Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0537

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
26-10-2006
Zaaknummer
AWB 06/15853, 06/15852
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Leges / WBV 2006/7 / artikel 6:22 Awb.

Na uitnodiging om de aanvraag voor studie in persoon op het IND kantoor in te dienen en de leges ter plekke te voldoen, heeft verzoeker bij de indiening van de aanvraag de leges – ook na mondelinge mededeling om dit verzuim ter plekke te herstellen – niet voldaan, waarna de aanvraag buiten behandeling werd gesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker door verweerders verwijzing in het besluit op bezwaar naar het beleid in WBV 2006/7, welke op dat moment niet van toepassing was, niet in zijn belangen is geschaad. WBV 2006/7 kan, blijkens de toelichting, worden gezien als een voortzetting van WBV 2005/21 en beide zijn met betrekking tot de procedure bij indiening van de aanvraag inhoudelijk gelijk, zodat het materiële toetsingskader voor verzoeker hetzelfde is. Met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt het bestreden besluit in stand gelaten. Ten aanzien van verzoekers stelling dat de geboden herstel-verzuim-termijn voor de betaling van de leges onredelijk kort was, oordeelt de voorzieningenrechter dat hij de geboden termijn niet kennelijk onredelijk geacht. Verzoeker is in de uitnodigingsbrief op de gang van zaken gewezen en ook gewezen op de noodzaak betaalmiddelen mee te nemen, daar de verschuldigde leges per kas dan wel per pinbetaling dienen te worden voldaan. Tevens is vermeld dat indien niet aan de uitnodiging wordt voldaan, de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld. Hiermee was naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk wat er van verzoeker werd verwacht. Dat hij zonder betaalmiddelen is verschenen dient voor zijn rekening en risico te blijven. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 06 / 15853 (voorlopige voorziening)

AWB 06 / 15852 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2006

in de zaak van:

[verzoeker],

gestelde geboortedatum [geboortedatum] 1987; toegekende geboortedatum [toegekende geboortedatum] 1982, van Angolese nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. B.H.C.M. Nollen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 29 augustus 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘studie’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 29 augustus 2005 buiten behandeling gesteld. Verzoeker heeft tegen het besluit op 14 september 2005 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 10 oktober 2005 (AWB 05/41663) van deze rechtbank en nevenzittingsplaats is de voorlopige voorziening toegewezen. Verzoeker heeft tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar op 28 december 2005 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 21 februari 2006 (AWB 06/727) heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep gegrond verklaard. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 28 maart 2006 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 29 maart 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 29 maart 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker is bij brief van 10 augustus 2005 uitgenodigd om op 29 augustus 2005 in persoon te verschijnen bij de IND om daar de onderhavige aanvraag in te dienen en de leges ter plekke te voldoen. Verzoeker is op 29 augustus 2005 in persoon verschenen, doch heeft de verschuldigde leges niet voldaan. Vervolgens is verzoeker mondeling in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen en om alsnog de leges te voldoen. Hieraan heeft verzoeker geen gevolg gegeven. Daarop is de aanvraag buiten behandeling gesteld.

2.5 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aan verzoeker geboden termijn om alsnog de leges te voldoen redelijk is, nu deze in overeenstemming is met Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2006/7.

2.6 Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de geboden termijn om alsnog de leges te voldoen onredelijk kort is, zodat de aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Voorts is verweerder uitgegaan van een onjuiste beleidstoepassing, nu ten tijde van het bestreden besluit WBV 2006/7 niet van kracht was.

2.7 Bij verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan de omstandigheid dat in het bestreden besluit abusievelijk is verwezen naar WBV 2006/7 in plaats van naar het toen geldende WBV 2005/21, niet tot vernietiging van dat besluit hoeft te leiden, nu beide WBV’s inhoudelijk niet van elkaar verschillen. Het beleid in dezen is niet kennelijk onredelijk. De aanvraag is derhalve terecht buiten behandeling gesteld.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Niet in geschil is dat verzoeker niet de leges heeft voldaan. Evenmin is in geschil dat verweerder in het bestreden besluit naar het onjuiste beleid heeft verwezen. In geschil is de vraag of de geboden termijn om alsnog de leges te voldoen kennelijk onredelijk is te noemen almede de vraag welke gevolgen dienen te worden verbonden aan de onjuiste vermelding van WBV 2006/7 in het bestreden besluit.

2.9 Omtrent de procedure bij het niet voldoen van leges bij indiening van een aanvraag bij IND staat in WBV 2006/7 het volgende.

