Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1787

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-11-2006
Datum publicatie
10-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/26322
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medische omstandigheden / HIV / artikel 3 EVRM.

De rechtbank leest de rechtspraak van het EHRM niet als zou daaruit volgen dat het Hof eens en voor altijd maatstaven heeft geformuleerd met betrekking tot de vraag naar hetgeen in het kader van artikel 3 EVRM van een lidstaat nog wel dan wel niet meer kan worden aanvaard. Uit de reeks relevante uitspraken van het EHRM volgt dat het aspect “vergevorderd dan wel terminaal stadium van een ziekte” een belangrijk aspect is in de beoordeling. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen dan op dit punt is overwogen in de Afdelingsuitspraak 200507278/1 van 8 november 2005. Indien en voorzover verweerder ervan uitgaat dat het hem niet vrijstaat ook in die gevallen waarin niet zodanig klemmende omstandigheden voorliggen als waarvan sprake was in de zaak “St Kitts” een beleid te voeren en/of beslissingen te nemen op grond waarvan niettemin van verwijdering van de vreemdeling naar het land van herkomst wordt afgezien, dan zou, reeds gelet op artikel 53 EVRM, de strekking en de werking van artikel 3 EVRM worden misverstaan. Bij het ontbreken van specifieke, op HIV- dan wel Aids-patiënten toegespitste, beleidsregels van verweerder is het vooralsnog niet aan de rechter om de beleidsruimte die verweerder in het licht van het EVRM op dit gebied heeft nader af te bakenen dan wel in te vullen. Verweerder hanteert bij een beroep op artikel 3 EVRM in verband met medische omstandigheden een handelwijze, die is neergelegd in werkinstructie nr. 2003/19 (AUB). Verweerder heeft de door hem overgelegde werkinstructie nr. 2003/19 (AUB) in zoverre niet geïmplementeerd dat het daarin in het vooruitzicht gestelde TBV nooit tot stand is gekomen, terwijl evenmin gevolg is gegeven aan het aan het BMA gedane verzoek een algemeen ambtsbericht op te stellen “aan de hand waarvan een beslisser kan bepalen of een aandoening moet leiden tot een onderzoek door het BMA of kan worden aangemerkt als een aandoening waarop artikel 3 EVRM niet ziet”. Verweerder heeft voorts ten aanzien van eiseres aan het BMA niet de vragen voorgelegd die wel (aan het BMA) zijn gesteld in het – eveneens ter zitting van 10 juli 2006 behandelde – beroep van een ander. Voorts is niet duidelijk geworden op grond waarvan verweerder nu eens een BMA-advies volgt waarin is aangegeven “dat de [in het land van herkomst noodzakelijke] behandeling op geen enkele wijze gegarandeerd kan worden”, terwijl in andere gevallen, in het voetspoor van het BMA de maatstaf wordt aangehouden of “voldoende adequate behandelmogelijkheden [in het land van herkomst] aanwezig zijn”. Vernietiging wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/26322

inzake: [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1956, van Keniaanse nationaliteit, verblijvende te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 13 juli 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 6 april 2005 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 3 mei 2005 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 23 mei 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 9 juni 2005 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 18 juli 2005. Op 5 september 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 25 november 2005 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2005. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.B. Klaus, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Tevens was ter zitting aanwezig A.V.E. Glass, tolk in de Engelse taal.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

5. Bij beslissing van 23 februari 2006 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend.

6. Bij faxbericht van 13 juni 2006 heeft de rechtbank aan verweerder vragen gesteld.

Bij faxbericht van 30 juni 2006 heeft verweerder de antwoorden op deze vragen ingezonden.

7. Het onderzoek ter zitting is hervat op 10 juli 2006. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. A.H.A. Kessels, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

8. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres is op 13 juli 2004, komende uit de Verenigde Staten van Amerika (VSA) als ‘deportee transit’, op de luchthaven Schiphol de verdere toegang geweigerd tot Nederland. Op 16 juli 2004 is aan eiseres toegang tot Nederland verleend. Bij brief van 13 december 2004 heeft verweerder met betrekking tot de gezondheidstoestand van eiseres verzocht om een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Bij brief van 22 maart 2005 heeft het BMA aan verweerder advies uitgebracht.

III. ASIELRELAAS

Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres is afkomstig uit Kenia en behoort tot de Kikuyu-bevolkingsgroep. Eiseres is op 7 maart 2000 vanuit Kenia naar de VSA gereisd. Bij haar inreis in de VSA op 7 maart 2000 is zij gearresteerd, op verdenking de drugswetgeving te hebben overtreden.

