Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ1060

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/22573, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

14-1-brief / asielgerelateerde argumenten / reguliere beslissing.

Verzoekers hebben verweerder verzocht om hen met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen te verlenen. Gezien het feit dat de brief van verzoekers asielgerelateerde argumenten bevat, heeft verweerder die brief in zoverre terecht aangemerkt als een aanvraag asiel. Gelet evenwel op de inhoud en strekking van die brief, is die tevens aan te merken als een bij verweerder ingediende aanvraag om met gebruikmaking van zijn in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000 gegeven discretionaire bevoegdheid verzoekers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Verweerder heeft de aanvragen, voor wat betreft het asielgedeelte, bij besluiten van 11 april 2006 afgewezen. Met intrekking van het besluit van 27 november 2003 - waarin verweerder had medegedeeld geen ruimte te zien de zaken opnieuw te beoordelen - is op het reguliere gedeelte van de aanvragen nog niet beslist. Nu verzoekers niet schriftelijk te kennen hebben gegeven dat zij hun aanvragen van 18 juli 2003 - voor zover die zien op het verlenen van een verblijfsvergunning regulier - hebben ingetrokken en verzoekers evenmin op andere wijze kenbaar hebben gemaakt dat de aanvragen als ingetrokken kunnen worden beschouwd, dient verweerder nog te beslissen op het reguliere gedeelte van de aanvragen van 18 juli 2003. Gelet op artikel 3.1 Vb 2000 hebben verzoekers in afwachting van een beslissing op hun aanvragen rechtmatig verblijf hier te lande. De verzoeken om een voorlopige voorziening worden derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.1
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/470

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 06/22573 (voorlopige voorziening)

AWB 06/22576 (voorlopige voorziening)

AWB 06/22580 (voorlopige voorziening)

AWB 06/22586 (voorlopige voorziening)

mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2006

in het openbaar uitgesproken door mr. H.C. Greeuw, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van J.M. Mills, griffier.

in de zaken van:

1. [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1960, verzoeker,

2. [verzoekster 1], geboren op [geboortedatum] 1964, verzoekster,

3. [verzoekster 2], geboren op [geboortedatum] 1986, verzoekster,

4. [verzoeker 3], geboren op [geboortedatum] 1988, verzoekster,

allen van Azerbeidzjaanse nationaliteit, tezamen: verzoekers,

gemachtigde: mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. C.R. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te

’s-Gravenhage.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Procesverloop

Verzoekers hebben op 18 juli 2003 verzoeken ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van hun schrijnende omstandigheden. Verweerder heeft de aanvragen aangemerkt als asielaanvragen en deze aanvragen bij besluiten van 11 april 2006 afgewezen. Verzoekers hebben op 8 mei 2006 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen deze besluiten. Op diezelfde datum hebben zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten voordat de rechtbank op de beroepen heeft beslist.

Overwegingen

Allereerst dient de beoordeeld te worden of verzoekers belang hebben bij een beoordeling van de onderhavige verzoeken om een voorlopige voorziening.

Feiten

Op 18 juli 2003 hebben verzoekers aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van hun schrijnende omstandigheden. Bij brief van 29 juli 2003 heeft verweerder medegedeeld de dossiers te beoordelen op de door verzoekers aangegeven schrijnendheid. Bij brief van 27 november 2003 heeft verweerder vervolgens medegedeeld geen ruimte te zien om de zaken opnieuw te beoordelen. Hiertegen hebben verzoekers op 8 december 2003 een bezwaarschrift ingediend.

Op 25 januari 2005 heeft M. Hendriks, werkzaam bij de IND, naar aanleiding van een gesprek met de gemachtigde van verzoekers een telefoonnotitie opgemaakt, waarin - voor zover hier van belang - het volgende is vermeld:

“(...)

Ik heb aangegeven dat qua asielprocedure de familie [familienaam] uitgeprocedeerd is, maar dat er inderdaad nog een bezwaar 14/1 openstaat. Ik weet zelf niet of een dergelijk bezwaar schorsende werking heeft of niet, maar dat zou de unit T&T verder moeten bekijken en afstemmen met de VD.

Ik heb toegezegd dat ik de medewerker van de unit T&T door zal geven dat het bezwaar 14/1 nog open staat en dat zij moeten uitzoeken of dat SW oplevert. Ook toegezegd dat dit door T&T verder afgestemd zal worden met VD.”

