zwaarwegendheid van het door eiser naar voren gebrachte relaas beoordeeld. Daarbij is tevens van belang dat de Afdeling, nu het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, niet is getreden in een inhoudelijke toetsing van de in hoger beroep aangevochten uitspraak van de rechtbank. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke situatie niet kan worden aangemerkt als een uitzondering op voornoemd uitgangspunt. Niet zonder meer kan derhalve geconcludeerd worden dat de formele rechtskracht van het besluit in de asielprocedure zich tevens uitstrekt tot de overwegingen daarin met betrekking tot de geloofwaardigheid van het relaas. De rechtbank oordeelt dan ook dat voormeld uitgangspunt in het onderhavige geval niet in de weg staat aan een inhoudelijke toetsing van het standpunt van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheid. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/38920

V-nr: 200.750.2671

inzake: [eiser], naar gesteld geboren op [geboortedatum] 1986, van Afghaanse nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 14 juni 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 31 maart 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. In dit besluit heeft verweerder tevens ambtshalve overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling" (verder: amv). Bij bezwaarschrift van 23 april 2003 heeft eiser tegen dit besluit, voor zover het de weigering betreft hem een verblijfsvergunning regulier te verlenen, bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 23 juli 2003 ongegrond verklaard. Nadat tegen dit besluit bij beroepschrift van 18 augustus 2003 beroep is ingesteld bij de rechtbank, heeft verweerder op 28 november 2004 bericht dat is besloten om het besluit van 23 juli 2003 in te trekken. Eiser heeft vervolgens bij brief van 6 december 2004 het beroep ingetrokken.

2. Bij besluit van 2 augustus 2005 is het bezwaar van 23 april 2003 (opnieuw) ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 26 augustus 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 23 september 2005. Op 4 januari 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 23 februari 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 6 maart 2006.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A.B. van Steijn, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Omdat de gemachtigde van eiser, als gevolg van een gewijzigd zittingstijdstip, niet bij de behandeling ter zitting aanwezig kon zijn, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en bepaald dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen tijdstip.

4. Het onderzoek ter zitting is hervat op 30 augustus 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Bij uitspraak van 21 december 2004 (AWB 03/24568) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Breda, het namens eiser ingestelde beroep tegen het afwijzende asielbesluit van 31 maart 2003 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Het hoger beroep is door de Afdeling niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de afwijzing van eisers asielaanvraag onherroepelijk is geworden.

2.1. Op verzoek van verweerder is op 14 juni 2001 een leeftijdsonderzoek verricht. In het verslag naar aanleiding van dit leeftijdsonderzoek van 15 juni 2001 wordt geconcludeerd dat de leeftijdsopgave van eiser niet correct is. Deze is te laag gedaan.

2.2. Op 23 maart 2005 heeft een herbeoordeling van de röntgenfoto's ten behoeve van het leeftijdsonderzoek plaatsgevonden. In het verslag van deze herbeoordeling van 13 juni 2005 worden de conclusies uit het eerdere verslag gehandhaafd.

3. Op verzoek van verweerder heeft eveneens een taalanalyse plaatsgevonden. In het rapport van deze taalanalyse van 30 augustus 2001 wordt geconcludeerd dat eiser eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Afghanistan. Tevens wordt in dit rapport geconcludeerd dat eiser eenduidig oorspronkelijk afkomstig is uit Kabul, Afghanistan, maar dat eveneens duidelijk is dat eiser al enige jaren uit Kabul is vertrokken.

III. OVERWEGINGEN

1.1. Ter zitting is namens eiser een verzoek ingediend om de behandeling van het onderhavige beroep te schorsen teneinde eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en aangegeven zich nader te zullen beraden over de vraag of, conform het ter zitting gedane verzoek door eiser, aanleiding bestaat eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen. De rechtbank ziet zich derhalve allereerst gesteld voor de vraag of aanleiding bestaat om het onderzoek te heropenen teneinde eiser deze gelegenheid te bieden.

