Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2143

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2006
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/32574, 06/14685
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BA6309, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning / onjuiste gegevens / wijziging geboortejaar.

Verweerder heeft de aan de eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinsvorming met echtgenoot’ met terugwerkende kracht per 18 december 1998 ingetrokken, nu eiseres bij haar aanvraag geen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat de arrondissementsrechtbank van Emirdag te Turkije haar geboortejaar had gewijzigd van 1983 in 1980. Eerst in de gronden van bezwaar, gericht tegen het besluit waarbij de aanvraag tot het wijzigen van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de beperking ‘voortgezet verblijf’ is afgewezen, heeft eiseres naar voren gebracht dat zij eigenlijk in 1983 is geboren, maar dat voor haar een verzoek tot wijziging van haar leeftijd is ingediend, omdat zij ouder dan achttien jaar moest zijn om te kunnen trouwen en om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat voor haar leeftijd moet worden afgegaan op het officiële Turkse vonnis. Afgezien van de vraag of het in Turkije gebruikelijk is om een geboortedatum vanwege onbetrouwbare bevolkingsregisters op een later moment te corrigeren, heeft eiseres zelf verklaard dat de reden voor de wijziging van haar geboortedatum gelegen was in de mogelijkheid om te kunnen trouwen. Deze verklaring heeft eiseres niet herroepen. De omstandigheid dat het verzoek tot het wijzigen van de geboortedatum namens eiseres is ingediend, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft immers verklaard dat zij bij de zitting van de arrondissementsrechtbank van Emirdag aanwezig was, zodat zij van de wijziging van haar geboortedatum op de hoogte moet zijn geweest. Nu eiseres volgens haar eigen verklaringen ten tijde van de oorspronkelijke aanvraag minderjarig was, zou de aan eiseres verleende verblijfsvergunning blijkens paragraaf B1/1.1.2.1 Vc-1994 niet zijn verleend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning derhalve met terugwerkende kracht per 18 december 1998 kunnen intrekken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr. : AWB 05/32574 en AWB 06/14685

V-nummer [v-nummer]

Inzake : [eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. E.J.M. Habets, advocaat te Schiedam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, voorheen de Staatssecretaris van Justitie,

gemachtigde mr. C.M. de Koning.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1980, bezit de Turkse nationaliteit. Zij is, nadat aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf is verstrekt, op 15 december 1998 Nederland binnengekomen. Sinds die datum verblijft zij als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 18 december 1998 is eiseres in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf onder de beperking ‘gezinsvorming met echtgenoot O. Kat’, met een geldigheidsduur tot 18 december 1999, laatstelijk verlengd tot 6 juli 2001. Op 26 september 2000 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de aan haar verleende vergunning tot verblijf in de beperking ‘Turks voortgezet verblijf’. Op 26 september 2000 is eiseres in het bezit gesteld van de gevraagde vergunning, met een geldigheidsduur tot 6 juli 2001.

2. Op 5 februari 2001 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de aan haar verleende vergunning in de beperking ‘humanitaire redenen’. Bij brief van 29 november 2001 is eiseres in de gelegenheid gesteld om een nieuwe beperking zoals neergelegd in artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) aan te geven, nu ‘humanitaire redenen’ geen verblijfsdoel als vorenbedoeld is. Bij schrijven van 5 december 2001 heeft eiseres aangegeven dat zij in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Bij besluit van 5 februari 2002 is deze aanvraag afgewezen. Bij brief van 1 maart 2002, aangevuld bij brieven van 2 mei 2002, 27 februari 2003 en 25 april 2003 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 juli 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres op 6 augustus 2003 beroep ingesteld. Op diezelfde dag heeft eiseres de rechtbank eveneens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 1 maart 2004 heeft verweerder het besluit van 16 juli 2003 ingetrokken. Bij brief van 3 maart 2004 heeft eiseres het door haar ingestelde beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Op 15 april 2004 is eiseres gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit van 14 september 2004 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en heeft hij tevens de aan eiseres verleende verblijfsvergunning met ingang van de datum van eerste verlening, te weten 18 december 1998, ingetrokken. Tegen dit besluit, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, heeft eiseres op 7 oktober 2004 beroep ingesteld. Op diezelfde dag heeft eiseres tegen het voornoemde besluit, voor zover daarbij haar verblijfsvergunning met ingang van 18 december 1998 is ingetrokken, bezwaar gemaakt. Op 19 mei 2005 is eiseres opnieuw gehoord door een ambtelijke commissie. Op 30 mei 2005 heeft verweerder de beschikking van 14 september 2004 ingetrokken. Bij besluit van 27 juni 2005 heeft verweerder het door eiseres ingestelde bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2002 opnieuw ongegrond verklaard.