Eiseres was tot haar vertrek uit Kenia actief voor de toentertijd heersende politieke partij Kenya African National Union (KANU). Zij was voorzitter van de vrouwenbeweging van deze partij [Maendeleo Ya Wanawake Organisation, MYWO] en actief als voorvechtster van vrouwenrechten, tegen misbruik van vrouwen, besnijdenis en marteling. Verder was eiseres van 1993 tot 2000 directeur van het nationale irrigatieproject. Eiseres was ook eigenaresse van een reisbureau.

Op een gegeven moment heeft een vriendin van eiseres, die tot de oppositiepartij behoorde, haar in de val gelokt. Zij heeft eiseres voorgesteld aan een aantal mannen die stelden zaken met eiseres te willen doen. Zij wisten dat eiseres veel naar de VSA reisde. Aan de manier van spreken bemerkte eiseres dat de mannen van de politie waren. Nadat men in het bezit was gekomen van het paspoort van eiseres werd zij door de mannen gedwongen om drugs te smokkelen naar de VSA. Eiseres moest bolletjes slikken. Tijdens de vlucht mocht eiseres niets eten en drinken. Dit is kennelijk door de bemanning opgemerkt, die de autoriteiten in de VSA heeft gewaarschuwd. Op het vliegveld heeft eiseres aan de federale Amerikaanse politie, de FBI, verteld dat zij bolletjes had geslikt. Omdat eiseres schuld heeft bekend en heeft meegewerkt aan het onderzoek is zij veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf. In de gevangenis heeft eiseres veel vrouwelijke landgenoten ontmoet die ook door de drugsbende waren geronseld.

Eiseres heeft in januari en februari 2003 in de gevangenis brieven gekregen van de drugsbende. Hierin werd gedreigd dat haar kinderen zouden worden gedood ingeval zij naar Kenia zou terugkeren, omdat zij een verklaring tegen de drugsbende had afgelegd. De FBI verklaarde dat de vrouw die eiseres de drugs had gegeven, [naam] genaamd, was gearresteerd en was uitgeleverd aan de VSA. De FBI wilde dat eiseres zou getuigen tegen deze persoon. Op 12 juli 2003 is eiseres ontslagen uit strafrechtelijke detentie, waarna zij in vreemdelingenbewaring is gesteld. De openbare aanklager in de VSA wilde niet dat eiseres zou worden uitgezet, omdat hij haar als getuige nodig had in de drugszaak. Eiseres is niettemin op 13 juli 2004 de VSA uitgezet.

Tijdens haar verblijf in de VSA is in 2003 in Kenia een nieuwe president aan de macht gekomen. In juli 2003 kreeg eiseres twee brieven van leden van de vrouwengroep waarvan zij voorzitter was. De leden verklaarden dat zij Kenia inmiddels waren ontvlucht en waarschuwden eiseres dat zij bij terugkeer naar Kenia te vrezen zou hebben voor haar leven. Eiseres vreest voor vervolging in Kenia door de ‘Rainbow’-partij die nu aan de macht is. Eiseres zal besneden en gemarteld worden. Doordat eiseres op hoog niveau politiek actief is geweest in de KANU-partij heeft zij veel bekendheid genoten.

Voorts vreest zij bij terugkeer voor de drugsbende die haar heeft gedwongen drugs naar de VSA te smokkelen. Eiseres heeft in oktober 2003 in de VSA verzocht om asiel. Aangezien eiseres was veroordeeld voor een misdrijf kon zij in de VSA geen asiel krijgen.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

Verweerder stelt voorop dat niet is gebleken dat de politieke- en mensenrechtensituatie in Kenia zodanig is dat asielzoekers uit dat land in het algemeen, en degenen die tot de Kikuyu-bevolkingsgroep behoren in het bijzonder, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiseres zal derhalve aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot haar persoonlijk feiten of omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Eiseres is hier niet in geslaagd. Zij heeft geen problemen ondervonden vanwege haar geloof, etnische afkomst of nationaliteit. Eiseres heeft in verband met haar activiteiten voor de KANU tot haar vertrek naar de VSA nimmer problemen ondervonden.