1.2. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest en is derhalve van oordeel dat geen aanleiding bestaat tot heropening van het onderzoek. Daartoe acht zij in de eerste plaats van belang dat het verzoek om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te brengen eerst tijdens de behandeling ter zitting van het onderhavige beroep, derhalve in het allerlaatste stadium van de procedure, is gedaan. Voorts is het betreffende verzoek op het moment van indiening daarvan niet gemotiveerd. In dit verband is onvoldoende gebleken dat inwilliging van het verzoek van eiser daadwerkelijk zal leiden tot de overlegging van stukken die van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling van het voorliggende beroep en ook bij deze beoordeling kunnen worden betrokken. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser noch zijn gemachtigde ter zitting concreet heeft kunnen duiden welke stukken zullen worden overgelegd en op welke wijze deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het thans voorliggende beroep. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om te besluiten tot een heropening van het onderzoek en zal dan ook, op basis van de in het dossier aanwezige stukken, overgaan tot een beoordeling van de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

3.1. Artikel 3.6, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, slechts ambtshalve kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als amv. Ingevolge artikel 3.56, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan deze verblijfsvergunning worden verleend aan de amv wiens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 van de Vw 2000.

3.2. In hoofdstuk C2/7 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het voorgaande nader uitgewerkt. Volgens paragraaf C2/7.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dient te worden beoordeeld of de amv adequate opvang behoeft en of er adequate opvang bij terugkeer beschikbaar is. Alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die tijdens de procedure mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier als amv. Hiervan is sprake als de vreemdeling - ook los van de context van het totale asielrelaas - ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of indien hij vage, summiere verklaringen aflegt en zaken verzwijgt (de zogeheten “jokkende en zwijgende amv’s”) omtrent identiteit, nationaliteit of opvang. Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de vreemdeling het onderzoek frustreert. Bij het beoordelen of er sprake is van “jokken” of “zwijgen” wordt rekening gehouden met druk, traumata, de geestelijke ontwikkeling en de leeftijd van de vreemdeling. Van een kind kan immers niet altijd dezelfde mate van volledigheid en gedetailleerdheid worden verwacht als van een volwassene.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf als amv". Dit standpunt heeft verweerder met name gebaseerd op het standpunt zoals ingenomen tijdens de asielprocedure van eiser, waarin is geconcludeerd tot ongeloofwaardigheid van het relaas. Daaraan heeft verweerder - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Eiser beschikt toerekenbaar niet over (reis)documenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Voorts wordt op grond van het leeftijdsonderzoek getwijfeld aan de door eiser opgegeven leeftijd. Ook zijn bij verweerder, gezien de uitslag van de taalanalyse, twijfels gerezen ten aanzien van de verklaringen van eiser over zijn verblijf in Kabul, waarbij verweerder de reactie van het Bureau Taalanalyse heeft betrokken. Verweerder twijfelt verder aan de gestelde datum van vertrek uit Afghanistan en heeft in het kader van eisers asielprocedure ten slotte overwogen dat de wisselende verklaringen van eiser over zijn naam bevreemding wekken.

In het kader van de onderhavige reguliere procedure heeft verweerder overwogen dat, nu eiser tijdens de asielprocedure ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvang in het land van herkomst niet mogelijk is, hetgeen voor rekening en risico van eiser dient te komen. Uit de taalanalyse is gebleken dat eiser de laatste jaren voor zijn komst naar Nederland, in tegenstelling tot hetgeen hij heeft verklaard, niet in Kabul heeft verbleven. Hieruit wordt de conclusie getrokken dat eiser zaken omtrent zijn identiteit en adresgegevens verzwijgt en derhalve het onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst frustreert. Voorts is (ook) uit het herhaalde leeftijdsonderzoek van 13 juni 2005 gebleken dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag een te lage leeftijd heeft opgegeven.

5. Eiser heeft aan het beroep ten grondslag gelegd dat verweerder ten onrechte de verlening van een

verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf als amv" heeft geweigerd. Verweerder heeft aan eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij het onderzoek naar adequate opvang frustreert. Er is sprake van een geloofwaardig asielrelaas. Eiser heeft voorts het resultaat van het leeftijdsonderzoek gemotiveerd betwist en heeft in beroep documenten overgelegd waaruit blijkt dat eiser erop mocht vertrouwen dat de mededelingen die hem zijn gedaan over zijn leeftijd juist waren. Eiser heeft naar beste weten over zijn leeftijd verklaard. Bovendien hoeft het gegeven dat eiser zijn geboortedatum niet weet geen bevreemding te wekken, nu de Pashtun geen verjaardagen vieren. Gezien de jonge leeftijd van eiser ten tijde van zijn vertrek valt tevens te verklaren waarom hij niet precies alles weet over de meest recente gebeurtenissen in zijn land van herkomst. Met betrekking tot het leeftijdsonderzoek is voorts van belang dat hieruit weliswaar is gebleken dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag zestien jaar of ouder was, maar dat het beleid inzake amv’s niet enkel betrekking heeft op minderjarigen beneden de leeftijd van zestien jaar. Van belang is dat eiser blijkens het leeftijdsonderzoek minderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag.

