Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1792

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/32042
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AZ8704, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / algemeen ambtsbericht / categoriaal beschermingsbeleid.

Eiser heeft zich beroepen op het meest recente ambtsbericht van februari 2006 en (onder meer) gesteld dat verweerder niet af heeft kunnen zien van (her)invoering van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. De rechtbank overweegt dat de ruime beoordelingsmarge die verweerder toekomt bij de beoordeling van de vraag of een categoriaal beschermingsbeleid geïndiceerd is en de omstandigheid dat aan de zogenaamde c-indicator in beginsel doorslaggevende betekenis mocht worden toegekend, onverlet laten dat op verweerder bij het nemen van een beslissing over het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid een motiveringsplicht rust. In het onderhavige geval heeft verweerder aan zijn beslissing om geen categoriaal beschermingsbeleid te voeren op grond van de zogenaamde c-indicator ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat de in het ambtsbericht van februari 2006 en de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 20 maart 2006 genoemde landen een speciaal beleid voeren. De rechtbank oordeelt dat uit de motivering van verweerder onvoldoende inzichtelijk wordt op welke gronden groot gewicht is toegekend aan afstemming van het beleid op die landen en de in artikel 3.106, aanhef en onder c, Vb 2000 genoemde indicator daarom van zodanig gewicht is dat geen aanleiding bestaat tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Uit het ambtsbericht noch de brief blijkt waarom het beleid in de daarin genoemde landen landen, in het licht van de door verweerder gehanteerde beoordelingscriteria, met name relevant is geacht bij de beoordeling van de indicator genoemd in artikel 3.106, aanhef en onder c, Vb 2000. Ook heeft verweerder geen afdoende nadere concretisering gegeven van de in het beleid neergelegde criteria "omringende landen", "op Nederlandse asielpopulatie gelijkend" en "de mate van homogeniteit van het beleid tussen de andere landen", terwijl in het licht van de motiveringsplicht niet valt in te zien dat dit niet mogelijk is. Voorts heeft verweerder zich bij zijn beslissing niet kenbaar rekenschap gegeven van het beleid in de ons omringende landen Duitsland en Frankrijk, terwijl op voorhand niet duidelijk is waarom, in het licht van de genoemde beoordelingscriteria, elke relevantie aan het beleid in die landen zou moeten worden ontzegd. De omstandigheid dat uit de door eiser overgelegde stukken kan worden afgeleid dat in Oostenrijk en Hongarije wél sprake is van enige vorm van bijzonder beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers bevestigt het oordeel dat verweerders motivering niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, nu de betekenis van deze omstandigheid bij de beoordeling door verweerder onduidelijk is gebleven.

Verweerder heeft zijn standpunt dat geen grond bestaat een beleid van categoriale bescherming voor Afghaanse asielzoekers te voeren dan ook onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/32042

V.nr.: 070.205.9582

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1983, van Afghaanse nationaliteit, wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 28 januari 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000. Op 27 januari 2005 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 2 maart 2005 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. De zienswijze is aangevuld bij brief van 7 maart 2005. Bij besluit van 11 juli 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 14 juli 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 3 augustus 2005. Op 30 augustus 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 6 maart 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. van den Bos, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Tevens waren ter zitting aanwezig G.J. de Vries, tolk in de Dari taal, en [vader], de vader van eiser. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

4. Bij beslissing van 29 maart 2006 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend ter behandeling door de meervoudige kamer. Voorafgaand aan de behandeling ter zitting heeft de rechtbank partijen bij brieven van 3 mei 2006 schriftelijk vragen voorgelegd. Bij schrijven van 17 mei 2006 heeft de gemachtigde van eiser de gestelde vragen beantwoord. Eiser heeft zijn standpunt voorts bij brief van 19 mei 2006 nader onderbouwd. Bij brief van 22 mei 2006 heeft verweerder de gevraagde inlichtingen verstrekt.

5. Op 29 mei 2006 is het onderhavige beroep opnieuw ter zitting behandeld. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn in de aanhef genoemde gemachtigde. Ter zitting waren tevens aanwezig A. Soltaninejad, tolk in de Dari taal, en de vader van eiser. Vanwege andere verplichtingen heeft de tolk het onderzoek ter zitting slechts ten dele bijgewoond.

6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van het volgende.

1. Op 30 maart 2001 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend, thans aan te merken als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 6 september 2001 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, geldig van 30 maart 2001 tot 30 maart 2004.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in deze procedure de volgende stukken overgelegd:

- bij de zienswijze van 2 maart 2005:

a. een rapport van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 26 november 2004 met de titel “The situation in Afghanistan and its implications for international peace and security. Emergency international assistance for peace, normalcy and reconstruction of war-stricken Afghanistan”;

- bij brief van 17 mei 2006:

b. een overzicht opgesteld door het Landelijk Bureau van Vluchtelingenwerk Nederland van onbekende datum, waarin een vergelijking van de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan per ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is opgenomen;

c. een passage uit een onbekend stuk van oktober 2005, waarin een rapport van de UNHCR van juni 2005 met de titel “Update of the Situation in Afghanistan and International Protection Considerations” wordt geciteerd;

d. een passage uit een rapport van de Afghanistan Research and Evaluation Unit (AREU) van juni 2004, met de titel “Minimal Investments, Minimal Results: The Failure of Security Policy in Afghanistan”;

e. een rapport van het Austrian Center for Country of Origin and Asylum Research and Documentation (ACCORD) van 27 maart 2006, waarin een overzicht wordt gegeven van de algehele veiligheidssituatie in Afghanistan;

f. een tweetal pagina’s uit een rapport van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 7 maart 2006, eveneens met de titel “The situation in Afghanistan and its implications for international peace and security. Emergency international assistance for peace, normalcy and reconstruction of war-stricken Afghanistan”;

g. een aantal artikelen en internetberichten uit de kranten Trouw en het NRC Handelsblad, respectievelijk IRINnews.org, Radio Free Europe en BBC News met betrekking tot (de situatie in) Afghanistan, uitgebracht in de periode van 11 februari 2006 tot en met 11 mei 2006;

- bij brief van 19 mei 2006:

h. een brief van Vluchtelingenwerk Nederland gericht aan de gemachtigde van eiser van 19 mei 2006;

i. wederom een passage uit het onder sub c genoemde rapport van de UNHCR van juni 2005;

j. e-mailcorrespondentie uit de periode 11 tot en met 16 mei 2006 tussen S. Mazaheri van Vluchtelingenwerk Nederland en medewerkers van diverse vluchtelingenorganisaties uit Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen over het beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers in die landen.