De vrees voor het huidige regime in Kenia vat verweerder op als een beroep op het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk C1/4.2.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 met betrekking tot de refugié sur place. Deze vrees is evenwel gebaseerd op niet nader geconcretiseerde vermoedens. De overgelegde brieven van leden van de vrouwenbeweging zijn niet afkomstig uit objectieve bron. Bovendien dateren deze brieven van 18 januari 2003 en 15 maart 2003 en geven zij derhalve geen beschrijving van de actuele situatie in Kenia. Verder is in deze brieven niet geconcretiseerd wat eiseres precies van wie te vrezen zou hebben; veeleer bevatten zij een beschrijving van de algemene situatie. Ook anderszins heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk te vrezen heeft voor de Keniaanse autoriteiten vanwege haar politieke overtuiging. Uit een rapport van het US Department of State van 2004 blijkt niet van vervolging van leden van de KANU. Op het gebied van vrouwenbesnijdenis werkt de regering samen met de door eiseres in het verleden geleide MYWO. Het in de zienswijze overgelegde rapport omtrent de MYWO betreft algemene informatie. Eiseres heeft in de zienswijze evenmin geconcretiseerd in hoeverre de door haar gestelde discriminatie en het geweld tegen vrouwen op haar betrekking heeft. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in Kenia gezien wordt als ‘civil society leader’ voor wie willekeurige arrestatie en detentie dreigt.

Met betrekking tot de door eiseres aangevoerde problemen met de drugsbende stelt verweerder dat eiseres het slachtoffer is van een commuun delict, maar dat dit niet het gevolg is van een specifiek op eiseres of haar familie gerichte negatieve belangstelling die gerelateerd kan worden aan één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiseres vermoedt slechts dat zij op deze wijze door de oppositie buitenspel is gezet. Het gaat hier om vermoedens en speculaties die niet nader zijn onderbouwd. Eiseres heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat degenen die haar naar Amerika hebben gestuurd politieagenten waren, zodat ook niet aannemelijk is dat zij hiertegen niet de bescherming kan inroepen van de (hogere) autoriteiten in haar land van herkomst.

Evenmin is aannemelijk dat eiseres bij terugkeer in het land van herkomst het reële gevaar loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband heeft eiseres in de eerste plaats gesteld dat zij het risico loopt op vrouwenbesnijdenis. Indien in dit verband wordt voldaan aan een drietal criteria, zoals opgenomen in hoofdstuk C1/3.3.2 van de Vc 2000, kan een risico als hierboven bedoeld worden aangenomen. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij aan deze voorwaarden voldoet.

Voorts beroept eiseres zich op medische problemen, naar aanleiding waarvan het BMA op 22 maart 2005 een rapportage heeft opgesteld. De omstandigheid dat eiseres lijdt aan een stoornis in de bloedsuikerregulatie en aan een infectueuze ziekte die het immuunsysteem aantast is geen omstandigheid die bij uitzetting leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Blijkens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) is de toets aan artikel 3 van het EVRM bij medische problemen strikt. In het geval van eiseres is er geen sprake van de situatie dat de vreemdeling zich bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte, er geen medische voorzieningen en sociale opvang in het land van herkomst aanwezig zijn en de vreemdeling in grote mate afhankelijk is van voorzieningen en opvang die hij in het uitzettende land al geruime tijd ontvangt. Blijkens het BMA-advies is behandeling in Kenia voorhanden. Ook de door eiseres gebruikte medicijnen zijn voorhanden.

1.2. In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij te beschouwen is als refugié sur place. De vrees van eiseres is, zowel waar het de gestelde vrees voor de (huidige) Keniaanse autoriteiten als de vrees voor de drugsbende betreft, gebaseerd op niet nader geconcretiseerde vermoedens. Het asielrelaas van eiseres is gelet hierop ongeloofwaardig. Verweerder heeft hierbij verwezen naar uitspraken van de AbRS van 11 februari 2005 en 23 juni 2005. De medische problemen van eiseres zijn niet van zodanig bijzondere aard dat uitzetting leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder wijst hierbij op uitspraken van de AbRS van 18 december 2002, 16 juli 2003, 10 september 2004 en 8 november 2005.

1.3. In de antwoorden op de door de rechtbank gestelde schriftelijke vragen en ter zitting van 10 juli 2006 heeft verweerder zijn standpunt met betrekking tot de medische omstandigheden van eiseres en het in dit kader gedane beroep op artikel 3 van het EVRM nader toegelicht.