De uitslag van de taalanalyse kan voorts niet ten grondslag worden gelegd aan het besluit in de onderhavige reguliere procedure, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat eiser het onderzoek naar opvang in het land van herkomst frustreert. De uitslag van de taalanalyse bevestigt immers eisers verklaringen dat hij afkomstig is uit Kabul. Dat eiser wellicht in historisch opzicht onvolledige verklaringen heeft afgelegd doet daar niet aan af.

Voor eiser is geen deugdelijke opvang aanwezig in het land van herkomst. Daaraan heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende aandacht besteed. Mede gelet op de humanitaire situatie in Afghanistan is terugkeer voor eiser niet mogelijk.

Eiser is ten slotte van mening dat hij ten onrechte niet is gehoord op zijn bezwaar.

6. Overwogen wordt dat het aan verweerder is om te beoordelen of op grond van de door de vreemdeling naar voren gebrachte feiten en omstandigheden aanleiding bestaat een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 te verlenen. Eerst indien is vastgesteld dat daarvoor geen grond bestaat, zal verweerder vervolgens beoordelen of aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, aanhef en onder e, van de Vw 2000 onder een beperking “verblijf als amv” te verlenen. Aan de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat een verblijfsvergunning regulier te verlenen ligt aldus in beginsel het besluit van verweerder ten aanzien van de asielaanvraag, met inbegrip van de overwegingen waarop dat berust, ten grondslag. Wanneer het besluit tot afwijzing van een asielaanvraag in rechte onaantastbaar is geworden, kan niet in het kader van de beoordeling van het besluit tot weigering een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf als amv” te verlenen alsnog een inhoudelijk oordeel worden gegeven over de overwegingen zoals deze zijn opgenomen in het asielbesluit en mede ten grondslag zijn gelegd aan het besluit tot weigering van een verblijfsvergunning regulier. Zo kan, bijvoorbeeld in het geval dat het afwijzende asielbesluit mede is gebaseerd op het resultaat van een leeftijdsonderzoek, niet in de beroepsprocedure gericht tegen het besluit tot weigering van een verblijfsvergunning regulier alsnog een oordeel worden gegeven over deze uitslag die redengevend is geweest voor het standpunt van verweerder over de geloofwaardigheid. In dit verband wordt door de rechtbank verwezen naar hetgeen de Afdeling heeft overwogen in - onder meer - de uitspraken van 1 april 2005 (JV 2005/223), 7 juni 2005 (JV 2005/293), 10 februari 2006 (200508767/1) en 21 april 2006 (200510190/1).

7.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het onderhavige geval de verlening van een verblijfsvergunning regulier heeft geweigerd op de grond dat eiser het onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvang in het land van herkomst frustreert. Zoals uit het bovenstaande blijkt heeft verweerder zich hierbij gebaseerd op het standpunt dat is ingenomen ten aanzien van eisers asielaanvraag, waarbij verweerder aan eiser artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 alsmede het afleggen van ongeloofwaardige verklaringen heeft tegengeworpen. In dit verband zijn voor verweerder de resultaten van het leeftijdsonderzoek en van de taalanalyse met name van betekenis geweest. De rechtbank stelt voorts vast dat het afwijzende asielbesluit van 31 maart 2003 in rechte onaantastbaar is geworden. Gezien het voorgaande, dient de rechtbank, alvorens over te kunnen gaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep, te bezien in hoeverre thans ruimte bestaat voor een rechterlijke beoordeling van het in het asielbesluit neergelegde standpunt van verweerder ten aanzien van de geloofwaardigheid, dat mede ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