III. ASIELRELAAS

Eiser heeft tijdens het nader gehoor van 12 juli 2001, in de zienswijze van 2 maart 2005 en tijdens het gehoor van 11 april 2005 - zakelijk weergegeven - het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is geboren in Kabul, hij is Tadzjiek en behoort tot de Panshiri. Hij vreest voor vervolging in zijn land van herkomst vanwege zijn afkomst en vanwege de positie van zijn vader onder het communistische regime. Hij vreest voorts gedwongen te worden gerekruteerd. Eisers vader, [vader], was een Panshiri-hoofd en heeft een hoge ambtelijke functie bekleed ten tijde van het communistische regime van president Najibullah. Hij was namelijk verantwoordelijk voor de bevoorrading van het paleis van Najibullah. Na de komst van de Mujaheddin is eisers familie van Kabul naar Mazar-i Sharif verhuisd. Eiser is daar, vanaf zijn tiende jaar, in een garage gaan werken. In 1998 hebben de Taliban Mazar-i-Sharif veroverd. Omdat eisers vader een bekende Panshiri is, zijn de Taliban bij eiser thuis geweest op zoek naar eisers vader. Eisers vader is via het dak naar de buren gevlucht. De Taliban hebben het huis doorzocht en uiteindelijk in plaats van eisers vader eisers grootvader (van vaderskant) meegenomen. Na een aantal dagen mocht eisers grootmoeder eisers grootvader niet langer bezoeken en sindsdien heeft eisers familie niets meer van hem vernomen. Na ongeveer vijf maanden zijn de Taliban opnieuw bij eiser thuis geweest op zoek naar eisers vader. Toen die niet aanwezig bleek te zijn, zijn ze op zoek gegaan naar eiser, die zijn vaders oudste zoon is. Zij hebben daarbij eisers moeder en grootmoeder geslagen. Eisers grootmoeder is later, nadat ze nog een aantal malen door de Taliban was mishandeld, aan haar verwondingen overleden. Eiser heeft zich tijdens de huiszoeking door de Taliban verborgen gehouden en de Taliban hebben hem niet gevonden. Eiser is daarna naar zijn werkgever in de garage gegaan. Na twee dagen heeft de zwager van eisers werkgever hem meegenomen naar Panshir, waar eiser tot zijn zeventiende in diens garage heeft gewerkt. Toen eiser zeventien was, kwam er een aantal Mujaheddin, die behoorden tot de troepen van commandant Massoud, om soldaten voor de strijd te rekruteren. Zij hebben eiser opgedragen zich te melden. Eisers werkgever heeft eiser toen twee dagen verborgen gehouden in de moskee naast zijn huis. Daarna kwam eisers grootvader (van moederskant), die hem heeft meegenomen naar [plaats]. Met behulp van een reisagent heeft eiser vervolgens tegen betaling van 7000 dollar zijn land van herkomst verlaten.

Tijdens het gehoor van 11 april 2005 heeft eiser aanvullend naar voren gebracht dat hij vreest niet te kunnen overleven in Afghanistan, omdat hij daar geen familie meer heeft en omdat hij analfabeet is. Vrijwel eisers gehele familie verblijft inmiddels (rechtmatig) in Nederland.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Op 1 april 2001 is de Vw 2000 in werking getreden en is de Vreemdelingenwet 1965 (Vw) ingetrokken. Ingevolge de Vw 2000 houdt het bestreden besluit de beslissing in over de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

3.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

3.2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

4.1. Ingevolge artikel 33, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

4.2. Op grond van artikel 34 van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag, gedurende drie achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000, slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 van de Vw 2000 voordoet.

4.3. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden ingetrokken dan wel dat de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000, is komen te vervallen.

Grond voor verlening

5. Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de door eiser ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Bij de beoordeling van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden zal de rechtbank allereerst de vraag onder ogen zien of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, is komen te vervallen, nu verweerder bij brief van 9 september 2002 heeft bericht dat op grond van het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002 is besloten het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers van Afghaanse nationaliteit te beëindigen.

6. De rechtbank stelt, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd alsmede gelet op het verhandelde ter zitting, vast dat hetgeen eiser ten aanzien van deze verleningsgrond heeft aangevoerd ziet op de vraag of verweerder ten tijde van het bestreden besluit en thans in redelijkheid kon en kan afzien van het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Niet bestreden is dat verweerder, op basis van de in voornoemd ambtsbericht van 19 augustus 2002 neergelegde informatie, in september 2002 in beginsel kon besluiten tot beëindiging van het ten aanzien van de genoemde categorie asielzoekers gevoerde beleid van categoriale bescherming. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit in zoverre terecht heeft geconcludeerd dat de grond voor verlening, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is komen te vervallen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) meerdere malen, onder meer in haar uitspraak van 4 februari 2003 (JV 2003/110), heeft geoordeeld dat de beslissing van verweerder tot beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid op grond van de in die uitspraken voorliggende feiten en omstandigheden de toets der redelijkheid kon doorstaan. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat zich de situatie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 voordoet.

Ex tunc

7. Voorts is aan de orde de vraag of verweerder, bezien naar de situatie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning aan eiser bij besluit van 6 september 2001, terecht de verlening van een verblijfsvergunning op de andere in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden heeft geweigerd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder terecht een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000 heeft geweigerd.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning aan eiser geen aanleiding bestond eiser een verblijfsvergunning te verlenen op de a- dan wel b-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Hieraan heeft verweerder - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft zijn gestelde vrees voor vervolging van de zijde van de Taliban niet aannemelijk gemaakt. Niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft voor “family-related-persecution” vanwege de activiteiten van zijn vader. Eiser is nimmer persoonlijk geconfronteerd geweest met de Taliban. Voorts hebben de Taliban eisers familie na de eerste huiszoeking vijf maanden ongemoeid gelaten. Niet is gebleken dat de Taliban tijdens de tweede huiszoeking een serieuze belangstelling zouden hebben gehad voor de persoon van eiser. Evenmin heeft eiser concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er na dit laatste bezoek van de Taliban aan de ouderlijke woning nog naar eiser zou zijn gezocht. Bovendien heeft eiser in de gebeurtenissen geen aanleiding gezien zijn land van herkomst toen te verlaten. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 maart 1998 blijkt voorts dat slechts hooggeplaatste personen die tijdens de communistische periode verantwoordelijk zijn geweest voor bloedige acties tegen de Mujaheddin en de burgerbevolking, het risico lopen slachtoffer te worden van wraakacties. Gezien de werkzaamheden van eisers vader als bevoorrader van het paleis, kan niet worden aangenomen dat deze tot de genoemde risicogroep behoort. Uit de verklaringen van eiser is verder niet gebleken dat er sprake is van daden van persoonlijke vervolging van de zijde van (de mannen van) commandant Massoud, nu uit eisers verklaringen blijkt dat er op een relatief willekeurige wijze door de mannen van Massoud zou zijn geronseld. Daarnaast heeft eiser geenszins aannemelijk gemaakt dat hij zich niet zou hebben kunnen onttrekken aan de gestelde ronseling door de mannen van Massoud, waarbij van belang is dat eiser zich blijkens zijn eigen verklaringen in eerste instantie daaraan reeds heeft kunnen onttrekken door bemiddeling van zijn baas. Ten slotte was de algehele situatie in Afghanistan niet zodanig dat vreemdelingen van Tadzjiekse afkomst zonder meer als vluchtelingen konden worden aangemerkt.

9. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte ten tijde van de verleende verblijfsvergunning een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000 heeft geweigerd. Eiser had wel degelijk op grond van “family-related-persecution” te vrezen voor vervolging van de zijde van de toenmalige machthebbers, de Taliban. Het is aannemelijk, gelet op de positie en werkzaamheden van eisers vader, dat eisers vader en ook eiser, als oudste zoon, in de negatieve belangstelling van de Taliban stonden, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor. Evident is dat de Taliban bij het tweede bezoek aan de ouderlijke woning van eiser van plan waren eiser mee te nemen toen zijn vader niet werd aangetroffen. Er heeft toen wel degelijk een huiszoeking plaatsgevonden. Verder is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de Tadzjieken als etnische groep in de negatieve belangstelling van de Taliban stonden. Zij werden tegen hun wil gerekruteerd, maar kregen geen wapens uitgereikt en moesten bijvoorbeeld als menselijk schild dienen. Tadzjieken die vervolging hadden te vrezen van de kant van de Taliban hadden dan ook geen vlucht- of vestigingsalternatief binnen Afghanistan, gelet op het ambtsbericht van juni 2001. Ook uit eisers relaas zelf blijkt dat hij geen veilig binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief had, nu eiser ook buiten het machtsgebied van de Taliban niet veilig kon verblijven. Verder doet het uitgangspunt van verweerder dat alleen hooggeplaatste personen die tijdens de communistische periode verantwoordelijk zijn geweest voor bloedige acties tegen de Mujaheddin en de burgerbevolking het risico lopen slachtoffer te worden van wraakacties, er niet aan af dat de Taliban, buiten het kader van dergelijke wraakacties, negatieve belangstelling koesteren voor personen die tot de directe entourage van president Najibullah hebben behoord, zoals eisers vader. Ook had eiser gegronde vrees voor vervolging van de zijde van de Mujaheddin. Uit de verklaringen van eiser blijkt immers dat de ronselingsactiviteiten zich wel degelijk op zijn persoon richtten, nu de mannen van Massoud tegen eiser persoonlijk hebben gezegd dat hij met hen mee moest gaan en eisers toenmalige werkgever aan heeft gegeven dat de mannen van Massoud nog steeds achter eiser aan zaten. Bemiddeling van de werkgever had dan ook geen (definitieve) oplossing met zich meegebracht. Eiser kon zich aan deze gedwongen rekrutering niet onttrekken, nu er indertijd voor Tadzjieken binnen Afghanistan geen vlucht- of vestigingsalternatief bestond.

10.1. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het bestreden besluit de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser niet in twijfel heeft getrokken. In geschil is derhalve de vraag of verweerder het relaas van eiser terecht onvoldoende zwaarwegend heeft geacht voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt terecht heeft ingenomen. Hoewel de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel is dat uit het relaas van eiser niet zonder meer blijkt dat van de zijde van de Taliban geen serieuze belangstelling voor de persoon van eiser bestond, nu deze belangstelling gerelateerd was aan de verdwijning van zijn vader, laat dit onverlet dat eiser in de betreffende gebeurtenissen geen aanleiding heeft gezien zijn land van herkomst te verlaten. Eiser heeft nadien immers nog geruime tijd in Afghanistan verbleven. Weliswaar heeft eiser gesteld zich nimmer veilig te hebben gevoeld in de streek waar hij destijds verbleef, Panshir, maar dat neemt niet weg dat eiser in de betreffende periode niet daadwerkelijk problemen heeft ondervonden van de zijde van de Taliban. Onder deze omstandigheden kan het feit dat eiser tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep behoort hier dan ook geen rol van betekenis spelen. Verweerder heeft voorts terecht betekenis toegekend aan de inhoud van het aangehaalde ambtsbericht van maart 1998, waaruit blijkt dat gewezen aanhangers van het communistische regime dankzij stamloyaliteit destijds weinig te vrezen hadden. Alleen voormalige hoge partijfunctionarissen liepen een zeker risico, waarbij van belang was de positie die de betrokkene had bekleed, en het antwoord op de vraag of hij in die positie kennis heeft gehad dan wel betrokken is geweest bij anti-islamitische daden en mensenrechtenschendingen. Nu eisers vader een functie heeft bekleed die niet zonder meer op één lijn kan worden gesteld met die van voornoemde hoge partijfunctionarissen, heeft verweerder dit risico terecht niet groot genoeg geacht.

10.2. Ook in eisers vrees voor gedwongen rekrutering door de troepen van commandant Massoud heeft verweerder terecht geen grond gezien om eiser in het bezit te stellen van de gevraagde verblijfsvergunning. Hierbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat geen sprake was van daden van op de persoon van eiser gerichte vervolging, maar van ronseling op een relatief willekeurige wijze. Daarbij is voorts niet gesteld of gebleken dat die gepaard zou zijn gegaan met een behandeling die zonder meer als onmenselijk dient te worden aangemerkt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser zich niet op enigerlei wijze had zich kunnen onttrekken aan de gestelde ronseling.

10.3. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het relaas van eiser terecht onvoldoende zwaarwegend geacht, waardoor eiser, ten tijde van de verleende verblijfsvergunning, niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000.

Ex nunc

11. In geschil is vervolgens de vraag of verweerder ten tijde van het bestreden besluit terecht geen grond aanwezig heeft geacht om eiser een verblijfsvergunning te verlenen op één van de andere gronden van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser zich primair op het standpunt heeft gesteld dat hij in aanmerking dient te komen voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b dan wel c, van de Vw 2000.

12. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser, noch de overigens thans bekende feiten en omstandigheden, bezien in het licht van de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002, 10 april 2003, 12 november 2003 en 4 juni 2004, reden vormen om aan te nemen dat eiser op dit moment op één van deze verleningsgronden wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom juist hij bij terugkeer het slachtoffer zou worden van de Mujaheddin, nu hij zijn angst op geen enkele wijze kan concretiseren. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat Tadzjieken momenteel van regeringszijde of anderszins te vrezen hebben voor geweld of intimidaties enkel op grond van hun etniciteit. Een beroep op de huidige algemene sociaal-economische en humanitaire situatie in Afghanistan slaagt evenmin, nu eisers situatie in dat opzicht niet wezenlijk verschilt van de situatie van landgenoten die in dezelfde positie verkeren. Een beroep op de algemene situatie in Afghanistan valt bovendien niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit eisers verklaringen blijkt voorts niet dat zijn vertrek uit het land van herkomst verband houdt met zodanig traumatische ervaringen dat van hem daarom in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Evenmin komt eiser niet in aanmerking voor het speciale beleid als geformuleerd in paragraaf C1/4.4.2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Het beroep van eiser op zijn schrijnende situatie, gelegen in de omstandigheid dat geen enkel familielid meer in Afghanistan woonachtig is, slaagt niet, nu eisers vertrek uit het land van herkomst hiermee geen verband hield. Bovendien is eiser thans volwassen.

13. Eiser heeft aan dit onderdeel van het beroep ten grondslag gelegd dat verweerder ten onrechte de gevraagde verblijfsvergunning heeft geweigerd. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling zoals verboden door artikel 3 van het EVRM. Er is niet slechts sprake van subjectieve vrees dat eiser bij terugkeer in Afghanistan problemen zal ondervinden van de zijde van de huidige machthebbers, nu de Mujaheddin deel uitmaken van de huidige autoriteiten. Niet kan worden aangenomen dat aan het feit dat eiser zich destijds heeft onttrokken aan militaire dienst thans geen belang meer toekomt. Verder lopen thans nog immer personen die met het communistisch bewind in Afghanistan worden geassocieerd het risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Hiertoe wordt verwezen naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van januari 2005 en een rapport van de UNHCR van 1 juli 2003. Dit risico wordt versterkt door het gegeven dat er geen enkel familielid van eiser thans nog in Afghanistan woonachtig is, zodat hem ook niet door het bieden van opvang en onderdak enige bescherming kan worden geboden. Met betrekking tot de risico's van de zijde van de Taliban is van belang dat deze zich thans weer aan het ontplooien zijn in geheel Afghanistan. Van eiser kan voorts op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in redelijkheid niet worden verlangd terug te keren naar het land van herkomst. Eiser zal zich bij terugkeer naar Afghanistan in een uiterst kwetsbare positie bevinden. Eiser heeft geen familie meer die in Afghanistan woonachtig is. Daarbij wordt opgemerkt dat eiser zowel in Afghanistan als in Nederland deel heeft uitgemaakt van het gezin van zijn ouders. Het is schrijnend om de familie uit elkaar te halen en slechts één familielid naar Afghanistan terug te laten keren. Van belang in dit kader is tevens dat eiser aldaar geen toegang zal hebben tot essentiële basisvoorzieningen.

14.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in het land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daartoe wordt overwogen dat eiser zijn vrees voor problemen van de zijde van de Mujaheddin niet anders dan met een beroep op algemeen bekende feiten heeft kunnen concretiseren. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een tijdsverloop van vijf jaar tussen de in het asielrelaas weergegeven gebeurtenissen in het land van herkomst en het bestreden besluit. Verweerder heeft voorts terecht gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat Tadzjieken enkel op grond van hun etniciteit te vrezen hebben. Ook eisers afkomst kan derhalve niet tot een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM leiden. Daargelaten dat eiser eerst ter zitting naar voren heeft gebracht dat de Taliban thans weer in toenemende mate macht uitoefenen in Afghanistan, overweegt de rechtbank voorts dat deze omstandigheid op zich zelf genomen niet kan leiden tot het oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. In dit verband verwijst de rechtbank tevens naar hetgeen in dit kader is overwogen ten aanzien van de situatie ten tijde van de verleende verblijfsvergunning, zoals weergegeven onder IV.10.1. Ten slotte kan ook eisers beroep op de algemene situatie in Afghanistan, bij gebreke aan eiser persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden, in dit verband niet leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM.

14.2. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Hoewel niet uitgesloten is dat eiser zich bij terugkeer in het land van herkomst in een moeilijke positie zal bevinden, kan dit niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op deze grond. De in dit kader aangevoerde omstandigheden, die als toekomstige onzekerheden moeten worden aangemerkt, houden immers geen verband met het vertrek van eiser uit zijn land van herkomst, waardoor reeds daarom niet aan de wettelijke voorwaarden voor deze verleningsgrond wordt voldaan.

14.3. Verweerder heeft derhalve, wat betreft de beoordeling van de huidige situatie, terecht afgezien van verlening van een verblijfsvergunning op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 dan de grond bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

Categoriaal beschermingsbeleid

15. Aan de orde is ten slotte de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Daarbij is niet in geschil de vraag of verweerder in redelijkheid tot de beslissing tot beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers kon komen, maar de vraag of verweerder zich bij het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het (herin)voeren van een dergelijk beleid niet is geïndiceerd.

16.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Vw 2000, worden verleend aan de vreemdeling, voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van de Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

16.2. Ingevolge artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 zijn de indicatoren die in ieder geval zullen worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in voormeld artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie.

16.3. Het voorgaande is nader uitgewerkt in het beleid in paragraaf C1/4 van de Vc 2000. In paragraaf C1/4.5.3.1 van de Vc 2000 is - voor zover hier van belang - opgenomen dat het gebruik van de indicatoren van artikel 3.106 van het Vb 2000 moet worden bezien in het licht van de algemene uitgangspunten die zijn genoemd in paragraaf C1/4.5.2 van de Vc 2000. Het gaat om indicatoren ter uitwerking van een instrument dat ziet op de algehele situatie in een land van herkomst dat niet gebaseerd is op een harde juridische norm naar Nederlands recht, dat verder ook geen basis kent in het internationale vluchtelingenrecht en terzake waarvan de minister een ruime beleids- en beoordelingsvrijheid heeft. De weging van de verschillende indicatoren kan van geval tot geval verschillen. In een enkel geval kan zelfs één indicator voldoende zijn voor een adequaat besluit. In de volgende subparagrafen van de genoemde passage worden overwegingen aangegeven die aan de vaststelling van de weging van indicatoren ten grondslag kunnen liggen. In ieder geval zal in de meeste gevallen de eerste indicator (de aard van het geweld) bij de oordeelsvorming van inhoudelijk groot belang zijn.