De handelwijze van verweerder bij een beroep op artikel 3 van het EVRM in verband met medische omstandigheden is neergelegd in werkinstructie nr. 2003/19 (AUB) van 16 september 2003, die door verweerder is overgelegd. Het hierin genoemde nog op te stellen Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) en het door het BMA op te stellen ambtsbericht zijn tot op heden nog niet tot stand gekomen. Uit relevante jurisprudentie van het EHRM volgt volgens verweerder dat er voor een geslaagd beroep op artikel 3 van het EVRM in ieder geval sprake moet zijn van een ziekte die een vergevorderde of terminale fase heeft bereikt. Indien dat zo is dient in het verlengde daarvan te worden beoordeeld of er zicht bestaat op medische zorg of steun van de familie in het land van herkomst. Anders dan in het reguliere beleid, waarin verweerder de vraag of de zorg feitelijk toegankelijk is niet meeneemt bij de beoordeling, neemt verweerder dit aspect wel mee bij de beoordeling van de vraag of bij uitzetting van eiseres artikel 3 van het EVRM zal worden geschonden. In het onderhavige geval is de behandeling in het land van herkomst voor eiseres echter feitelijk toegankelijk.

2.1 Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

Volgens haar heeft verweerder ten onrechte in het bestreden besluit geen gewicht gehecht aan de hoge positie die eiseres bekleedde ten tijde van het vorige regime in Kenia. Uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij mogelijk kan worden beschouwd als ‘civil society leader’ als bedoeld in het rapport van het US Department of State van 2004. Zij bekleedde een leidinggevende positie in een Non Gouvernementele Organisatie (NGO), namelijk de MYWO. Blijkens genoemd rapport worden willekeurig personen, waaronder journalisten en ‘civil society leaders’, gearresteerd en is er sprake van intimidatie en arrestatie van leden van NGO’s. Eiseres loopt daarom eveneens het risico van intimidatie en arrestatie. Verweerder handelt, mede gelet op de omstandigheid dat eiseres sedert 2000 niet meer terug is geweest in Kenia en derhalve voor informatie afhankelijk is van derden, onzorgvuldig door de brieven van de vriendinnen van eiseres terzijde te laten als zijnde niet afkomstig uit objectieve bron. Het had op de weg van verweerder gelegen nader onderzoek te doen naar de huidige situatie in Kenia.

Ten onrechte stelt verweerder dat eiseres slechts vermoedt dat politieke motieven ten grondslag liggen aan de keuze van de drugsbende om haar drugs naar de VSA te laten smokkelen. Eiseres heeft immers verklaard dat degene die haar voorstelde om zaken te doen in Amerika lid was van de oppositie en tevens tot de bende behoorde. Verweerder gaat ten onrechte voorbij aan de gegronde vrees voor wraak door de drugsbende. Eiseres heeft tegen de bende een getuigenverklaring afgelegd, waarna zij dreigbrieven heeft ontvangen. De Amerikaanse autoriteiten hebben aangeboden haar in een beschermingsprogramma op te nemen. Verweerder twijfelt niet aan de verklaringen van eiseres hieromtrent. Er bestaat derhalve voor eiseres bij terugkeer naar Kenia een reëel risico op ernstige problemen van de kant van deze bende. Eiseres behoeft in Kenia niet te rekenen op bescherming van de autoriteiten, gelet op haar eigen politieke verleden. Overigens zijn de Keniaanse autoriteiten niet in staat haar te beschermen, zo zij dit al zouden willen. Eiseres wijst hierbij op meergenoemd rapport van het US State Department, waaruit blijkt van wijdverbreide corruptie binnen de Keniaanse politie en justitie.

Eiseres is voorts HIV-geïnfecteerd, lijdt aan diabetes mellitus en heeft psychische klachten. Eiseres zal in Kenia geen adequate en effectieve medische behandeling kunnen ondergaan. Bij het staken van de behandeling kan een medische noodsituatie ontstaan, zo blijkt uit informatie van de behandelend internist. Deze informatie is in tegenspraak met de conclusie van het BMA, die inhoudt dat er bij het staken van de behandeling geen sprake zal zijn van een medische noodsituatie. Deze conclusie is, gelet op de informatie van de behandelend internist, onvoldoende gemotiveerd. Uit het BMA-advies volgt dat de behandeling levenslang dient plaats te vinden. Algemeen bekend is dat bij het staken van de behandeling ingeval van een HIV-infectie binnen afzienbare tijd ernstig lichamelijk lijden en uiteindelijk de dood zal volgen. In een soortgelijk geval heeft de BMA-arts A.W. Lechner wel geconcludeerd dat bij het staken van de behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Uitzetting naar Kenia zal derhalve tot gevolg hebben dat een medische noodsituatie ontstaat. Daarbij komt dat de medicijnen die eiseres gebruikt in Kenia niet, dan wel slechts voor een zeer beperkte groep, voorhanden zijn. Ten onrechte gaat verweerder niet uit van de door eiseres overgelegde informatie waaruit het vorenstaande blijkt. Dit betreft een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Eiseres zal in Kenia geen toegang hebben tot anti-retrovirale therapie. Volgens het BMA-advies is de in haar geval noodzakelijke medicatie verkrijgbaar in twee ziekenhuizen. Uit de door eiseres geraadpleegde bronnen blijkt geenszins dat adequate behandelmogelijkheden voorhanden zijn voor degenen die dergelijke behandeling behoeven. Verweerder is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat eiseres geen opvang meer heeft in Kenia. Gelet hierop zal uitzetting naar Kenia leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraken van het EHRM van 2 mei 1997 (St. Kitts) en 6 februari 2001 (Bensaid).