7.2. Zoals uit het bovenstaande blijkt en ook door de Afdeling in de genoemde uitspraken is overwogen, dient van het in rechte onaantastbare besluit in de asielprocedure, en de overwegingen waarop dat rust, in de daaropvolgende reguliere procedure te worden uitgegaan. De formele rechtskracht van het besluit in de asielprocedure brengt immers met zich dat dit besluit en de daarin opgenomen overwegingen niet nogmaals in rechte aan de orde kunnen worden gesteld. De rechtbank stelt vast dat, mede gelet op de formulering zoals gebezigd door de Afdeling in de genoemde uitspraken, waarin is overwogen dat in beginsel aan de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat een verblijfsvergunning regulier te verlenen het besluit ten aanzien van de asielaanvraag ten grondslag ligt, er omstandigheden denkbaar zijn waaronder een uitzondering zou kunnen worden gemaakt op dit uitgangspunt. In het onderhavige geval acht de rechtbank van belang dat deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 21 december 2004 op het beroep van eiser gericht tegen het afwijzende asielbesluit een uitdrukkelijk oordeel over verweerders standpunt met betrekking tot de geloofwaardigheid van eisers verklaringen in het midden heeft gelaten en uitsluitend de zwaarwegendheid van het door eiser naar voren gebrachte relaas heeft beoordeeld. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat de Afdeling, nu het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, nimmer is getreden in een inhoudelijke toetsing van de in hoger beroep aangevochten uitspraak van de rechtbank. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke situatie niet kan worden aangemerkt als een uitzondering op voornoemd uitgangspunt. Nu, gezien het voorgaande, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat de formele rechtskracht van het besluit in de asielprocedure zich tevens uitstrekt tot de overwegingen daarin met betrekking tot de geloofwaardigheid van het relaas, is de rechtbank van oordeel dat voormeld uitgangspunt in het onderhavige geval niet in de weg staat aan een inhoudelijke toetsing van het standpunt van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheid. Derhalve zal de rechtbank tot een inhoudelijke toetsing van dat standpunt overgaan.

8.1. De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, en dat hij ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Op grond daarvan heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst heeft gefrustreerd.

8.2. Daartoe wordt overwogen dat eiser het standpunt van verweerder dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd in genoemde zin niet heeft bestreden. Reeds hierom kan dit standpunt van verweerder in rechte stand houden. Volgens het toepasselijke beleid in paragraaf C2/7.4.1 van de Vc 2000 kan deze omstandigheid reeds leiden tot de conclusie dat eiser het onderzoek frustreert.

8.3. Verweerder heeft voorts in redelijkheid aan eiser kunnen tegenwerpen dat, gelet op de uitslag van het leeftijdsonderzoek en de herbeoordeling hiervan, eiser een onjuiste leeftijdsopgave heeft gedaan en verweerder heeft deze omstandigheid derhalve terecht betrokken bij de conclusie dat eiser het onderzoek naar de opvangmogelijkheden in zijn land van herkomst frustreert. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de door eiser in beroep overgelegde documenten ter nadere onderbouwing van zijn leeftijd, voor zover deze zijn aan te merken als een nadere onderbouwing van de eerder door eiser naar voren gebrachte stelling dat hij naar beste weten over zijn leeftijd heeft verklaard, niet leiden tot een ander oordeel, nu ook hieruit een andere leeftijd naar voren komt dan door eiser opgegeven. Deze stukken kunnen derhalve niet dienen ter onderbouwing van eisers verklaringen met betrekking tot zijn leeftijd.

8.4. Verweerder heeft voorts terecht betekenis toegekend aan het feit dat bij de taalanalyse is geconcludeerd dat eiser, in strijd met hetgeen hij daarover heeft verklaard, al enige jaren geleden uit Kabul moet zijn vertrokken. Hiertoe wordt overwogen dat volgens vaste jurisprudentie het verrichten van een taalanalyse dient te worden beschouwd als een tegemoetkoming van verweerder aan de vreemdeling bij het aannemelijk maken van zijn relaas, indien twijfel gerezen is over zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder mag in beginsel van de resultaten van een taalanalyse uitgaan. Indien een taalanalyse de twijfel over de identiteit en nationaliteit niet wegneemt, is het aan de vreemdeling om een contra-expertise te laten uitvoeren. Het plaatsen van kritische kanttekeningen is in beginsel onvoldoende om verweerder te verplichten tot een nieuwe taalanalyse, dan wel op dit punt een andere conclusie te rechtvaardigen. In het onderhavige geval heeft eiser volstaan met het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de taalanalyse en is een contra-expertise achterwege gebleven. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor twijfel aan de juistheid van het resultaat van de taalanalyse.

8.5. Ten slotte heeft verweerder bij het voorgaande terecht in aanmerking genomen dat eiser met betrekking tot het moment van binnenkomst van de Taliban in Kabul, zonder daartoe een afdoende verklaring te hebben gegeven, een verklaring heeft afgelegd die een aantal jaren afwijkt van het daadwerkelijke moment van die binnenkomst.

9. Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en heeft verweerder, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, terecht afgezien van het horen van eiser. De stelling van eiser in beroep op dit punt slaagt derhalve niet.

10. Nu verweerder terecht heeft afgezien van verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf als amv" aan eiser, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

11. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2006 door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: SaS

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.