Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1484

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/5184, 06/5187
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldig document grensoverschrijding / EU-document.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvragen van eisers heeft mogen opvatten als aanvragen om verblijfsvergunningen onder de beperking “conform beschikking minister”, waarbij wordt verzocht om vrijstelling van het paspoortvereiste. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eisers niet hebben aangetoond dat zij geen UNMIK-reisdocument kunnen krijgen. Volgens verweerder blijkt uit informatie van het Central Processing Center dat eisers, indien zij beschikken over documenten die als bewijs van hun identiteit kunnen dienen en er familieleden woonachtig zijn in Kosovo, in Kososvo een aanvraag kunnen indienen voor een UNMIK-reisdocument. Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat zij niet terug kunnen reizen naar Kosovo voor het indienen van een aanvraag voor een UNMIK-reisdocument. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat het voor eisers mogelijk is naar Kosovo te reizen om aldaar een aanvraag voor een UNMIK-reisdocument te doen. Eerst in het verweerschrift en zonder staving met informatie heeft verweerder gesteld dat terugkeer mogelijk is met een EU-document. Nu eisers hebben betwist dat het met een EU-document mogelijk is om naar Kososvo te reizen en weer terug te keren naar Nederland en hebben gesteld dat daarvoor een laissez-passer vereist is en verweerder op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de mogelijkheid tot terugkeer naar Nederland wel bestaat met een EU-document, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet het standpunt heeft kunnen innemen dat eisers onvoldoende hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kunnen worden gesteld. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat verweerder op geen enkele wijze de inhoud en status van een EU-document heeft kunnen aangeven. Daarnaast is de vraag niet beantwoord of de autoriteiten van Kosovo een dergelijk document zullen erkennen. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder de stelling dat eisers een aanvraag kunnen indienen voor een UNMIK-reisdocument indien zij beschikken over documenten die als bewijs van hun identiteit kunnen dienen en er familieleden woonachtig zijn in Kosovo, evenmin heeft gestaafd met enig bewijsstuk. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 06/5184 en AWB 06/5187

Datum uitspraak: 13 juli 2006

Uitspraak

ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1949,

v-nummer 190.100.3297,

[eiseres],

geboren op [eiseres] 1952,

v-nummer 190.100.3298,

Burgers van Servië Montenegro,

eisers,

gemachtigde mr. F.A.M. te Braake,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot,

ambtenaar in dienst van de IND.

Het procesverloop

Op 2 augustus 1999 hebben eisers een vergunning tot verblijf voor klemmende redenen van humanitaire aard gevraagd. Bij besluiten van 24 september 1999 heeft verweerder deze aanvragen buiten behandeling gesteld.

Eisers hebben daartegen op 4 oktober 1999 bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 4 april 2003 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Op 9 april 2003 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten waarop verweerder bij brief van 30 maart 2004 de besluiten van 4 april 2003 heeft ingetrokken. Eisers hebben daarop de beroepen van 9 april 2003 ingetrokken.

Bij besluiten van 29 juni 2004 heeft verweerder de bezwaren, voor zover gericht tegen het buiten behandeling stellen van de aanvragen, gegrond verklaard en medegedeeld dat de aanvragen alsnog in behandeling kunnen worden genomen.

Bij besluiten van 26 oktober 2004 heeft verweerder de bezwaren van eisers van 4 oktober 1999 voor zover gericht tegen het afwijzen van hun aanvragen ongegrond verklaard en op 30 december 2005 heeft verweerder deze besluiten aangevuld op grond van artikel 6:18 van de Awb.

Op 5 november 2004, 9 december 2004, 26 januari 2006, 16 februari 2006 en 26 februari 2006 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten en toelichtingen daarop gegeven.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 14 juni 2006. Eisers zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank de bestreden besluiten — de motivering waarop deze besluiten berusten daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen die besluiten aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder stelt, zich kort samengevat, op het standpunt dat sinds de invoering van de Vw 2000 het verblijfsdoel “klemmende redenen van humanitaire aard” niet langer wordt gezien als verblijfsdoel. Onder verwijzing naar B1/2.2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 heeft verweerder vastgesteld dat het niet vereist is dat eisers een beperking aangeven waaronder de verblijfsvergunning moet worden verleend en dat op grond van 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit een verblijfsvergunning kan worden verleend op grond van het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een verblijfsaanvraag. Nu sprake is van meer dan drie jaren relevant tijdsverloop geldt voor eisers een vrijstelling van de plicht om te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en een vrijstelling van het middelenvereiste. Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen omdat zij niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, zoals bedoeld in artikel 16 sub b Vw 2000 (paspoortvereiste) en zij niet hebben aangetoond dat zij niet meer in het bezit kunnen geraken van een dergelijk document.