16.4. Het beleid als neergelegd in paragraaf C1/4.5.3.4 van de Vc 2000 vermeldt voorts dat op grond van artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000 het beleid in andere landen van de Europese Unie (EU) wordt meegewogen. Er wordt belang gehecht aan het afstemmen van het beleid met dat van andere EU-landen. De landen waarvan het beleid wordt onderzocht, zullen veelal ons omringende landen zijn en/of landen die voor wat betreft asielpopulatie op Nederland lijken. Bij de beoordeling wordt acht geslagen op de mate van homogeniteit van het beleid tussen andere landen. Hoe homogener de informatie over het beleid van de andere landen is, hoe meer gewicht toekomt aan deze indicator. Dit laat onverlet dat sprake kan zijn van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om het beleid van andere landen niet te volgen. Dat is bijvoorbeeld aan de orde indien duidelijk is dat andere landen in hun beleid nog geen rekening hebben kunnen houden met relevante recente ontwikkelingen, zoals het uitbreken van een oorlog of juist het beëindigen van gewelddadigheden.

17.1. In vaste jurisprudentie van de Afdeling is overwogen dat de vraag of een vreemdeling voor verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in aanmerking komt, moet worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Daarbij komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet strookt met wettelijke voorschriften, dan wel verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

17.2. Ook heeft de Afdeling overwogen (onder meer in haar uitspraak van 3 november 2005, nr. 200505401/1), dat de rechter bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst, dat tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel dient te respecteren. De in rechte te stellen motiveringseisen dienen aan te sluiten op evenbedoeld toetsingskader; daarbuiten dient de rechter de beoordeling van verweerder te respecteren.

18.1. In het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van 10 februari 2006 is - voor zover hier van belang - in de paragrafen 2.3.6 en 3.3 het volgende opgenomen:

“De roerige tijd die in mei 2005 was begonnen heeft zich in de verslagperiode doorgezet. Sinds de omverwerping van het Taliban-regime in 2001, is het jaar 2005 het meest gewelddadig geweest. In heel 2005 zijn ruim 1200 mensen om het leven gekozen als gevolg van veiligheidsincidenten, ruim 60 van hen waren Amerikaanse militairen.

In augustus 2005 noemde de secretaris-generaal van de VN de veiligheidssituatie in Afghanistan ‘zorgwekkend’. Voor die aanduiding was niet alleen gekozen omdat er in het zuiden bijna dagelijks aanslagen plaatsvonden, maar ook omdat de methoden en doelen van de aanslagen waren veranderd. De middelen waarmee de aanslagen werden uitgevoerd waren moderner dan voorheen. Bovendien werd steeds vaker gebruik gemaakt van zelfmoordaanslagen, die voorheen weinig voorkwamen in Afghanistan. Wat betreft veranderde doelen signaleerde Kofi Annan dat gedurende de verslagperiode naast overheidsinstellingen; leger en politie; internationale strijdkrachten en internationale organisaties ook burgers en lokale leiders slachtoffer werden van militante acties. De Speciale Vertegenwoordiger van Annan in Afghanistan, Jean Arnault, stelde dat de veiligheidssituatie een ‘negatieve evolutie’ onderging.”

“De mensenrechtensituatie in Afghanistan in de verslagperiode is onveranderd zorgwekkend. Door corruptie; afwezigheid van sterke overheidsinstanties en de grote invloed van commandanten worden mensen nog in hun rechten geschonden, vooral in rurale gebieden.”

18.2. In genoemd ambtsbericht is voorts in paragraaf 4.5 (“Beleid andere landen”) het volgende opgenomen:

“In België wordt elk asielverzoek individueel beoordeeld. In sommige gevallen vindt op humanitaire gronden statusverlening plaats. Over het algemeen wordt, al dan niet gedwongen, terugkeer naar Afghanistan veilig geacht. België zet in de praktijk echter geen Afghaanse asielzoekers uit. In december is evenwel een aantal in België verblijvende Afghanen via een Franse charter-vlucht uitgezet, deze hadden echter géén asiel aangevraagd in België.

Denemarken heeft geen speciaal beleid voor asielzoekers uit Afghanistan. Het houdt evenmin rekening met de situatie van aparte groepen asielzoekers en acht terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers naar Afghanistan veilig. Denemarken heeft reeds meer dan 10 Afghanen uitgezet.

Op grond van een MoU tussen het Verenigd Koninkrijk, Afghanistan en UNHCR vindt terugkeer vanuit het VK naar Afghanistan plaats. Er bestaat geen specifiek beleid voor Afghaanse asielzoekers. Elke zaak van een uit te zetten persoon wordt individueel bekeken. Hierbij wordt aandacht besteed aan de persoonlijke omstandigheden van betrokkene en de situatie in Afghanistan. Gedwongen uitzetting vindt plaats, tenzij betrokkene internationale bescherming behoeft. Al meer dan 350 Afghanen hebben het Verenigd Koninkrijk gedwongen verlaten.

Zwitserland heeft geen specifiek beleid voor Afghaanse asielzoekers. Elke zaak wordt individueel bekeken. Bepaalde kwetsbare groepen voor wie terugkeer niet redelijk geacht wordt kunnen tijdelijk worden beschermd. Er vindt slechts vrijwillige terugkeer naar Afghanistan plaats.”

18.3. Bij brief van 20 maart 2006 (TK 2005-2006, 19 637, nr. 1029) heeft verweerder de Voorzitter van de Tweede Kamer, naar aanleiding van het verschijnen van het algemeen ambtsbericht van 10 februari 2006, geïnformeerd over de ontwikkelingen op het gebied van het landgebonden asielbeleid inzake Afghanistan. In deze brief is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“De algehele veiligheidssituatie in Afghanistan is zorgwekkend. Ik zie vanwege het beleid in de ons omringende landen geen reden een categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers te voeren. Immers, uit het ambtsbericht blijkt dat België, Denemarken, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk geen speciaal beleid voeren en terugkeer mogelijk achten.”

