Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1406

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
16-11-2006
Zaaknummer
240918 FA RK 05-2067
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding

Na geven van tussenbeschikking alsnog bepaald dat hoger beroep van die beschikking mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Scheiding

6x

rekestnummer: FA RK 05-2067

zaaknummer: 240918

datum beschikking: 22 september 2006

BESCHIKKING op het op 13 april 2005 ingekomen verzoek van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. M. Ferwerda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. J. Dongelmans.

PROCEDURE

Bij beschikking van 24 februari 2006 van deze rechtbank en kamer is - onder meer - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen vastgesteld en de behandeling met betrekking tot de verdeling aangehouden tot 15 augustus 2006 pro forma. In de overwegingen van voornoemde beschikking heeft de rechtbank een beslissing genomen omtrent de rechtsgeldigheid van een convenant.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 6 juli 2006 van de procureur van de man;

- de twee brieven d.d. 12 juli 2006 van de procureur van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 15 augustus 2006 van de procureur van de man.

BEOORDELING

Bij brief van 12 juli 2006 heeft de vrouw de rechtbank verzocht om toestemming, voor zover nodig, om in hoger beroep te gaan van de beschikking van 24 februari 2006 voor zover de verdeling betreffend. De vrouw heeft reeds op 19 april 2006 hoger beroep ingesteld van de beschikking zowel ten aanzien van de in de beschikking bepaalde kinderalimentatie als ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Volgens de vrouw zouden er - gelet op het feit dat ook in de appèlprocedure een beroep zal worden gedaan op de rechtsgeldigheid van het convenant - onomkeerbare zaken worden gedaan, indien nu zou worden meegewerkt aan de verdeling zoals de man die voorstaat.

De man heeft bij faxbericht van 15 augustus 2006 tegen het verzoek van de vrouw bezwaar gemaakt. Volgens de man bestaat er geen discussie of er sprake is van een tussenbeschikking, volgens hem is dat ondubbelzinnig wèl het geval. Voorts heeft de man gesteld dat hij onrechtmatig in zijn verdediging wordt geschaad als het hoger beroep van de vrouw zou worden behandeld zonder dat er eerst een eindbeschikking is gegeven ten aanzien van de verdeling.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om toestemming om in hoger beroep te gaan overweegt de rechtbank dat dit ingevolge artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel niet mogelijk is, omdat de beslissing waarvan de vrouw in hoger beroep wenst te gaan althans reeds is gegaan, alhoewel niet vastgelegd in een eindbeschikking, wel een bindende eindbeslissing is, terwijl de rechtbank in bedoelde beschikking geen hoger beroep heeft opengesteld van deze beslissing.

Gezien de omstandigheid dat de beslissing omtrent de rechtsgeldigheid van het convenant een rechtsvraag betreft die doorwerkt in de verdere behandeling van de zaak en aangezien reeds beroep is ingesteld voordat de beroepstermijn is verstreken, ziet de rechtbank - naar analogie van de uitspraak van de Hoge Raad van 23 januari 2004, NJ 2005, 510 (LJN: AL7051), waarin is beslist dat de rechter, ook nadat hij uitspraak heeft gedaan, desverzocht en na de wederpartij op het verzoek te hebben gehoord alsnog kan bepalen dat beroep kan worden ingesteld voor de einduitspraak, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek aanvankelijk in de processtukken is gedaan - aanleiding om het in artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vervatte verbod van tussentijds hoger beroep op te heffen, zodat het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de behandeling van de zaak aanhouden tot 15 februari 2007 pro forma in afwachting van de uitspraak van het gerechtshof. Mocht de uitspraak van het gerechtshof tot gevolg hebben dat de behandeling van het verzoek tot verdeling bij de rechtbank zal worden voortgezet, dan dienen partijen de in de beschikking van 24 februari 2006 genoemde stukken uiterlijk vier weken vóór genoemde proformadatum aan elkaar en aan de rechtbank te overleggen. De rechtbank zal voorts handelen overeenkomstig het procesreglement scheiding.

BESLISSING

De rechtbank:

bepaalt dat hoger beroep mogelijk is van de beschikking van 24 februari 2006;

houdt de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling aan tot 15 februari 2007 pro forma in afwachting van de uitspraak van het gerechtshof;

bepaalt dat partijen uiterlijk vier weken vóór genoemde proformadatum de rechtbank informeren over de stand van zaken en, indien daartoe ingevolge de uitspraak van het gerechtshof aanleiding is, aan elkaar en aan de rechtbank de in de beschikking van 24 februari 2006 genoemde stukken dienen over te leggen;

bepaalt dat partijen tot de proformadatum op de door de wederpartij overgelegde stukken schriftelijk mogen reageren;

bepaalt dat de behandeling ter zitting eerst na tijdige ontvangst van de stukken zal worden voortgezet, behoudens toepassing van artikel 9.7 en 9.8 van het procesreglement scheiding;

bepaalt dat, indien voor genoemde proformadatum geen bericht is ontvangen of door beide partijen de gevraagde stukken niet (volledig) zijn overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd, de zaak ingevolge artikel 9.5 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan;

bepaalt dat, indien een van partijen de gevraagde stukken niet (volledig) heeft overgelegd zonder dat uitstel is gevraagd de zaak ingevolge artikel 9.6 van het procesreglement scheiding schriftelijk zal worden afgedaan tenzij de wederpartij of de rechter een mondelinge behandeling wenst, in welk geval stukken van de partij die in gebreke was niet meer zullen worden geaccepteerd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th.G. Lautenbach, bijgestaan door mr. M. Pereira Horta-van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2006.