Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0877

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
06/537 F 256544/FT-RK 05.2625
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot faillietverklaring door schuldeiser. Verweerder doet verzoek tot het uitspreken van de schuldsaneringsregeling. Verzoek wordt door de rechtbank afgewezen en het vonnis wordt door het gerechtshof bekrachtigd. Verweer van verweerder dat hij niet verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen wordt door de rechtbank om de navolgende redenen verworpen. Ten eerste blijkt uit het door hem ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dat verweerder te kennen heeft gegeven te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling zijner schulden. Tevens blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde verklaring als bedoeld bij artikel 285 Fw. dat verzoeker een aanzienlijke schuldenlast heeft, afgezien van de vordering van verzoekster. Ten slotte wordt door verweerder zijn overeengekomen betalingsregelingen met zijn schuldeisers niet nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

de vennootschap naar het recht van Zwitserland ZÜRICH LEBENSVERSICHERUNGSGESELLSCHAFT statutair gevestgd te Zürich, Zwitserland,

verzoekster,

procureur: mr. J.A.N. Baas,

heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van:

[verweerder], wonende te [(postcode) woonplaats] aan de [a-straat (huisnummer)], mede handelende onder de naam [bedrijf], zaakdoende te [(postcode) plaats] aan de [b-straat (huisnummers)];

verweerder.

Verweerder is op 18 januari, 3 mei en 19 juli 2006 in raadkamer gehoord. Bij de behandeling van het verzoekschrift tot faillietverklaring op 18 januari 2006 heeft verweerder te kennen gegeven een verzoek te willen doen om toepassing van de schuldsaneringsregeling. Teneinde verweerder hiertoe in de gelegenheid te stellen is de behandeling van het faillissementsrekest pro forma aangehouden tot 29 maart 2006. Bij vonnis van 5 april 2006 heeft deze rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Van dit vonnis is verweerder in hoger beroep gegaan; het hof heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank bekrachtigd; inmiddels is voornoemd arrest in kracht van gewijsde gegaan.

Bij de aangehouden behandeling op 19 juli 2006 is verweerder bij monde van zijn raadsman mr. R.R.J. Moesbergen gehoord. Mr. Moesbergen heeft het verweer gevoerd dat verweerder - kort gezegd - niet verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Bovendien heeft mr. Moesbergen aangevoerd dat verweerder een aflossingsvoorstel heeft gedaan aan verzoekster en voorts een tegenvordering betreffende getuigenvergoeding op verzoekster heeft. De raadsman heeft hieruit geconcludeerd dat een verzoek tot faillietverklaring prematuur is.

De procureur van verzoekster, vertegenwoordigd ter terechtzitting d.d. 19 juli 2006 door mr. B.Y. Pije, heeft aangegeven te persisteren bij het verzoek tot faillietverklaring.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van gerekestreerde in Nederland ligt.

De rechtbank overweegt dat het vorderingsrecht van verzoekster vaststaat, nu aan de hoofdvordering van verzoekster een inmiddels - na verwerping van het cassatieberoep door de Hoge Raad op 20 december 2002 - in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2000 ten grondslag ligt.

Bovendien stelt de rechtbank op grond van hetgeen ter zitting is besproken en op basis van de stukken vast dat verweerder verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het argument dat verweerder niet in een faillissementstoestand zou verkeren, snijdt op grond van de navolgende, als vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden, geen hout:

- op 7 maart 2006 heeft verweerder een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, waarbij hij te kennen heeft gegeven te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met de betaling zijner schulden;

- uit de bij dit verzoekschrift gevoegde verklaring als bedoeld bij art. 285 Faillissementswet volgt dat verzoeker een schuldenlast heeft van in totaal € 214.174,80, dit nog afgezien van de vordering van verzoekster, die door deze voorlopig en exclusief rente op € 2.315.874,22 wordt begroot. Tegenover deze schuldenlast staat een inkomen van - blijkens diezelfde verklaring - € 543,85 per maand;

- verweerder komt eerder overeengekomen betalingsregelingen met zijn schuldeisers niet na. Op 16 november 2005 schrijft hij (productie 4 bij het rekest) aan Korving Deurwaarders: 'de regelingen die zijn getroffen kan ik op dit ogenblik niet nakomen. (...) Geen enkele verplichting kan nu worden nagekomen. (...) Er is ook een schuld (...) aan Nuon. De regeling is niet nagekomen.' Gebleken noch gesteld is dat hierin inmiddels verandering is gekomen. Uit het vorenstaande volgt eveneens dat verweerder meerdere schulden onbetaald laat.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de proceshouding van verweerder haar innerlijk tegenstrijdig voorkomt. Het gaat naar haar oordeel, gelet op het bepaalde in art. 284, eerste lid, van de Faillissementswet immers niet aan om, geconfronteerd met een faillissementsaanvrage, eerst toelating te verzoeken tot de wettelijke schuldsaneringsregeling om vervolgens, nadat dit verzoek is afgewezen, de toestand van te hebben opgehouden te betalen te ontkennen. Het had onder die omstandigheden veeleer op verzoekers weg gelegen om in stede van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling primair inhoudelijk verweer te voeren tegen de faillissementsaanvrage.

Op grond van het in raadkamer behandelde is de rechtbank derhalve summierlijk gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden welke aantonen dat de verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en van het vorderingsrecht van verzoekster. Het faillissement dient dan ook uitgesproken te worden.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart in staat van faillissement:

[verweerder],

geboren op [geboortedatum 1946] te [geboorteplaats] ((Nederland)),

woonadres: [postcode woonplaats], [c-straat huisnummer],

voorheen handelend onder de naam [initaal en achternaam verweerder],

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Rijnland onder nummer [00000000],

vestigingsadres: [postcode plaats], [a-straat (huisnummer)],

- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdprocedure is als bedoeld in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. D. de Loor

en stelt aan als curator mr. C. van Oosten,

advocaat en procureur te Leiden;

- geeft last aan de curator tot het openen van aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.

Gewezen door mr. E. Rabbie en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2006 om 10:12 uur, in tegenwoordigheid van mr. K.M.J. Mrozek, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een procureur binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te 's-Gravenhage.

De behandelend gerechtsecretaris is mr. C.J. de Pagter.