2.2. Ter zitting van 7 december 2005 heeft eiseres voorts nog betoogd dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van het asielrelaas van eiseres en dat de geloofwaardigheid van het relaas dan ook niet meer in geschil is dan wel kan zijn.

2.3 Ter zitting van 10 juli 2006 is namens eiseres nog naar voren gebracht dat verweerder de op hem rustende vergewisplicht heeft geschonden, nu niet aan het BMA is verzocht een ambtsbericht op te stellen, zoals vermeld in werkinstructie 2003/19, en nu de vraagstelling van verweerder van 13 december 2004 aan het BMA niet overeenkomt met de vraagstelling die verweerder doorgaans gebruikt als het gaat om asielzaken waar medische problemen mogelijk een rol spelen bij de beoordeling van schending van artikel 3 van het EVRM.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

4. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Vw 2000 wordt onder verdragsvluchteling verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Ingevolge artikel 1(A)-2 van het Vluchtelingenverdrag worden als vluchteling aangemerkt vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging.

5. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat de vrees voor vervolging van eiseres berust op vermoedens en dat het relaas ongeloofwaardig wordt geacht omdat deze vermoedens niet plausibel zijn.

Eiseres heeft gesteld dat verweerder in het bestreden besluit is uitgegaan van het asielrelaas van eiseres en dat de geloofwaardigheid van haar relaas dan ook niet meer in geschil is dan wel kan zijn.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen en in het bestreden besluit niet expliciet de conclusie heeft getrokken dat het relaas van eiseres ongeloofwaardig wordt geacht.

Mede onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 13 juni 2003 (LJN: AH9319) overweegt de rechtbank dat ondanks het feit dat verweerder in het bestreden besluit niet expliciet heeft geconcludeerd dat het relaas ongeloofwaardig is, uit de overige in dat besluit opgenomen overwegingen wel kan worden opgemaakt dat verweerder het relaas ongeloofwaardig heeft geacht.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat uit het voornemen en het bestreden besluit, in onderlinge samenhang bezien, niet blijkt dat verweerder het gehele relaas ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft geen van de omstandigheden van artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 aan eiseres tegengeworpen en is op onderdelen direct getreden in de beoordeling van de vraag of het relaas van eiseres voldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. De rechtbank zal voor wat betreft die onderdelen bij de beoordeling van het beroep uitgaan van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en het door verweerder ingenomen zwaarwegendheidsstandpunt beoordelen aan de hand van de daartegen gerichte beroepsgronden.

Op bepaalde andere onderdelen heeft verweerder in het bestreden besluit geoordeeld dat, uitgaande van de verklaringen van eiseres over wat zij heeft meegemaakt, haar vrees over wat haar te wachten staat in het land van herkomst uitsluitend berust op niet nader geconcretiseerde vermoedens. Op die onderdelen is het verweerschrift een toelichting op het bestreden besluit. De rechtbank zal ten aanzien van deze onderdelen derhalve mogen en moeten toetsen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de aan de voor waar gehouden onderdelen van het relaas ontleende vermoedens over wat eiseres bij terugkeer te wachten staat al dan niet plausibel zijn.

7.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij destijds te vrezen had voor vluchtelingrechtelijke vervolging van de zijde van de autoriteiten van Kenia vanwege de door haar vóór haar vertrek verrichte activiteiten voor de KANU. Eiseres heeft vóór haar vertrek nimmer problemen vanwege haar lidmaatschap van en activiteiten voor de KANU ondervonden; zo is zij nooit vanwege dat lidmaatschap en die activiteiten gearresteerd of gedetineerd geweest.

7.2 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vrees van eiseres voor het huidige regime in Kenia vanwege haar lidmaatschap van en activiteiten voor de KANU, waaronder haar activiteiten voor de MYWO, berust op niet nader geconcretiseerde vermoedens. Verweerder heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat uit het rapport van het US Department of State van 2004 niet blijkt dat de huidige regering bezig is met stelselmatige vervolging van leden van de KANU.