3. Eisers hebben gesteld dat verweerder ten onrechte geen beslissing heeft genomen op de vraag of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning met de beperking “klemmende redenen van humanitaire aard”. Voorts hebben eisers gesteld dat zij dienen te worden vrijgesteld van het paspoortvereiste.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge B1/2.2.1.1 van de Vc 2000 dient een vreemdeling na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet op 1 april 2001 een beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit aan te geven. In zaken waarin de vreemdeling vóór 1 januari 2000 een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning met als doel “klemmende redenen van humanitaire aard” en geen beperking kon aangeven, kan op grond van artikel 3.4, derde lid van het Vb een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een verblijfsaanvraag. Indien wordt voldaan aan de algemeen geldende voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, kan een verblijfsvergunning worden verstrekt op basis van artikel 3.4, derde lid van het Vreemdelingenbesluit, onder de beperking “conform beschikking Minister”.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvragen van eisers heeft mogen opvatten als aanvragen om verblijfsvergunningen onder de beperking “conform beschikking Minister”, waarbij wordt verzocht om vrijstelling van het paspoortvereiste, nu dit het gevolg is van bovenstaand beleid en gesteld, noch onderbouwd is waarom daarvan moet worden afgeweken. De stelling van eisers dat een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard anderszins een inhoudelijke beoordeling verdient kan dan ook niet slagen. In dit kader wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 november 2004 (LJN: AR77080) waarin is opgemerkt:

“(...) In de huidige wet kan een vergunning tot verblijf zonder beperking worden verleend om humanitaire gronden. In de meeste gevallen wordt deze vergunning verstrekt aan asielzoekers van wie de uitzetting in strijd zou zijn met internationale verplichtingen (EVRM, Verdrag tegen foltering) en indien sprake is van trauma’s die gerelateerd zijn aan het asielrelaas. Nu in het wetsvoorstel in de bedoelde gevallen een verblijfsvergunning op asielgronden zal worden verleend, bestaat er op dit punt geen reden meer om in de nieuwe wet te suggereren dat het verbinden van beperkingen aan de verblijfsvergunning achterwege (kan) blijven.”

(Kamerstukken II, 1999–2000, 26 732, nr. 3, p. 25).

Verder heeft de Afdeling overwogen dat klemmende redenen van humanitaire aard een van de drie algemene grondslagen is voor mogelijke verlening van een verblijfsvergunning. De ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 aan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verbinden beperking betreft een specifiek doel, waarvoor of in verband waarmee de vreemdeling wordt toegelaten. De in artikel 13 van de Vw 2000 vermelde algemene grondslagen zijn derhalve geen verblijfsdoelen maar de gronden, tot één waarvan deze verblijfsvergunning en het in de daaraan verbonden beperking vastgelegde specifieke verblijfsdoel, moet zijn te herleiden.

In artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 zijn nadere regels vastgesteld over de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen. Ingevolge het derde lid kan de minister een verblijfsvergunning verlenen onder een beperking die niet in het eerste lid is vermeld. Ook daarbij geldt evenwel dat het voormelde stelsel van de wet meebrengt dat de beperking betrekking dient te hebben op een specifiek verblijfsdoel.

Derhalve heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht getoetst aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier en staat ter beoordeling van deze rechtbank of verweerder terecht aan eisers heeft tegengeworpen dat zij niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding.

7. Krachtens artikel 16 van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

Op grond van artikel 3.72 van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Het relevante beleid hieromtrent staat in B1/2.2.2 van de Vc 2000.

8. Onbetwist door eisers is dat zij niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Eisers stellen echter dat zij dienen te worden vrijgesteld van het paspoortvereiste, nu zij hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kunnen worden gesteld. Eisers hebben tevergeefs diverse pogingen ondernomen om van de ambassade van Macedonië en de ambassade van Servië-Montenegro een geldig document voor grensoverschrijding te verkrijgen, hetgeen verweerder ook niet heeft betwist.

Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eisers evenwel niet hebben aangetoond dat zij geen UNMIK-reisdocument kunnen krijgen, hetgeen volgens verweerder moet worden aangemerkt als een geldig document voor grensoverschrijding. Volgens verweerder blijkt uit informatie van het Central Processing Center (burgerlijke stand onder auspiciën van de UNMIK) dat eisers, indien zij beschikken over documenten die als bewijs van hun identiteit kunnen dienen en er familieleden woonachtig zijn in Kosovo, in Kososvo een aanvraag kunnen indienen voor een UNMIK-reisdocument. Verweerder komt tot de conclusie dat er onvoldoende grond bestaat voor de verwachting van eisers dat zij niet in bezit zullen worden gesteld van een UNMIK-reisdocument en heeft gesteld dat kan worden aangenomen dat eisers op aanvraag in het bezit zullen worden gesteld van een dergelijk document.

Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat zij niet terug kunnen reizen naar Kosovo voor het indienen van een aanvraag voor een UNMIK-reisdocument. Zij beschikken niet over een paspoort dan wel een ander document waarmee zij naar Kosovo kunnen reizen en vervolgens kunnen terugkeren naar Nederland. Verweerder acht terugkeer naar Kosovo mogelijk met behulp van een EU-document. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het met een EU-document eveneens mogelijk is om vanuit Kosovo terug te keren naar Nederland.

9. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat een UNMIK-reisdocument niet in Nederland kan worden verkregen, zodat eisers, om in het bezit van een dergelijk document te kunnen komen, naar Kosovo moeten reizen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat het voor eisers mogelijk is naar Kosovo te reizen om aldaar een aanvraag voor een UNMIK-reisdocument te doen.

Eerst in het verweerschrift en zonder staving met informatie heeft verweerder gesteld dat terugkeer mogelijk is met een EU-document. Nu eisers hebben betwist dat het met een EU-document mogelijk is om naar Kososvo te reizen en weer terug te keren naar Nederland en hebben gesteld dat daarvoor een Laissez-passer vereist is en verweerder op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de mogelijkheid tot terugkeer naar Nederland wel bestaat met een EU-document, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet het standpunt heeft kunnen innemen dat eisers onvoldoende hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kunnen worden gesteld. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat verweerder op geen enkele wijze de inhoud en status van een EU-document heeft kunnen aangeven. Daarnaast is de vraag niet beantwoord of de autoriteiten van Kosovo een dergelijk document zullen erkennen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder de stelling dat eisers een aanvraag kunnen indienen voor een UNMIK-reisdocument indien zij beschikken over documenten die als bewijs van hun identiteit kunnen dienen en er familieleden woonachtig zijn in Kosovo, evenmin heeft gestaafd met enig bewijsstuk. Verweerder heeft geen inzicht gegeven in de informatie van het Central Processing Center waarop hij zich beroept en de wijze waarop deze informatie is verkregen, zodat de juistheid van deze stelling niet kan worden achterhaald. Daarbij acht de rechtbank van belang dat deze stelling van verweerder niet wordt ondersteund door de informatie van het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 2005 inzake Kosovo, waarin immers is vermeld dat woonregistratie in Kosovo als enig criterium voor de afgifte van UNMIK-reisdocumenten geldt.

10. Hetgeen verweerder verder heeft overwogen en wat daar zijdens eiserss tegen in is gebracht, behoeft, nu niet is gebleken dat eiserss daar procesbelang bij hebben, derhalve geen verdere bespreking.

11. Derhalve zijn de beroepen gegrond wegens schending van het motiveringsvereiste (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verder bestaat aanleiding de navolgende voorlopige voorziening te treffen. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voorts bestaat aanleiding de Staat aan te wijzen als de rechtspersoon die aan eisers het door hen betaalde griffierecht dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de besluiten van 26 oktober 2004 en het aanvullende besluit van 30 december 2005;

draagt verweerder op binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

verbiedt de uitzetting van eisers tot de te nemen besluiten aan hen zijn bekendgemaakt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eisers;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eisers € 138,00 te betalen ter vergoeding van het door hen betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Gielissen en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2006 in tegenwoordigheid van K.M.C. van Middelkoop als griffier.

de griffier? de rechter

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.