18.4. Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan, volgens vaste jurisprudentie, worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het deskundigenadvies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

19.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in redelijkheid heeft kunnen afzien van het (herin)voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Daartoe heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting van de rechtbank van 28 maart 2006 aangevoerd dat de beslissing van verweerder dat de inhoud van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juli 2005 geen aanleiding vormt om over te gaan tot het instellen van een categoriaal beschermingsbeleid door de Afdeling is gesanctioneerd. Daartoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2005 (JV 2005/398). Verweerder heeft in het ambtsbericht van 10 februari 2006 evenmin aanleiding gezien opnieuw een categoriaal beschermingsbeleid in te voeren, nu hieruit blijkt dat door andere EU-landen evenmin een speciaal beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers wordt gevoerd. In zoverre is geen verandering opgetreden ten opzichte van de eerdere ambtsberichten.

19.2. In zijn schriftelijke beantwoording van de vragen van de rechtbank van 22 mei 2006 heeft verweerder zijn standpunt - kort weergegeven en voor zover hier van belang - als volgt aangevuld. In het kader van zijn beleids- en beoordelingsvrijheid heeft verweerder de informatie in het ambtsbericht van 10 februari 2006 getoetst aan de indicatoren voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming, zoals neergelegd in artikel 3.106 van het Vb 2000. Verweerder heeft echter geen reden gezien een beleid van categoriale bescherming in te stellen voor Afghanistan. Daarbij heeft verweerder aan de afstemming van zijn beleid op het beleid in de omringende landen van de EU doorslaggevende betekenis toegekend. Er zijn geen landen bekend die wel een categoriaal beschermingsbeleid voeren. Er kan sprake zijn van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om het beleid van andere landen niet te volgen. Dat is bijvoorbeeld aan de orde indien duidelijk is dat andere landen in hun beleid nog geen rekening hebben gehouden met relevante recente ontwikkelingen, zoals het uitbreken van een oorlog of het juist beëindigen van gewelddadigheden. Dit houdt dan ook in dat de andere landen die niet zijn genoemd in het ambtsbericht van 10 februari 2006 en de brief van verweerder van 20 maart 2006 geen rol hebben gespeeld. Het beleid van andere landen wordt bekend via het ambtsbericht. Op deze wijze stelt verweerder zich hiervan op de hoogte. Daarnaast zijn er informele inter-Europese mondelinge ambtelijke contacten.

19.3. Ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2006 heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. Verweerder volgt niet het betoog van eiser dat sprake is van een dusdanige verslechtering in de veiligheidssituatie in Afghanistan dat het voeren van een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de algehele situatie in Afghanistan weliswaar zorgwekkend is, maar dat geen sprake is van een algehele verslechtering ten opzichte van het eerdere ambtsbericht van juli 2005. Van belang is in dit verband dat het ambtsbericht van 10 februari 2006 enkel ziet op de periode vanaf juli 2005, nu de daarvoor liggende periode onder het ambtsbericht van juli 2005 valt. Wat betreft de veiligheidssituatie is van belang dat de situatie in het Zuiden en Oosten van Afghanistan weliswaar niet stabiel is, maar dat er in het Westen, Noorden en in Centraal-Afghanistan sprake is van lage veiligheidsrisico’s. Voorts is de situatie in de hoofdstad Kabul niet op voorhand zodanig onveilig dat een categoriaal beschermingsbeleid (om die reden) geïndiceerd is, met name nu reeds in de eerdere verslagperiode sprake was van een slechte veiligheidssituatie als gevolg van onder meer aanslagen. De zorgwekkende situatie in Afghanistan is door verweerder derhalve meegewogen bij de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat voor een categoriaal beschermingsbeleid, maar het feit dat verweerder niet bekend is met andere landen die in dit opzicht een speciaal beleid voeren ten aanzien van Afghanistan heeft de doorslag gegeven. Daarbij is van belang dat het niet hoeft te gaan om identiek beleid, maar om vergelijkbaar beleid. De door eiser overgelegde stukken met betrekking tot het beleid in andere landen leiden niet tot een andere conclusie. Uit deze stukken blijkt dat Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen geen bijzonder beleid voeren. Uit de stukken blijkt voorts dat in Oostenrijk en Hongarije weliswaar sprake is van een soort “subsidiairy protection”, maar deze informatie komt niet van overheidswege. Uit de betreffende e-mailberichten blijkt voorts niet in hoeverre sprake is van vergelijkbaar beleid. Daarvoor zijn de e-mailberichten te weinig concreet. Voor zover wel sprake zou zijn van vergelijkbaar beleid, acht verweerder met betrekking tot Oostenrijk, dat qua asielpopulatie wel overeenkomt met Nederland, van belang dat niet sprake is van een omringend land. Met betrekking tot Hongarije is van belang dat dit land niet op Nederland lijkt qua asielpopulatie.

20.1. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet langer kan afzien van herinvoering van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. Eiser meent dat op het moment van het bestreden besluit, gelet op de inhoud van de ambtsberichten van januari en juli 2005, reeds een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers gevoerd had moeten worden. Daarvoor bestaat volgens eiser thans des te meer reden, gelet op de inhoud van het ambtsbericht van 10 februari 2006. Dit meest recente ambtsbericht vormt namelijk een trendbreuk ten opzichte van de eerdere ambtsberichten. Er is sprake van wezenlijke veranderingen in de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht van 10 februari 2006 ten opzichte van de eerdere ambtsberichten. De Minister van Buitenlandse Zaken geeft in het betreffende ambtsbericht zelf aan dat de veiligheidssituatie in Afghanistan nog nooit zo slecht is geweest als in 2005. Ook heeft de secretaris-generaal van de Verenigde Naties de veiligheidssituatie in Afghanistan als zorgwekkend gekwalificeerd. Van belang is dat de doelen en middelen van de aanslagen in Afghanistan zijn veranderd. De middelen zijn moderner dan voorheen en bovendien wordt steeds vaker gebruik gemaakt van zelfmoordaanslagen. Eiser verwijst tevens naar het standpunt van de UNHCR, zoals dit in het ambtsbericht van 10 februari 2006 wordt aangehaald, waarin de UNHCR een viertal structurele oorzaken voor de toenemende instabiliteit noemt, namelijk de dreiging van antiregeringseenheden als de Taliban, de voortdurende aanwezigheid van controversiële overheidsdienaren en de onvoldoende bescherming die geboden wordt tegen lokale commandanten, de spanningen tussen facties op lokaal niveau en het onvermogen van de centrale regering om adequate bescherming te bieden tegen het geweld. Eiser merkt verder op dat het ambtsbericht van 10 februari 2006 nog geen onderwerp van debat is geweest in de Tweede Kamer. Ten slotte wijst eiser er op dat het beleid van de andere EU-landen slechts één van de indicatoren vormt bij de beoordeling van de vraag of een categoriaal beschermingsbeleid is geïndiceerd. Er zijn meer indicatoren die moeten worden bezien. Verweerder heeft zich over deze indicatoren niet uitgelaten.

20.2. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser - onder meer - de onder II.2.j genoemde e-mailcorrespondentie tussen S. Mazaheri van Vluchtelingenwerk Nederland en medewerkers van diverse vluchtelingenorganisaties uit Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen in het geding gebracht. Hierin is - voor zover thans van belang - het volgende opgenomen. Afghaanse asielzoekers ontvangen in Oostenrijk een vorm van “subsidiairy protection”. Deze houdt in rechtmatig verblijf in het land voor een jaar, dat op aanvraag verlengd kan worden zo lang de situatie in het land van herkomst niet in positieve zin verbetert. Het beleid in Hongarije houdt voorts sinds een aantal jaar in dat Afghaanse asielzoekers niet worden gedwongen terug te keren naar hun land van herkomst. Er lijkt geen verandering in dit beleid te zijn. Afghaanse asielzoekers worden derhalve erkend als vluchteling dan wel ontvangen een vorm van “subsidiairy protection” op grond van de non-refoulementbepaling in de Hongaarse vreemdelingenwet. In Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen wordt geen speciaal beleid gevoerd ten aanzien van asielzoekers van Afghaanse nationaliteit.

21. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in de inhoud van de ambtsberichten van januari 2005 en juli 2005 in redelijkheid geen grond heeft hoeven zien over te gaan tot het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Afghanistan. In dit verband verwijst de rechtbank naar de door verweerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 23 augustus 2005 (JV 2005/398) en 9 maart 2006 (JV 2006/193), waarin is geoordeeld dat de beslissing van verweerder naar aanleiding van deze ambtsberichten geen beleid van categoriale bescherming te voeren stand kan houden. De verwijzing van eiser naar het rapport van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 26 november 2004, zoals vermeld onder II.2.a. van deze uitspraak, maakt het voorgaande niet anders, nu dit rapport bij het opstellen van het ambtsbericht van januari 2005 is betrokken. In het betreffende rapport is reeds daarom dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet langer op het standpunt kon stellen dat geen aanleiding bestaat tot het voeren van een ander beleid.

22. De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of verweerder op basis van de inhoud van het ambtsbericht van 10 februari 2006 in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen dat geen aanleiding bestaat tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid, zoals verweerder bij brief van 20 maart 2006 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft meegedeeld. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat zij geen beletselen aanwezig acht om de inhoud van het betreffende ambtsbericht alsmede de inhoud van de genoemde brief op grond van artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 bij de beoordeling te betrekken. Dit geldt eveneens voor het merendeel van de door eiser in beroep overgelegde stukken, zoals opgenomen onder II.2.b. tot en met j. Gelet op de datering van deze stukken, heeft eiser niet eerder dan in de beroepsfase van deze procedure een beroep kunnen doen op deze stukken en deze niet eerder kunnen overleggen. Daarbij betrekt de rechtbank voorts dat verweerder in staat is gesteld en gebleken om een gemotiveerd standpunt in te nemen ten aanzien van de betreffende stukken, zodat ook het bepaalde in artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 zich niet tegen het betrekken van deze stukken bij de beoordeling verzet. Voorts is van belang dat eiser de stukken, genoemd onder II.2.b tot en met j, heeft overgelegd in antwoord op schriftelijke vragen die de rechtbank aan partijen voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting heeft gesteld, hetgeen met zich brengt dat niet kan worden gezegd dat eiser - voor zover hier aan de orde - de stukken eerder in de procedure had dienen in te brengen.

23. Eiser heeft in de eerste plaats betoogd dat de beslissing van verweerder om af te zien van herinvoering van een categoriaal beschermingsbeleid onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Daartoe overweegt zij dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 februari 2006. Eiser heeft immers in zijn thans besproken betoog niet het aan de beslissing van verweerder ten grondslag liggende onderzoek ter discussie gesteld, maar uitsluitend gronden aangevoerd die zien op de waardering door verweerder van de resultaten van dit onderzoek, zoals neergelegd in het meergenoemde ambtsbericht. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb de rechterlijke toets niet kan doorstaan.

24.1. Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit berust op een deugdelijke motivering, zoals eiser in de tweede plaats heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder eerst ter zitting een mondeling standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de zogenaamde a-indicator in artikel 3.106 van het Vb 2000. De rechtbank overweegt dat dit in strijd is met de goede procesorde. Ten aanzien van de b-indicator heeft verweerder geen standpunt ingenomen. De motivering van verweerder om geen categoriaal beschermingsbeleid te voeren berust dan ook enkel op hetgeen is overwogen over de c-indicator, tegen de achtergrond van de in het meest recente ambtsbericht geschetste verslechterde situatie over het jaar 2005 in Afghanistan.

24.2. Zoals uit hetgeen hiervoor is opgenomen blijkt, heeft verweerder bij de beslissing dat in het ambtsbericht van 10 februari 2006 geen grond is gelegen tot (her)invoering van een categoriaal beschermingsbeleid doorslaggevende betekenis toegekend aan de indicator, genoemd in artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000, te weten het beleid in andere landen van de EU. Nu in wet noch beleid is voorgeschreven welk relatief gewicht aan de in voornoemd artikel neergelegde afzonderlijke indicatoren moet worden toegekend, en verweerder bij de aanwending van zijn bevoegdheid tot het voeren van een beleid van categoriale bescherming een ruime beoordelingsmarge toekomt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op zich, en in abstracto, aan de genoemde indicator, derhalve afstemming van het beleid op het beleid in andere landen van de Europese Unie, doorslaggevende betekenis mocht toekennen.