Eiseres heeft in dit verband gesteld dat zij “mogelijk” kan worden beschouwd als een “civil society leader” als bedoeld in genoemd rapport van het US Department of State. Naar dezerzijds oordeel heeft verweerder in deze enkele gestelde “mogelijkheid” geen grond hoeven zien zijn standpunt, dat de hier besproken vrees van eiseres slechts op vermoedens rust, te wijzigen. Verweerder heeft bij het innemen van zijn standpunt voorts in aanmerking kunnen nemen dat de inhoud van de brieven van de vriendinnen van eiseres (de leden van de vrouwenbeweging) geen op eiseres toegespitste informatie bevatten en ook overigens algemeen van aard zijn. Tot slot heeft verweerder er bij het innemen van zijn hier besproken standpunt betekenis aan kunnen toekennen dat eiseres niet heeft geconcretiseerd in welk opzicht de door haar gestelde discriminatie van vrouwen op haar betrekking heeft.

7.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder tot slot terecht betoogd dat de vrees van eiseres voor wraak van de drugsbende niet gekwalificeerd kan worden als gegronde vrees voor vervolging wegens een vervolgingsgrond in vluchtelingrechtelijke zin.

De rechtbank is in dit verband van oordeel dat verweerder het vermoeden van eiseres, dat de oppositie het brein achter het delict is geweest en dat het politiemannen waren geweest die eiseres hebben gedwongen tot de smokkel van drugs, in redelijkheid niet plausibel hoeven achten. Eiseres heeft dit vermoeden immers in het geheel niet geconcretiseerd. De enkele stelling dat de vriendin van eiseres die tot de oppositie behoorde erachter zou hebben gezeten, alsmede de stelling, dat eiseres aan de manier van spreken merkte dat het hier ging om politiemannen, zijn hiervoor onvoldoende.

Tot slot is de rechtbank wat dit punt betreft van oordeel dat verweerder terecht heeft gemeend dat eiseres tegen de drugsbende de bescherming kan inroepen van de autoriteiten. De stelling dat eiseres niet hoeft te rekenen op bescherming gelet op haar eigen politieke verleden volgt de rechtbank niet. Zij verwijst daartoe naar hetgeen hierboven is overwogen in 7.2.

7.4 Het overwogene in 7.1 tot en met 7.3 brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder eiseres op goede gronden een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en sub a, van de Vw 2000 heeft geweigerd.

8. Indien de vreemdeling concrete redenen, gelegen in zijn persoonlijke feiten of omstandigheden, heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij bij gedwongen terugkeer naar het land van her¬komst het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM te weten foltering, dan wel een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, dient verweerder hiertegen ingevolge vaste jurisprudentie van het EHRM bescherming te bieden.

9. In zoverre eiseres stelt dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst het risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen vanwege hetgeen zij in haar asielrelaas naar voren heeft gebracht, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat zij dit risico niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen hiervoor met betrekking tot vluchtelingschap is overwogen.

10. Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 3 van het EVRM vanwege haar medische omstandigheden overweegt de rechtbank voorts als volgt.

11. De rechtbank ziet aanleiding allereerst in te gaan op de stelling van eiseres dat een verwijdering van eiseres naar haar land van herkomst tot gevolg zal hebben dat zij aldaar geen toegang zal hebben tot de in haar situatie noodzakelijke medische behandeling, en dat verweerder, door – zo begrijpt de rechtbank – de daaruit volgens eiseres voortvloeiende risico’s niet van doorslaggevend belang te achten, zich daardoor bij verwijdering van eiseres naar dat land van herkomst jegens haar schuldig zal maken aan een ingevolge artikel 3 EVRM verboden behandeling. Eiseres heeft er in dit verband op gewezen dat uit het arrest van het EHRM in de zaak D tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM van 2 mei 1997, 146/1996/767/96; NJ 1998, 582; de zgn. “St-Kitts-zaak”) volgt dat sprake is van alternatief geformuleerde criteria, waardoor van een dergelijke behandeling in de opvatting van het EHRM ook sprake kan zijn indien aan het criterium “het zich bevinden in een terminaal stadium van een ziekte” niet is voldaan. Namens eiseres is er verder op gewezen dat onder meer uit het arrest Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM van 6 februari 2001, 44599/98; JV 2001,103) volgt dat het EHRM in dit kader ook omstandigheden van belang acht die de feitelijke toegankelijkheid van de in de specifieke situatie van de vreemdeling nodige medische zorg kunnen beïnvloeden.

