Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0674

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2006
Datum publicatie
26-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/3638 WWB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BC2073, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering Bijstand

gezamenlijke (verzwegen) samenwoning

Bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/3638 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], en [eiseres], wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 15 juli 2004 heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand beëindigd met ingang van 1 juni 2004, het besluit tot toekenning van bijstand aan eiseres herzien (lees: ingetrokken) over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 mei 2004 en de over die periode ten onrechte verleende bijstand ten bedrage van € 64.625,55 teruggevorderd van zowel eiseres als van eiser.

Tegen dit besluit hebben eisers bij gezamenlijke brief van 26 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 april 2004, verzonden 7 april 2004, heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij gezamenlijke brief van 17 mei 2005, ingekomen bij de rechtbank op 18 mei 2005, tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 13 juni 2006 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon en eiseres is niet verschenen. Eisers hebben zich laten bijstaan en vertegenwoordigen door mr. F.J. Hordijk, advocaat te Naaldwijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Poldermans.

Motivering

Eiseres ontving bijstand van 1 maart 1993 tot 1 december 1999 naar de norm éénoudergezin/alleenstaande ouder en vanaf 12 januari 2001 naar de norm alleenstaande. Eiseres woonde sedert tenminste 1995 - en zij woont thans nog steeds - op de [a-straat] 27 te [woonplaats]. Eiser huurde een eigen woning in [gemeente A] aan [b-straat] 50, alwaar hij sedert 9 september 1996 in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven.

Na een anonieme tip heeft Sociale Recherche gemeente Delft, in opdracht van verweerder, een bijzonder onderzoek verricht naar verzwegen samenwoning door eisers. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in twee rapportages (van 14 mei 2004 en 14 juli 2004), opgesteld door een sociaal rechercheur met bijzondere opsporingsbevoegdheid. Op basis van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eisers sedert medio 1997 in het huis van eiseres te [woonplaats] een gezamenlijke huishouding voeren. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit, dat in bezwaar is gehandhaafd, genomen, welk besluit ziet op de periode vanaf 1 januari 1998.

Eisers stellen op z'n vroegst vanaf maart 2003 samen te wonen.

Beoordeeld dient te worden of er over de periode 1 januari 1998 tot maart 2003 eveneens sprake was van een gezamenlijke huishouding. Om een gezamenlijke huishouding te kunnen vaststellen dient er sprake te zijn van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse verzorging.

Vanaf 1 januari 2004 ontleent verweerder zijn bevoegdheid een besluit tot toekenning van bijstand te herzien of in te trekken en de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand terug te vorderen aan de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB. De rechten en verplichtingen van een belanghebbende dienen daarbij in beginsel te worden beoordeeld naar de wetgeving die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben (CRvB 21 april 2005, 04/4981 NABW; LJN AT4358).

Verweerder heeft, overeenkomstig de in het overgangsrecht van de WWB opgenomen mogelijkheid, voor 1 januari 2005 uitvoering gegeven aan WWB-bepalingen die van onmiddellijke inwerkingtreding op 1 januari 2004 zijn uitgezonderd, en wel met de inwerkingtreding van de Verordening maatregelen 2004 per 1 september 2004. Dit betekent dat ten aanzien van de inlichtingenplicht nog met toepassing van het alsdan tot 1 september 2004 geldende artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), dient te worden beslist.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB (tot 1 januari 2004: de Abw) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert (...).

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB (tot 1 januari 2004: de Abw) is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB (tot 1 januari 2004: de Abw) verstaat onder gezin (...) de gehuwden tezamen (...).

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB (tot 1 januari 2004: artikel 7 van de Abw) heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB (vanaf 1 september 2004) doet de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op (...) het recht op bijstand. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw (tot 1 september 2004) doet de belanghebbende dit aan burgemeester en wethouders ten aanzien van het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB kan het college, onverminderd het elders in de WWB bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand (...), een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB (...) heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen (...) bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de WWB (...) niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB zijn de in het eerste en tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

De rechtbank overweegt dat in de rapportage van de sociale recherche van 14 juli 2004 samenvattingen zijn opgenomen van de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek opgemaakt processen-verbaal van verhoor van onder meer eisers. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat verweerder beschikt over de volledige processen-verbaal, welke wél aan de primaire besluitvorming doch niet aan de besluitvorming in bezwaar ten grondslag zijn gelegd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 2005 (CRvB 3 mei 2005, LJN AT5843, rechtspraak.nl) overweegt de rechtbank dat het voor een zorgvuldige besluitvorming in beginsel noodzakelijk is dat het betrokken bestuursorgaan zich aan de hand van de volledige, authentieke processen-verbaal genoegzaam heeft kunnen vergewissen van de juistheid van de inhoud van de samenvattingen. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit niet alleen voor de primaire besluitvorming, maar ook voor de besluitvorming in bezwaar.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

Eisers beschikken - in het kader van een strafrechtelijke procedure - over de volledige processen-verbaal en hebben ter zitting desgevraagd verklaard niet te betwisten dat de rapportage van de sociale recherche op zichzelf correcte samenvattingen bevatten van de processen-verbaal van de verhoren, maar dat de uit het onderzoek getrokken conclusies worden betwist. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet noodzakelijk dat hij bij zijn oordeelsvorming tevens de beschikking heeft over de desbetreffende processen-verbaal.