Bij het in ontvangst nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bepaalt de IND-medewerker de voor de aanvraag geldende leges. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld de verschuldigde leges per kas of per pin ter plekke aan de kas te voldoen. De vreemdeling dient het bedrag in één keer te voldoen. Betaling in termijnen is niet mogelijk. Na betaling van het verschuldigde bedrag ontvangt de vreemdeling een betalingsbewijs. Indien de vreemdeling het verschuldigde legesbedrag niet ter plekke per kas of per pin heeft voldaan, stelt de IND-medewerker de vreemdeling ingevolge het bepaalde in artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht mondeling in de gelegenheid om het verzuim te herstellen en alsnog ter plekke de verschuldigde leges per kas-of pinbetaling te voldoen. In dat geval is er geen reden om langer herstel verzuim te verlenen dan het tijdsverloop dat in de regel gemoeid is met de handeling van kas- of pinbetaling. Als betrokkene geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om het verschuldigde legesbedrag alsnog te voldoen, wordt de aanvraag direct ter plaatse door de IND-medewerker buiten behandeling gesteld.

2.10 Omtrent diezelfde procedure staat in WBV 2005/21 het volgende vermeld.

Bij het in ontvangst nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bepaalt de IND-medewerker de voor de aanvraag geldende leges. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld de verschuldigde leges per kas of per pin ter plekke aan de kas te voldoen. De vreemdeling dient het bedrag in één keer te voldoen. Betaling in termijnen is niet mogelijk. Na betaling van het verschuldigde bedrag ontvangt de vreemdeling een betalingsbewijs. Indien de vreemdeling het verschuldigde legesbedrag niet ter plekke per kas of per pin heeft voldaan, stelt de IND-medewerker de vreemdeling ingevolge het bepaalde in artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht mondeling in de gelegenheid om het verzuim te herstellen en alsnog ter plekke de verschuldigde leges per kas-of pinbetaling te voldoen. In dat geval is er geen reden om langer herstel verzuim te verlenen dan het tijdsverloop dat in de regel gemoeid is met de handeling van kas- of pinbetaling. Als betrokkene geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om het verschuldigde legesbedrag alsnog te voldoen, wordt de aanvraag direct ter plaatse door de IND-medewerker buiten behandeling gesteld.

2.11 Voorts staat in WBV 2006/7 onder E vermeld dat de in WBV 2005/21 beschreven werkwijze is verwerkt in WBV 2006/7, zodat deze kan vervallen.

2.12 Uit het voorgaande volgt dat de WBV 2006/7 als een voortzetting van WBV 2005/21 dient te worden gezien. De voorzieningenrechter stelt vast dat de procedure bij indiening van de aanvraag bij de IND inhoudelijk niet is gewijzigd.

2.13 Ten aanzien van de vraag welke gevolgen dienen te worden verbonden aan de onjuiste vermelding van WBV 2006/7 in het bestreden besluit, wordt het volgende overwogen.

2.14 Ingevolge artikel 3:47, eerste en tweede lid, Awb wordt de motivering vermeld bij de bekendmaking van het besluit; ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt daarbij zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen. De voorzieningenrechter acht dit van overeenkomstige toepassing ten aanzien van bekendgemaakte beleidsregels.

2.15 Nu verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen naar WBV 2006/7 in plaats van naar het ten tijde van het bestreden besluit geldende WBV 2005/21, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:47, eerste en tweede lid, Awb.

2.16 Ingevolge artikel 6:22 Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2.17 Alhoewel verweerder in zijn besluit heeft verwezen naar beleid dat op dat moment niet van toepassing was, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker door deze onjuiste verwijzing niet in zijn belangen is geschaad. Immers, WBV 2006/7 kan blijkens de toelichting worden gezien als een voortzetting van WBV 2005/21 en beide WBV’s zijn met betrekking tot de procedure bij indiening van de aanvraag inhoudelijk gelijk, zodat het materiële toetsingskader voor verzoeker hetzelfde is. De voorzieningenrechter zal derhalve het bestreden besluit in stand laten met gebruikmaking van artikel 6:22 Awb.

2.18 Ten aanzien van verzoekers stelling dat het in WBV 2006/7 dan wel WBV 2005/21 verwoordde beleid ten aanzien van de herstel-verzuim-termijn bij het niet ter plekke voldoen van leges bij indiening van een aanvraag bij de IND kennelijk onredelijk is, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Verzoeker is op 10 augustus 2005 geïnformeerd over gang van zaken met betrekking tot het indienen van zijn aanvraag op 29 augustus 2005. Hij is daarbij uitdrukkelijk gewezen op de noodzaak om betaalmiddelen mee te nemen, daar de verschuldigde leges per kas- dan wel pinbetaling dienen de worden voldaan. Tevens is vermeld dat indien niet aan de uitnodiging wordt voldaan, de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld. Hiermee was naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk wat er van verzoeker werd verwacht. Dat hij desalniettemin zonder betaalmiddelen op 29 augustus 2005 is verschenen, dient voor zijn rekening en risico te blijven. In dit licht bezien acht de voorzieningenrechter de door verweerder geboden termijn om het verzuim te herstellen en alsnog de verschuldigde leges ter plekke te voldoen, niet kennelijk onredelijk. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen aanleiding om het door verweerder in deze gevoerde beleid onredelijk te achten.

2.19 De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren.

2.20 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.21 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, voorzieningenrechter, en op 19 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. C.C. Flaes, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.