Vervolgens heeft verweerder bij brief van 18 oktober 2005 de gemachtigde van verzoekers het volgende medegedeeld:

“Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 november 2004 (200404931/1, JV 2005/26) kan uw brief van 18 juli 2003 worden beschouwd als een aanvraag. In dit licht bezien is mijn reactie van 27 november 2003 op uw brief een besluit, waartegen het indienen van een rechtsmiddel mogelijk is. Aan de Tweede Kamer heb ik toegezegd dat ik bezwaarschriften tegen dat besluit, mits tijdig en door de belanghebbende ingediend, inhoudelijk zal behandelen. In asielzaken is behandeling in bezwaar evenwel niet mogelijk. Aangezien uw verzoek het karakter heeft van een asielaanvraag trek ik mijn besluit van 27 november 2003 op uw brief van 18 juli 2003 daarom in onder mededeling dat ik op uw brief inhoudelijk zal beslissen. Ik neem aan dat dit reden voor u is om het bezwaarschrift in te trekken. Indien u van mening bent dat ik het verzoek ten onrechte als een asielaanvraag opvat, verzoek ik u mij dat binnen twee weken na heden schriftelijk te berichten.”

Op 20 oktober 2005 heeft de gemachtigde van verzoekers telefonisch contact opgenomen met S. Jacobs, medewerker van de IND. Laatstgenoemde heeft van het gesprek een telefoonnotitie opgesteld. Deze luidt als volgt:

“Mevrouw Terpstra belde naar aanleiding van de brief die op 18 oktober jl. is gestuurd in het kader van het 14-1 project. De 14-1 brief van de cliënten van betrokkene wordt, zonder tegenbericht, beschouwd als zijnde een nieuwe asielaanvraag. Tevens worden zij uitgenodigd voor een nader gehoor te Zevenaar. Mevrouw Terpstra vraagt om uitleg van de brief. Ik heb haar deze uitleg gegeven en zij geeft aan dat ze dan waarschijnlijk wel voor asiel zullen kiezen in plaats van regulier. Er spelen namelijk ook asielgerelateerde problemen, te weten het buitenschuld-criterium.“

Verzoekers hebben bij brief van 31 oktober 2005 het bezwaar gericht tegen het besluit van 27 november 2003 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder het verzoek van 18 juli 2003 aangemerkt als een asielaanvraag en de onderhavige besluiten genomen.

Standpunten partijen

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen 14-1 aanvraag meer open ligt. Die aanvraag is met instemming van verzoekers aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. Daarop is bij de besluiten van 11 april 2006 beslist. Indien verzoekers voor een verblijfsvergunning regulier in aanmerking willen komen, kunnen zij daartoe een aanvraag indienen.

Verzoekers hebben dit gemotiveerd betwist en zich op het standpunt gesteld dat verweerder nog op (het reguliere gedeelte van) de aanvragen van 18 juli 2003 dient te beslissen en verzoekers derhalve rechtmatig verblijf hier te lande hebben.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers verklaard dat zij op 20 oktober 2005 naar aanleiding van de brief van verweerder van 18 oktober 2005 telefonisch contact heeft gehad met de heer Jacobs van de IND en deze haar heeft meegedeeld dat, als verzoekers ermee akkoord gaan dat de aanvraag wordt aangemerkt als een asielaanvraag, eerst die asielaanvraag beoordeeld zal worden en daarna, indien nog nodig, de zaken op schrijnendheid beoordeeld zullen worden. Hierbij heeft zij ter zitting een door haar van het gesprek met de IND opgestelde telefoonnotitie getoond en, met instemming van verweerder, overgelegd. In deze telefoonnotitie is het volgende opgenomen:

“Gebeld met dhr Jacobs over 14-1 brief. Gevraagd wat betekent ‘dat de aanvraag wordt aangemerkt als asielaanvraag’ voor beoordeling 14-1 brief fam [familienaam]? Dhr Jacobs zegt bij asielelementen in 14-1 brief ‘eerst herhaalde asielaanvraag dan schrijnendheid’.

Ik heb gevraagd; Bij asielaanvraag artikel 4:6 Awb? Dhr Jacobs bevestigt.

Ik heb gevraagd; 14-1 brief geen asielaanvraag wat dan? Dhr Jacobs zegt dan alleen schrijnendheid; asielelementen spelen dan geen rol.

Ik heb gevraagd; Dus 14-1 brief als asielaanvraag - in dat geval eerst asiel daarna schrijnendheid en bij regulier alleen schrijnendheid? Dhr Jacobs bevestigt.

Ik heb gezegd; dan asielaanvraag ok, zijn immers asielelementen ook aanwezig, maar juridisch vreemd want 14-1 brief is geen asielaanvraag.”