Met betrekking tot de vraag of eisers beiden vanaf 1 januari 1998 hun hoofdverblijf hebben gehad op het adres van eiseres overweegt de rechtbank dat beiden diverse malen door de sociale recherche zijn verhoord. Tijdens het vijfde verhoor op 30 juni 2004 heeft eiser verklaard dat hij sedert medio 1997, wanneer hij niet op zakenreis was in het buitenland, ongeveer vijf nachten per week in de woning van eiseres bleef slapen en ongeveer twee nachten per week in zijn eigen woning te [gemeente A]. Voorts heeft eiser tijdens het derde verhoor op die dag de verklaring van zijn zoon, [zoon van eiser], bevestigd dat die zoon sedert 3 maart 2003 de enige bewoner is op het adres [b-straat] 50 te [gemeente A] en dat zijn vader, eiser, op het adres [a-straat] 27 te [woonplaats] woont.

Eiseres heeft op 30 juni 2004 tijdens het vijfde verhoor tegenover de sociale recherche verklaard dat zij het eens is met de verklaring van eiser dat hij sinds medio 1997 ongeveer vijf dagen per week bij haar verbleef, maar dat het een gemiddelde blijft. Voorts heeft eiseres tijdens dat verhoor verklaard dat de boodschappen door hen beiden werden betaald, dat zij de financiële zaken nooit gescheiden hebben gehouden en dat eiseres de huur van haar woning heeft betaald met de bankpas van eiser. De rechtbank neemt aan dat eiseres doelde op de huurbetalingen in februari en april 2004, welke door eiser in het vierde verhoor zijn gemeld, hetgeen bevestigd wordt door de mutatieoverzichten van de bankrekening van eiser.

In de stelling van eisers dat die verklaringen - mede wegens de herinnering aan een gevangenschap in het geboorteland van eiseres (Iran) - onder druk tot stand zijn gekomen, leest de rechtbank mede dat die verklaringen worden ingetrokken. De rechtbank overweegt dat naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van de tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen (o.m. CRvB 16 augustus 2004, LJN AU2105, JWWB 2005/420). Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat de verhoren bij eiseres nare herinneringen aan haar gevangenschap in Iran naar boven heeft gebracht, is de rechtbank niet gebleken dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk of dat deze niet in vrijheid zijn afgelegd.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat eisers in de periode 1 januari 1998 tot 1 juni 2004 een gezamenlijke huishouding voerden op de [a-straat] 27 te [woonplaats], zijnde het adres van eiseres. Dat hiervan sprake is wordt bevestigd door de verklaringen die door diverse buurtbewoners aan de [a-straat] 27 zijn afgelegd en de bevindingen van het onderzoek in de woning op 30 juni 2004.

Eisers stelling dat aan de verklaringen van de buurtbewoners geen waarde kan worden gehecht nu de vraagstelling niet correct was, treft geen doel. Dat de buurtbewoners niet expliciet gevraagd is wanneer zij eiser hebben zien komen en weggaan, betekent niet dat hetgeen zij verklaarden geen waarde heeft. De aan de buurtbewoners gestelde vragen lieten genoeg ruimte om eisers stelling dat hij 's avonds aankwam in zijn woning en 's morgens daaruit weer vertrok, te bevestigen, hetgeen niet is gebeurd.

Aan de ter zitting door mevrouw [dochter van eiseres], afgelegde verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op de aard en hoeveelheid van het andere bewijsmateriaal niet die waarde worden toegedicht als door eisers is bepleit.

In tegenstelling tot hetgeen door eisers is betoogd, is er naar het oordeel van de rechtbank wel sprake geweest van financiële verstrengeling. Eiseres heeft immers zelf verklaard dat de boodschappen door beiden werden betaald en zij de financiële zaken nooit gescheiden hebben gehouden. Gelet op de verdere inhoud van deze verklaring moet dit deel van de verklaring geacht worden betrekking te hebben op de samenwoning vanaf medio 1997. Dat de verklaring over het doen van boodschappen alleen betrekking zou hebben op de periode na maart 2003 acht de rechtbank niet aannemelijk.

Uit de door eiser overgelegde bankafschriften volgt dat eiser zijn bankrekening in de jaren 1998 tot en met 2001 voornamelijk gebruikte voor de ontvangst van zijn salaris en het (automatisch) betalen van vaste lasten zoals huur, verzekeringen en abonnementen, hetgeen niet betekent dat er geen sprake kan zijn geweest van een financiële verstrengeling met eiseres.

Ten aanzien van de intrekking en terugvordering van eiseres.

Gelet op bovenstaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eisers in de periode vanaf 1 januari 1998 een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van eiseres. Eiseres is in die periode niet als zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat geen recht op bijstand bestond naar de norm van éénoudergezin/alleenstaande (ouder). Door van de gezamenlijke huishouding in het betrokken tijdvak geen melding te maken, heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden als bedoeld in de artikelen 65 Abw en 17 WWB. Verweerder was derhalve gehouden het recht op bijstand te beëindigen en bevoegd op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a van de WWB tot intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand over de betreffende periode over te gaan. Hierdoor is tevens voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van eiseres van ten onrechte aan haar verleende bijstand. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking en vervolgens terugvordering van eiseres heeft kunnen besluiten.

Ten aanzien van de medeterugvordering van eiser.

Nu gelet op het voorgaande vaststaat dat eisers ten tijde in geding met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen en eiser degene was met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, was verweerder derhalve bevoegd de ten onrechte ten behoeve van eiseres gemaakte kosten van bijstand mede van eiser terug te vorderen. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot medeterugvordering heeft kunnen besluiten.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.

Verweerder wordt in de door eisers gemaakte proceskosten veroordeeld voor een bedrag van € 644,-, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te weten het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting 2 punten worden toegekend, met een waarde van € 322,- per punt.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat de gemeente Pijnacker-Nootdorp aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 37,-, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-, welk bedrag de gemeente Pijnacker-Nootdorp aan eisers moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M. Munsterman en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. Mulder.