3. Op 18 juli 2005 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiseres heeft de gronden van haar beroep op 22 augustus 2005 ingediend.

4. Bij afzonderlijk besluit van 27 juni 2005 heeft verweerder de aan eiseres verleende vergunning ingetrokken. Tegen dit besluit heeft eiseres op 18 juli 2005 bezwaar gemaakt. Op 22 maart 2006 heeft eiseres tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar beroep ingesteld. Bij besluit van 24 mei 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 26 juni 2006 heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 15 september 2006 een verweerschrift ingediend.

5. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Ter zitting is verschenen eiseres in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- of gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

1.2. Ingevolge artikel 14, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

1.3. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

1.4. Ingevolge artikel 19 van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b.

1.5. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 houden de in artikel 14, tweede lid, van de Wet bedoelde beperkingen onder meer verband met gezinshereniging of gezinsvorming.

1.6. Artikel 3.4, eerste lid, onder u, van het Vb 2000 vermeldt dat de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband kunnen houden met voortgezet verblijf.

1.7. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voorgezet verblijf kan ingevolge het bepaalde in artikel 3.51 van het Vb 2000 worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinsvorming.

1.8. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.52 van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voorgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van verweerder wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

1.9. In paragraaf B1/2.2.9 van de Vreemdelingencirculaire (hierna: de Vc) 2000 is het beleid ten aanzien van het verstrekken van onjuiste gegevens opgenomen.

1.10. Ingevolge hoofdstuk B1 onder 1 van de Vc 1994 kan de echtgenote van een Nederlander onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf. Hierbij geldt dat toelating in het kader van gezinsvorming mogelijk is indien beide echtgenoten achttien jaar of ouder zijn. Deze eis wordt door verweerder gesteld op grond van de overweging dat het wenselijk is het sluiten van huwelijken op jonge leeftijd (waaronder gedwongen uithuwelijking) vanwege strijdigheid met de Nederlandse openbare orde tegen te gaan.

1.11. Volgens paragraaf B2/13.2.4 van de Vc 2000, zal de vraag of inmenging in het recht op gezinsleven tussen de andere ouder en het kind op grond van het economisch welzijn gerechtvaardigd is, onder meer afhangen van de intensiteit van het gezinsleven tussen het kind en die andere ouder (de aard en de frequentie van de contacten, de naleving van een omgangsregeling, het leveren van bijdragen en dergelijke). Het gaat daarbij om de feitelijke situatie.