12. De rechtbank stelt voorop dat zij de rechtspraak van het EHRM op dit punt niet leest als zou daaruit volgen dat het Hof eens en voor altijd maatstaven heeft geformuleerd met betrekking tot de vraag naar hetgeen in het kader van artikel 3 van het EVRM van een lidstaat nog wel dan wel niet meer kan worden aanvaard. Daarvoor lijken de beslissingen van het EHRM te zeer op de in die zaken relevante bijzonderheden zelf toegesneden, en is de formulering van de dragende overwegingen in sommige opzichten ook niet eenduidig genoeg. In dit kader wijst de rechtbank er op dat in het arrest Arcila Henao tegen Nederland (EHRM van 24 juni 2003, 13699/03; JV 2004/126) is overwogen dat “it does not appear that the applicant’s illness has attained an advanced or terminal stage, or (markering rb) that he has no prospect of medical care or family support in his country of origin”, een formulering die in de aan deze uitspraak voorafgegane noch in de daarop gevolgde arresten op dit gebied voorkomt. Wel merkt de rechtbank op dat uit de reeks relevante uitspraken van het EHRM volgt dat het aspect “vergevorderd dan wel terminaal stadium van een ziekte” een belangrijk aspect is in de beoordeling. De rechtbank merkt naar aanleiding van het voorgaande dan ook op geen aanleiding te zien anders te oordelen dan op dit punt is overwogen in de uitspraak van de ABRS van 8 november 2005 (JV 2005, 477), te weten dat uit de uitspraak in de zaak Arcila Henao, nr. 13699/03, van het EHRM van 24 juni 2003 niet valt af te leiden dat indien bij afzonderlijke toetsing van deze drie elementen - het stadium waarin de ziekte zich bevindt, het uitzicht op medische zorg in het land van herkomst en op steun van zijn familie aldaar – één van de desbetreffende vragen negatief moet worden beantwoord, een risico op schending van artikel 3 van het EVRM moet worden aangenomen. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming op dit punt in aanmerking genomen, gelijk verweerder ter zitting heeft medegedeeld, dat de lezing zoals eiseres die heeft gegeven van de bewuste passage in het genoemde arrest (Arcila Henao tegen Nederland) het gevolg zou kunnen hebben dat schending van artikel 3 van het EVRM in de opvatting van het Hof ook dan zou moeten worden aangenomen indien voor een niet-ongeneeslijke en/of niet-terminale ziekte in het land van herkomst geen medische zorg beschikbaar of steun van familieleden beschikbaar is, welk gevolg zich bezwaarlijk met tekst en strekking van artikel 3 van het EVRM laat verenigen.

13. De rechtbank overweegt voorts het volgende. Indien en voorzover verweerder ervan uitgaat dat het hem niet vrijstaat ook in die gevallen waarin niet zodanig klemmende omstandigheden voorliggen als waarvan sprake was in de zaak “St Kitts” een beleid te voeren en/of beslissingen te nemen op grond waarvan niettemin van verwijdering van de vreemdeling naar het land van herkomst wordt afgezien, dan zou, reeds gelet op artikel 53 van het EVRM, de strekking en de werking van artikel 3 EVRM worden misverstaan. Verweerder lijkt dit ook zelf te erkennen, waar onder 4. van de overgelegde (interne) werkinstructie nr 2003/19 (AUB) is opgemerkt dat het beleid inzake de medische noodsituatie van B 8/5 “in grote lijnen overeen [komt] met toepassing van artikel 3 EVRM, maar iets minder strikt [is]”. Deze opmerking in de werkinstructie lijkt overigens niet aanstonds te rijmen met de beantwoording door verweerder van de door de rechtbank voorgelegde vraag 1b, alwaar immers is opgemerkt: “Verweerder volgt de criteria zoals die door het EHRM zijn gegeven”.

Wat er echter van dit mogelijke misverstand – en van het kennelijk bij verweerder levende verschil in uitgangspunt – ook zij, de rechtbank is van oordeel dat bij het ontbreken van specifieke, op HIV- dan wel Aids-patiënten toegespitste, beleidsregels van verweerder het vooralsnog niet aan de rechter is om de beleidsruimte die verweerder in het licht van het EVRM op dit gebied heeft nader af te bakenen dan wel in te vullen.

14. Gelet op vorenstaande slaagt het beroep van eiseres dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de relevante jurisprudentie van het EHRM niet.

15. Onder verwijzing naar IV.1.3. constateert de rechtbank dat is gebleken dat verweerder bij een beroep op artikel 3 van het EVRM in verband met medische omstandigheden een handelwijze hanteert, die is neergelegd in de reeds hierboven genoemde werkinstructie nr. 2003/19 (AUB). Gelet op de door eiseres in dit kader aangevoerde beroepsgronden, is tenslotte aan de orde de vraag of het bestreden besluit de toetsing aan genoemde werkinstructie kan doorstaan.