24.3. De ruime beoordelingsmarge die verweerder toekomt en de omstandigheid dat aan de zogenaamde c-indicator in beginsel doorslaggevende betekenis in het onderhavige geval mocht worden toegekend, laten evenwel onverlet dat op verweerder bij het nemen van een beslissing over het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid een motiveringsplicht rust. Het motiveringsbeginsel brengt immers voor een bestuursorgaan de verplichting met zich om in enige mate inzicht te geven in de gedachtegang die aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegen. In dit verband mag van verweerder dan ook worden verwacht kenbaar en inzichtelijk te maken op welke gronden de beslissing tot het afstemmen van het beleid op het beleid van andere landen van de EU is gebaseerd. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, verzet de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2003 (nr. 200302726/1) zich niet tegen een dergelijke motiveringsverplichting. De betreffende uitspraak betreft immers de vraag op welke wijze de in artikel 3.106 van het Vb 2000, onder c, neergelegde indicator door verweerder is betrokken bij de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat een categoriaal beschermingsbeleid te voeren. In het onderhavige geval is aan de orde de vraag of verweerder de in artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000 neergelegde indicator aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen met de motivering die daarvoor is gehanteerd. Bij het voorgaande neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat, indien verweerder niet op enigerlei wijze gehouden zou zijn voorgaande vraag te motiveren, daarmee sprake zou zijn van een zodanige beperking dat geen ruimte resteert voor een rechterlijke toetsing van de beslissing van verweerder tot het (niet) voeren van een op deze indicator gebaseerd beleid van categoriale bescherming. Tevens acht de rechtbank bij het voorgaande van belang dat in het onderhavige geval het oordeel over de algehele situatie in Afghanistan (nog) niet tot stand is gekomen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nu de brief van 20 maart 2006, waarin verweerder zijn beslissing kenbaar heeft gemaakt, en het ambtsbericht van 10 februari 2006 aldaar ten tijde van de sluiting van het onderzoek ter zitting (nog) niet zijn behandeld.

24.4. Verweerder heeft zijn beslissing om geen categoriaal beschermingsbeleid te voeren op grond van de zogenaamde c-indicator gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante informatie in het ambtsbericht van 10 februari 2006, bij brief aan de Tweede Kamer van 20 maart 2006, en dit standpunt herhaald in de beantwoording van de door rechtbank schriftelijk voorgelegde vragen alsmede ter zitting van de rechtbank. Hieruit blijkt dat verweerder aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd dat niet is gebleken dat de hier genoemde landen een speciaal beleid voeren. Daarbij heeft verweerder in het ambtsbericht van 10 februari 2006 en de brief van 20 maart 2006 aan de Tweede Kamer expliciet de landen België, Denemarken, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk genoemd. De rechtbank is van oordeel dat uit deze motivering onvoldoende inzichtelijk wordt op welke gronden groot gewicht is toegekend aan afstemming van het beleid op die landen en de in artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000 genoemde indicator daarom van zodanig gewicht is dat geen aanleiding bestaat tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Daartoe wordt het volgende overwogen.

24.5. Uit het beleid en de toelichting van verweerder ter zitting blijkt dat bij de afstemming van het beleid op bepaalde landen onderzoek wordt verricht aan de hand van een aantal criteria. Deze criteria betreffen de vraag of sprake is van een omringend land (ook wel: de geografische afstand tot dat land), de vraag of het land wat betreft asielpopulatie op Nederland lijkt, de vraag of sprake is van een land dat lid is van de EU en de vraag of sprake is een qua asielrechtelijke bescherming vergelijkbaar systeem in het betreffende land. Het genoemde ambtsbericht en de genoemde brief van verweerder, die dienen als grondslag van de beslissing van verweerder, bevatten slechts informatie over het beleid van de vier hierboven genoemde landen. Uit het ambtsbericht noch de brief blijkt waarom het beleid in de betreffende landen, in het licht van de hiervoor weergegeven criteria, met name relevant is geacht bij de beoordeling van de indicator genoemd in artikel 3.106, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. De keuze van verweerder voor afstemming van het beleid op de met name genoemde landen is in zoverre dan ook onvoldoende inzichtelijk en kenbaar gemotiveerd. Dit geldt te meer nu niet aanstonds duidelijk is waarom gekozen is voor afstemming van het beleid op het door Zwitserland gevoerde beleid, nu dat land immers geen lid is van de EU, en België blijkens het ambtsbericht niet gedwongen laat terugkeren.

24.6. De rechtbank overweegt dat ook desgevraagd ter zitting geen afdoende nadere concretisering is gegeven van de in het beleid neergelegde criteria "omringende landen", "op Nederlandse asielpopulatie gelijkend" en "de mate van homogeniteit van het beleid tussen de andere landen", terwijl in het licht van de motiveringsplicht niet valt in te zien dat dit niet mogelijk is.

24.7. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat verweerder zich bij zijn beslissing niet kenbaar rekenschap heeft gegeven van het beleid in de ons omringende landen, Duitsland en Frankrijk, terwijl op voorhand niet duidelijk is waarom, in het licht van de genoemde beoordelingscriteria, elke relevantie aan het beleid in die landen zou moeten worden ontzegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat van de situatie bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2005 (JV 2005/324) in het onderhavige geval geen sprake is, nu in eerdere ambtsberichten geen informatie over het beleid in die landen is neergelegd.

24.8. De omstandigheid dat uit de door eiser overgelegde stukken kan worden afgeleid dat in Oostenrijk en Hongarije wél sprake is van enige vorm van bijzonder beleid ten aanzien van Afghaanse asielzoekers bevestigt het oordeel dat verweerders motivering niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, nu de betekenis van deze omstandigheid bij de beoordeling door verweerder onduidelijk is gebleven.

24.9. Overwogen wordt dat niet valt in te zien dat, wanneer verweerder een dermate grote betekenis toekent aan de genoemde indicator, verweerder - ter voorkoming van de indruk dat sprake is van een onaanvaardbare vorm van willekeur - niet in staat is daarover meer duidelijkheid te verschaffen dan thans is verschaft en dat niet nader geconcretiseerd kan worden in welke landen het aldaar gevoerde beleid op welke grond relevant (kan) zijn voor de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat tot het voeren van een beleid van categoriale bescherming. Gezien het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat geen grond bestaat een beleid van categoriale bescherming voor Afghaanse asielzoekers te voeren onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid niet op de daartoe gebezigde gronden op het standpunt kunnen stellen dat terugkeer van eiser niet van bijzondere hardheid is in verband met de algehele situatie aldaar.

25. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit, dat strekt tot afwijzing van eisers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, in rechte geen stand kan houden. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard, het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb worden vernietigd en bepaald zal worden dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

26. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderdvijf euro) te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. J. Recourt, voorzitter, en mrs. M.J. Diemer en W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en openbaar gemaakt op: 4 juli 2006

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 4 juli 2006

Conc: SaS

Coll: AS

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.