2.1. In het bestreden besluit van 24 mei 2006 stelt verweerder zich, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, op het standpunt dat eiseres bij de aanvraag om de vergunning tot verblijf op 18 december 1998 niet haar juiste leeftijd heeft opgegeven. Eiseres heeft op dat moment gegevens met betrekking tot haar leeftijd achtergehouden die later wel zijn overgelegd. Op 22 juli 1998 heeft de arrondissementsrechtbank van Emirdag in Turkije – blijkens het overgelegde vonnis – bepaald dat het geboortejaar van eiseres wordt gewijzigd van 1983 in 1980 met de voorwaarde dat de dag en de maand ongewijzigd blijven. Op de datum van de eerste toelatingsaanvraag was eiseres maximaal 16 jaar oud, zodat ingevolge het bepaalde in B1/1.1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 1994 reeds duidelijk is dat de verblijfsvergunning nooit zou zijn verleend indien eiseres bij haar aanvraag haar juiste leeftijd had vermeld. In de gronden van bezwaar van 2 mei 2002 is pas voor het eerst naar voren gekomen dat de leeftijd van eiseres anders was dan voorheen werd aangenomen dan wel dat niet met zekerheid vaststaat op welke datum eiseres is geboren. Op 15 april 2004 is door eiseres zelf tijdens een zitting van de ambtelijke commissie bevestigd dat haar geboortedatum is veranderd en dat zij feitelijk drie jaar jonger is dan de leeftijd die zij bij haar eerste aanvraag heeft vermeld. Derhalve kan niet worden volgehouden dat eiseres in werkelijkheid geboren is in 1980. Dat zij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel onjuiste gegevens heeft achtergehouden kan haar wel degelijk worden aangerekend. Het gebruik van een ‘Turkse leeftijd’ impliceert dat er ook een andere leeftijd is. Eiseres had deze andere leeftijd dienen te melden bij haar eerste toelatingsaanvraag. Eiseres was van deze andere leeftijd op de hoogte, te meer nu zij zelf aanwezig is geweest bij de zitting van de rechtbank in Turkije. Verweerder overweegt voorts dat weliswaar sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar kind, maar dat van een inmenging in het recht op eerbiediging daarvan geen sprake is. De vergunning tot verblijf op grond waarvan eiseres familie- en gezinsleven had, is immers met terugwerkende kracht per 18 december 1998 ingetrokken. Eiseres bezat derhalve geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 toen zij het familie- of gezinsleven aanving. Verder is niet gebleken van dusdanige bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor haar familie- of gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit haar hier te lande verblijf toe te staan. Voorts is de inmenging in het gezinsleven tussen het kind van eiseres en diens vader gerechtvaardigd in het belang van het economisch welzijn. Aan het algemeen belang kan meer gewicht worden toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat het op het moment waarop de vader zijn relatie met eiseres is aangegaan, het eiseres niet was toegestaan om, althans voor langere tijd, in Nederland te verblijven. De band tussen de ex-echtgenoot van eiseres en hun zoon is voorts niet dermate intensief en hecht, dat aan het belang dat is gediend met het hier te lande onderhouden van het familie- en gezinsleven met zijn kind, doorslaggevend gewicht dient te worden toegekend.

2.2. In het bestreden besluit van 27 juni 2005 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met voortgezet verblijf, nu eiseres niet drie jaar als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming in Nederland heeft verbleven. Eiseres is in het bezit geweest van een dergelijke verblijfsvergunning vanaf 18 december 1998. Op 16 december 2000 heeft eiseres gemeld dat zij haar echtgenoot zal verlaten. Bij afzonderlijk besluit van 27 juni 2005 is deze vergunning bovendien met terugwerkende kracht vanaf 18 december 1998 ingetrokken. Er bestaat derhalve evenmin aanleiding eiseres met toepassing van artikel 3.52 van het Vb 2000 een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf te verlenen. Afgezien daarvan, is bovendien geen sprake van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan niet van eiseres gevergd kan worden Nederland te verlaten. Verweerder overweegt voorts dat weliswaar sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar kind, maar dat van een inmenging in het recht op eerbiediging daarvan geen sprake is. De vergunning tot verblijf op grond waarvan eiseres familie- en gezinsleven had, is immers met terugwerkende kracht per 18 december 1998 ingetrokken. Eiseres bezat derhalve geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 toen zij het familie- of gezinsleven aanving. Verder is niet gebleken van dusdanige bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor haar familie- of gezinsleven de positieve verplichting voortvloeit haar hier te lande verblijf toe te staan. Voorts is de inmenging in het gezinsleven tussen het kind van eiseres en diens vader gerechtvaardigd in het belang van het economisch welzijn. Aan het algemeen belang kan meer gewicht worden toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat het op het moment waarop de vader zijn relatie met eiseres is aangegaan, het eiseres niet was toegestaan om, althans voor langere tijd, in Nederland te verblijven. De band tussen de ex-echtgenoot van eiseres en hun zoon is voorts niet dermate intensief en hecht, dat aan het belang dat is gediend met het hier te lande onderhouden van het familie- en gezinsleven met zijn kind, doorslaggevend gewicht dient te worden toegekend.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Eiseres stelt nimmer onjuiste gegevens aan verweerder verstrekt te hebben. Verweerder miskent dat uit het uittreksel uit het geboorteregister blijkt dat de ouders van eiseres pas in 1995 aangifte van haar geboorte hebben gedaan. Een tardieve geboorteaangifte is geen uitzondering in Turkije. De opgegeven leeftijd blijkt in de praktijk vaak niet te kloppen. Vanwege de onbetrouwbare bevolkingsadministratie is een latere leeftijdscorrectie gebruikelijk om de registers in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. Alleen de ouders van eiseres weten hoe oud eiseres werkelijk is. Wellicht heeft men haar doen geloven dat zij in 1983 was geboren. Aan de hand van een medische rapportage en een getuigenverklaring heeft de rechtbank in Turkije rechtsgeldig vonnis gewezen omtrent de leeftijd van eiseres. Uit het uittreksel van de bevolkingsadministratie blijkt bovendien dat ook andere familieleden van eiseres niet weten hoe oud zij werkelijk zijn. Eiseres moet voor haar leeftijd afgaan op de officiële Turkse brondocumenten.