16.1 In dit kader is door eiseres allereerst gesteld dat verweerder de op hem rustende vergewisplicht heeft geschonden, nu niet aan het BMA is verzocht een ambtsbericht op te stellen, zoals vermeld in werkinstructie 2003/19, alsmede nu de vraagstelling van verweerder van 13 december 2004 aan het BMA niet overeenkomt met de vraagstelling die verweerder doorgaans gebruikt als het gaat om asielzaken waar medische problemen mogelijk een rol spelen bij de beoordeling van schending van artikel 3 EVRM.

16.2 Gebleken is dat verweerder de door hem overgelegde werkinstructie nr. 2003/19 (AUB) in zoverre niet heeft geïmplementeerd dat het daarin (onder 1, laatste alinea) in het vooruitzicht gestelde TBV nooit tot stand is gekomen, terwijl evenmin gevolg is gegeven aan het (onder 3, voorlaatste alinea) aan het BMA gedane verzoek een algemeen ambtsbericht op te stellen “aan de hand waarvan een beslisser kan bepalen of een aandoening moet leiden tot een onderzoek door het BMA of kan worden aangemerkt als een aandoening waarop artikel 3 EVRM niet ziet”. Ook is gebleken dat verweerder ten aanzien van eiseres aan het BMA niet de vragen heeft voorgelegd die wel (aan het BMA) zijn gesteld in het – eveneens ter zitting van 10 juli 2006 behandelde – beroep in de zaak-[naam persoon]. Het gaat hier om de vragen of betrokkene zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte bevindt, of betrokkene in verband daarmee (medische) voorzieningen en/of opvang (in of vanwege enige zorginstelling) in Nederland ontvangt, gedurende welke termijn deze voorzieningen worden ontvangen, en of betrokkene er in zodanige mate van afhankelijk is dat beëindiging ervan hem in een direct levensbedreigende situatie brengt, alsmede of vergelijkbare voorzieningen in het land van herkomst aanwezig zijn. Tenslotte is van belang dat ook uit het antwoord van verweerder op de door de rechtbank gestelde vraag 1 (met betrekking tot de specifieke situatie van eiseres) niet duidelijk is geworden op grond waarvan verweerder nu eens (te weten in het door eiseres aangehaalde geval) een BMA-advies volgt waarin is aangegeven “dat de [in het land van herkomst noodzakelijke] behandeling op geen enkele wijze gegarandeerd kan worden”, terwijl in andere gevallen, waaronder het geval van eiseres, in het voetspoor van het BMA de maatstaf wordt aangehouden of “voldoende adequate behandelmogelijkheden [in het land van herkomst] aanwezig zijn”. Verweerders verklaring dat het verschil hierin gelegen zou zijn dat het “zwaardere” criterium (kan behandeling gegarandeerd worden) wordt aangelegd als het gaat om de vraag of medische zorg überhaupt voorhanden is, terwijl het “lichtere” criterium (zijn er voldoende adequate behandelmogelijkheden) wordt gebruikt als het gaat om de beoordeling van de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van de aanwezige medische zorg, overtuigt de rechtbank niet, nu uit het BMA advies van maart 2005 in de onderhavige zaak blijkt dat de opsteller van het BMA rapport, gebruikmakend van het “lichtere” criterium, onmiskenbaar de vraag heeft willen beantwoorden of er (überhaupt) medische zorg voorhanden is in het land van herkomst.

De verschillende maatstaven zijn bovendien aangetroffen in antwoorden op één en dezelfde vraagstelling.

17. Gelet hierop heeft verweerder het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en berust het besluit als gevolg daarvan tevens op een ondeugdelijke motivering. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3.46 van de Awb. Derhalve zal het beroep in zoverre gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

18. Over de vraag of verweerder in het onderhavige geval terecht heeft geconcludeerd dat de uitzetting van eiseres geen schending van artikel 3 van het EVRM zal opleveren, kan de rechtbank zich op dit moment niet uitlaten, nu verweerder, zoals onder rechtsoverweging 16 is overwogen, zijn eigen handelwijze die hij nodig acht om eventueel tot die conclusie te kunnen komen niet heeft gevolgd.

19. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VI . BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,- (zegge: achthonderd en vijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 1 november 2006 door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, en mrs. M.F.J.M. de Werd en H.J.M. Baldinger, in tegenwoordigheid van mr. J.Th.H. Zimmerman, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc:AZ

Coll:

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.