Overwegingen voorzieningenrechter

In hun schrijven van 18 juli 2003 hebben verzoekers, onder verwijzing naar de toezegging van voormalig Minister Nawijn van 14 januari 2003, verweerder verzocht om met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid verzoekers een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. In de brief is een beroep gedaan op de schrijnende situatie waarin verzoekers verkeren. In dat verband is onder meer gewezen op wat verzoekers in het land van herkomst hebben meegemaakt en wat hen bij terugkeer te wachten staat, maar is ook expliciet melding gemaakt van hun volledige integratie in Nederland, hun beheersing van de Nederlandse taal en hun medisch-psychische situatie.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gezien de inhoud van de brief van 18 juli 2003, deze deels asielgerelateerde argumenten bevat en verweerder die brief in zoverre terecht heeft aangemerkt als een aanvraag asiel. Gelet evenwel op de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van die brief, is die tevens aan te merken als een bij verweerder ingediende aanvraag om met gebruikmaking van zijn in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) gegeven discretionaire bevoegdheid verzoekers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Vastgesteld wordt dat met de intrekking van het besluit van 27 november 2003 op die aanvraag nog niet is beslist. Voorts is niet in geschil dat verzoekers niet schriftelijk te kennen hebben gegeven dat zij hun aanvraag van 18 juli 2003, voor zover die ziet op het verlenen van een verblijfsvergunning regulier, hebben ingetrokken.

De vraag die voorligt is derhalve of verzoekers op andere wijze aan verweerder kenbaar hebben gemaakt dat die aanvraag als ingetrokken kan worden beschouwd. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Gelet op de hierboven weergegeven feiten staat vast dat de gemachtigde van verzoekers op 20 oktober 2005 de heer Jacobs van de IND telefonisch om uitleg heeft gevraagd van de brief van verweerder van 18 oktober 2005 en deze uitleg is gegeven. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de door de gemachtigde van verzoekers gegeven weergave van het telefoongesprek voor onjuist te houden. In de eerste plaats omdat die uitleg aansluit bij de – beknopte – inhoud van de telefoonnotitie van de heer Jacobs. De zinsnede “Er spelen namelijk ook asielgerelateerde problemen…” duidt er op dat er ook niet-asielgerelateerde (reguliere) problemen zijn. De weergave door de gemachtigde van verzoekers wordt voorts ondersteund door de aan verzoekers in het asielgehoor van 3 november 2005 gestelde vragen. Zo is blijkens het rapport van gehoor van 3 november 2005 onder 3.1. de vraag gesteld: In de brief van 18 juli 2003 is bij voorbeeld aangevoerd dat u en uw gezin ingeburgerd zijn. Kunt u hier een voorbeeld van geven? Onder 3.3. met het kopje “Inherente afwijkingsbevoegdheid” is - onder meer - de volgende vraag aan verzoekers gesteld: Op grond van de Nederlandse wetgeving is beleid gemaakt. Aan de hand van dat beleid wordt getoetst. Waarom zouden we naar uw mening daarvan moeten afwijken? Wat maakt u anders dan anderen (unieke situatie)?

Deze vragen kunnen bezwaarlijk anders worden opgevat dan vragen in het kader van de beoordeling van de (reguliere) aangevoerde schrijnende omstandigheden. Voorts heeft de gemachtigde van verzoekers in de correcties en aanvullingen op die gehoren nogmaals beroep gedaan op “schrijnendheid” naast de asielgerelateerde opmerkingen.

Gelet op het vorenstaande kan niet geoordeeld worden dat verzoekers aan verweerder kenbaar hebben gemaakt dat hun aanvraag om, met gebruikmaking van de in artikel 3.4, derde lid, Vb gegeven discretionaire bevoegdheid, in aanmerking gebracht te worden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als ingetrokken kan worden beschouwd.

Al het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder tot op heden niet heeft beslist op (het reguliere gedeelte van) de aanvraag van 18 juli 2003.

In artikel 3.1 Vb is bepaald dat het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning tot gevolg heeft dat uitzetting achterwege blijft. Gelet op het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder f, Vw, hebben verzoekers in afwachting van een beslissing op hun aanvragen rechtmatig verblijf hier te lande.

De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat verzoekers geen belang hebben bij een beoordeling van de onderhavige verzoeken om een voorlopige voorziening. Derhalve zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaren.

Er is geen grond één van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Waarvan proces-verbaal.

griffier rechter

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.