Met betrekking tot artikel 8 van het EVRM stelt eiseres dat verweerder de omgangsregeling tussen haar voormalige echtgenoot en hun zoon bagatelliseert. Ten onrechte heeft verweerder voorts overwogen dat de omstandigheid dat haar voormalige echtgenoot niet bij de hoorzitting aanwezig wilde zijn, het beeld versterkt dat de band tussen de vader en het kind niet dermate intensief en hecht is, en dat aan het belang dat is gediend met het hier te lande onderhouden van het familie- of gezinsleven geen doorslaggevend gewicht dient te worden toegekend. Door aldus te overwegen geeft verweerder aan de voormalige echtgenoot van eiseres een positie waarin hij het antwoord op de vraag of eiseres in Nederland mag blijven, in grote mate negatief kan beïnvloeden. Verweerder laat zijn oordeel over de intensiteit en hechtheid van de relatie tussen kind en vader afhangen van de opstelling van de vader in de verblijfsrechtelijke procedure van de moeder. Indien verweerder meer informatie wil over de omgangsregeling, dan ligt het op de weg van verweerder om niet de ex-echtgenoot maar bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming in te schakelen als onafhankelijke derde. Verweerder is voorts ten onrechte niet ingegaan op de geworteldheid van het kind in Nederland, de omstandigheid dat eiseres een opleiding volgt en de omstandigheid dat eiseres niet naar Turkije kan terugkeren.

Eiseres betoogt voorts dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te toetsen of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 tussen de EEG en Turkije (hierna: het Besluit 1/80), terwijl eiseres tijdens de hoorzitting van de ambtelijke commissie op 19 mei 2005 heeft aangegeven vier dagen per week te werken.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

Het beroep betreffende de intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

4.1. In geschil is de vraag of eiseres onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘gezinsvorming met echtgenoot O. Kat’ hadden geleid.

4.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de oorspronkelijke aanvraag geen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat de arrondissementsrechtbank van Emirdag te Turkije haar geboortejaar op 22 juli 1998 heeft gewijzigd van 1983 in 1980. Eerst in de gronden van bezwaar van 2 mei 2002, gericht tegen het besluit van 5 februari 2002 waarbij de aanvraag tot het wijzigen van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is afgewezen, heeft eiseres naar voren gebracht dat zij eigenlijk in 1983 is geboren, maar dat voor haar een verzoek tot wijziging van haar leeftijd is ingediend, omdat zij ouder dan 18 jaar moest zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot. Tijdens de hoorzitting van 15 april 2004 heeft eiseres voorts verklaard dat zij van haar familie ouder moest worden om in Turkije te kunnen trouwen. Gedurende de hoorzitting van 19 mei 2005 heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd bevestigd dat de omstandigheid dat er een kandidaat voor eiseres was om te trouwen, mogelijk een rol heeft gespeeld bij de wijziging van de geboortedatum van eiseres.

4.3. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat voor haar leeftijd moet worden afgegaan op het officiële Turkse vonnis van 22 juli 1998. Afgezien van de vraag of het in Turkije gebruikelijk is om een geboortedatum vanwege onbetrouwbare bevolkingsregisters op een later moment te corrigeren, heeft eiseres zelf verklaard dat de reden voor de wijziging van haar geboortedatum gelegen was in de mogelijkheid om te kunnen trouwen. Deze verklaring heeft eiseres niet herroepen. De omstandigheid dat het verzoek tot het wijzigen van de geboortedatum namens eiseres is ingediend, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft immers verklaard dat zij bij de zitting van de arrondissementsrechtbank van Emirdag aanwezig was, zodat zij van de wijziging van haar geboortedatum op de hoogte moet zijn geweest. De stelling van eiseres dat zij niet opzettelijk gegevens heeft achtergehouden, kan blijkens paragraaf B1/2.2.9 van de Vc 2000 evenmin tot een ander oordeel leiden, nu het er om gaat dat de onjuiste situatie wordt gecorrigeerd. Nu eiseres volgens haar eigen verklaringen ten tijde van de oorspronkelijke aanvraag minderjarig was, zou de aan eiseres verleende verblijfsvergunning blijkens paragraaf B1/1.1.2.1 van de Vc 1994 niet zijn verleend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning derhalve met terugwerkende kracht per 18 december 1998 kunnen intrekken.

5.1. In geschil is voorts de vraag of de intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM.

5.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiseres met betrekking tot haar familie- en gezinsleven met haar zoon naar voren heeft gebracht. In dat verband heeft verweerder namelijk overwogen dat niet is gebleken dat de zoon van eiseres zich zodanig in de Nederlandse samenleving heeft geworteld dat van hem niet gevergd kan worden eiseres te volgen en dat evenmin is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven tussen eiseres en haar zoon in het land van herkomst uit te oefenen, zodat geen positieve verplichting bestaat eiseres hier te lande verblijf toe te staan. Mitsdien faalt de grief van eiseres.

5.3. In geschil is verder de vraag of de inmenging in het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM van de voormalige echtgenoot van eiseres en hun zoon gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn.

5.4. De rechtbank stelt vast dat de rechtbank Haarlem op 15 juli 2002 een omgangsregeling tussen de voormalige echtgenoot van eiseres en hun zoon heeft vastgesteld, welke inhoudt dat vader en zoon elkaar eens in de vier weken van zaterdagochtend tot zondagavond mogen zien. Hoewel eiseres heeft verklaard dat de omgangsregeling wordt geëffectueerd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat geen sprake is van intensief contact tussen vader en zoon, gelet op de lage frequentie van de omgangsregeling. De stelling dat vader en zoon elkaar in de praktijk vaker zien, heeft eiseres niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. Voorts is niet gebleken van een sterke mate van betrokkenheid van de voormalige echtgenoot van eiseres bij de opvoeding van hun zoon. Evenmin is gebleken dat hij een bijdrage levert aan de kosten van de opvoeding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de omstandigheid dat de voormalige echtgenoot van eiseres niet bij de hoorzitting is verschenen voorts bij de belangenafweging kunnen betrekken. Dit aspect kan immers bijdragen aan de beeldvorming over de mate van intensiteit van de feitelijke omgang tussen vader en zoon. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de inmenging in het familie- en gezinsleven van de voormalige echtgenoot van eiseres gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn.

5.5. Gelet op het voorgaande, levert de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met artikel 8 van het EVRM.

Het beroep betreffende de weigering de aan eiseres verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘Turks voortgezet verblijf’ te wijzigen in ‘voortgezet verblijf’

6.1. In geschil is de vraag of eiseres in aanmerking komt voor voortgezet verblijf hier te lande.

6.2. Onder verwijzing naar het in rechtsoverweging 4.3. overwogene, stelt de rechtbank vast dat verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning onder de beperking ‘gezinsvorming met echtgenoot O. Kat’ met terugwerkende kracht per 18 december 1998 heeft kunnen intrekken. Aangezien eiseres derhalve geen rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 3.52 van het Vb 2000.

6.3. De rechtbank stelt voorts vast dat niet meer in geschil is of eiseres op grond van het Besluit 1/80 voor voortgezet verblijf in aanmerking komt, nu eiseres het beroep op dit Besluit ter zitting heeft ingetrokken.

6.4. Voor zover eiseres voorts betoogt dat de weigering haar hier te lande voortgezet verblijf toe te staan strijd met artikel 8 van het EVRM oplevert, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in rechtsoverwegingen 5.2. en 5.4. heeft overwogen.

7. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen ongegrond.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. van ‘t Laar, rechter, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2006, in tegenwoordigheid van mr. L.F.A. Bos, griffier.

de griffier,

de rechter,

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

afschrift verzonden op: