Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0275

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
26-10-2006
Zaaknummer
258957 - FA RK 06-675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie / uitleg convenant / vrouw dient teveel betaalde bedrag aan de man terug te betalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Familie- en Jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer A: FA RK 06-675

zaaknummer: 258957

datum beschikking: 13 september 2006

BESCHIKKING op het op 31 januari 2006 ingekomen verzoek van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. S.L.A. Verburgt.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

procureur: thans geen, voorheen: mr. M.Y. van der Bijl.

FEITEN

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 21 augustus 2002 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Partijen hebben de onderling getroffen regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding vastgelegd in een echtscheidingsconvenant d.d. 23 juli 2002. Op basis van dit convenant is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw in voornoemde beschikking bepaald op € 1.400,-- per maand en is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de destijds minderjarige, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1985 te [woonplaats], en de minderjarige, [minderjarig kind 2], geboren op [geboortedatum] 1990 te Curaçao, bepaald op € 325,-- per maand per kind. Deze beschikking is op 2 september 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Door wettelijke indexering bedraagt de partneralimentatie thans € 1.520,93 en de kinderbijdrage

€ 353,07.

Partijen zijn in kort geding, behandeld op 7 maart 2006, voorlopig overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2006 ter zake van partneralimentatie een bedrag van € 172,00 per maand zal betalen, zolang als en totdat in de tussen partijen aanhangige procedure met betrekking tot de partneralimentatie in eerste aanleg een eindbeslissing is gegeven.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- een brief d.d. 7 juni 2006 van de zijde van de vrouw;

- een brief met bijlagen d.d. 23 juni 2006 van de zijde van de vrouw;

- een brief met bijlagen d.d. 20 juli 2006 van de zijde van de man.

De minderjarige [minderjarig kind 2] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Op 8 augustus 2006 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en zijn procureur alsmede de vrouw. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd. Door de vrouw zijn nadere stukken overgelegd.

Na de zitting is ingekomen een faxbericht d.d. 11 augustus 2006 van de zijde van de man en de reactie daarop van de zijde van de vrouw. Op de stukken en overige correspondentie, daaronder begrepen de standpunten en stellingen van partijen die verder strekken dat de ter terechtzitting toegestane reacties, die na de zitting nog zijn binnengekomen zal de rechtbank geen acht slaan nu de rechtbank partijen daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld.

VERZOEK EN VERWEER

Het verzoek van de man luidt - met wijziging van voornoemde beschikking en voornoemd echtscheidingsconvenant -:

1. de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 1 januari 2003 op nihil te bepalen, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

2. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van de door haar gedurende het tijdvak van 1 januari 2003 tot aan de in deze te wijzen beschikking teveel ontvangen alimentatie, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van de beschikking, zulks vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de in deze te wijzen beschikking tot de dag van algehele voldoening;

3. de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarig kind 2] op een

zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank juist acht;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig - met wijziging van de beschikking van 21 augustus 2002 en voornoemd convenant -:

1. de door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op € 500,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

2. de bijdrage welke de man aan de vrouw zal hebben te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarig kind 2] te bepalen op € 500,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor die minderjarige zal of kan worden verleend;

3. kosten rechtens.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht, indien en voor zover in rechte komt vast te staan dat de vrouw nog behoefte heeft aan een uitkering van de man tot haar levensonderhoud, de partneralimentatie op een bedrag van € 172,-- per maand vast te stellen.

Ter terechtzitting heeft de man voorgesteld de kosten van studie en levensonderhoud van [kind 1] voor zijn rekening te nemen, voor wie hij thans meer betaalt dan de vastgestelde bijdrage, en dat de vrouw de kosten van [minderjarig kind 2] voor haar rekening neemt. Zodra [minderjarig kind 2] de 18-jarige leeftijd bereikt en gaat studeren is de man bereid het collegegeld voor zijn rekening te nemen alsmede de kosten van de door

[minderjarig kind 2] beoefende sporten.

BEOORDELING

De man stelt primair als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor voormelde beschikking en het convenant niet langer voldoen aan de wettelijke maatstaven en voert hiertoe - kort samengevat - aan dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud van de man. Subsidiair en meer subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat de uitleg van de vrouw van het echtscheidingsconvenant een grove miskenning van de wettelijke maatstaven betreft, dat hij heeft gedwaald bij de totstandkoming van de inkomensregeling van de vrouw en dat het convenant om die reden wijziging behoeft. De vrouw betwist dat zij geen behoefte meer heeft maar erkent dat er reden is om de behoefte en draagkracht opnieuw te beoordelen.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de partneralimentatie met ingang van 1 maart 2006 opnieuw moet worden vastgesteld conform de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Dit brengt mee dat het convenant vanaf dat moment geen rechtskracht meer heeft voor wat betreft de partneralimentatie. Partijen zijn het er tevens over eens dat de kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarig kind 2] in deze procedure opnieuw bekeken moet worden.

De partneralimentatie vanaf 1 maart 2006

Behoefte van de vrouw

De man stelt dat de behoefte van de vrouw gesteld moet worden op een bedrag van € 1.600,-- netto per maand en dat zij gelet op haar huidig inkomen zelf in haar levensonderhoud kan voorzien. De vrouw stelt dat zij thans behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man van € 500,-- per maand.

Uit het convenant van 23 juli 2002 leidt de rechtbank af dat de behoefte van de vrouw is vastgesteld op een bedrag van € 3.600,-- per maand, uitgaande van € 2.200,-- aan inkomen uit arbeid en € 1.400,-- bruto aan partneralimentatie. De rechtbank ziet in de draagkrachtberekening van de vrouw en het door haar overgelegde kostenoverzicht geen aanleiding om de behoefte van de vrouw, die destijds is vastgesteld op basis van een door partijen onder begeleiding van een advocaat gesloten overeenkomst en die naar mag worden aangenomen gerelateerd is aan de welstand van het huwelijk van partijen, thans op een ander bedrag te stellen dan waar in het echtscheidingsconvenant vanuit is gegaan. Blijkens de door de vrouw overgelegde loonstroken van april tot en met juli 2006 werkt de vrouw per 1 februari 2006 op basis van een fte-omvang van 1 (fulltime), waarmee zij blijkens deze loonstroken een bruto jaarinkomen genereert van € 52.323,--, hetgeen neerkomt op een inkomen (inclusief vakantiegeld) van € 4.360,25 bruto per maand. Dat de vrouw 0,8 fte zou werken en dat zij haar aanstelling niet zou kunnen uitbreiden, zoals zij ter terechtzitting heeft gesteld, acht de rechtbank gezien de gegevens op de loonstroken niet onderbouwd zodat de rechtbank die stelling passeert. Gelet op voornoemd inkomen is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, uitgaande van een behoefte van

€ 3.600,-- per maand, in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien, hetgeen overigens ook het geval is wanneer van het inkomen van de vrouw blijkens de aangifte inkomstenbelasting 2005 uitgegaan zou worden. De rechtbank zal de partneralimentatie per heden op nihil stellen, waarbij de rechtbank het redelijk acht - gelet op hetgeen partijen in de kort geding procedure zijn overeengekomen - de partneralimentatie voor de periode van 1 maart 2006 tot heden te bepalen op het bedrag dat in feite is betaald.

De kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarig kind 2]

De man heeft voorgesteld de kosten van [kind 1] voor zijn rekening te nemen terwijl de vrouw de kosten van [minderjarig kind 2] voor haar rekening neemt. De vrouw heeft dit voorstel afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het de man vrij staat voor [kind 1] meer te betalen dan destijds is afgeproken maar dat dit voor zijn rekening komt en niet gecompenseerd mag worden met de kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarig kind 2].

Behoefte van de minderjarige [minderjarig kind 2]

De man heeft de behoefte van [minderjarig kind 2] niet betwist maar hij is van mening dat partijen naar rato dienen bij te dragen in deze behoefte. De man betaalt thans € 353,-- per maand als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarig kind 2]. De vrouw heeft gesteld dat de kosten voor [minderjarig kind 2] veel sneller zijn gestegen dan destijds is voorzien en dat zijn behoefte derhalve thans hoger is.

De rechtbank stelt vast dat [minderjarig kind 2], met toestemming van beide ouders, aan vele activiteiten deelneemt hetgeen, gelet op hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting naar voren is gekomen, hoge kosten met zich meebrengt. De rechtbank acht het derhalve redelijk om de behoefte van [minderjarig kind 2] thans op € 500,-- per maand te stellen.

De rechtbank neemt voor het bepalen van de naar rato verdeling over partijen in de kosten van de minderjarige in aanmerking een bruto jaarinkomen van de man van € 58.914,-- en een bruto jaarinkomen van de vrouw van € 52.323,--. Deze gegevens zijn gebaseerd op de jaaropgave over 2005 van de man en de eerder genoemde loonspecificaties van de vrouw. Alhoewel de man een hoger inkomen heeft dan de vrouw, acht de rechtbank het redelijk, gelet op het feit dat de man de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige [kind 1] volledig voor zijn rekening neemt, te bepalen dat ieder der partijen de helft van de kosten van [minderjarig kind 2], zijnde € 250,-- per maand, voor zijn rekening neemt. Nu de man over voldoende draagkracht beschikt, zal de rechtbank de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarig kind 2] met ingang van heden bepalen op € 250,-- per maand.

Uitleg van het convenant over de periode van 1 januari 2003 tot 1 maart 2006

Niet in geschil is de werking van het echtscheidingsconvenant gedurende de periode vóór 1 maart 2006. Partijen zijn ter terechtzitting overeengekomen dat per 1 maart 2006 het convenant haar rechtskracht verliest betreffende de partner- en kinderalimentatie en dat deze opnieuw door de rechtbank zullen moeten worden vastgesteld.

Wel in geschil is de uitleg van het echtscheidingsconvenant. De rechtbank begrijpt dat de man nakoming van het echtscheidingsconvenant verzoekt, een en ander volgens de uitleg die hij aan artikel 2.1 en 2.2 van het convenant geeft. De vrouw deelt de mening van de man over de uitleg van de eigen inkomstenregeling van de vrouw, zoals dit is opgenomen in artikel 2 van het echtscheidingsconvenant, niet.

De rechtbank stelt voorop dat bij de uitleg van het door partijen gesloten convenant het aan komt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit het convenant mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de hantering van deze zogenoemde Haviltex-norm dient de uitleg van een schriftelijk contract - en dus ook van dit convenant - niet plaats te vinden op grond van enkel de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben bij de uitleg van dat geschrift echter wel van groot belang. Uit de taalkundige bewoordingen van het door partijen gesloten convenant blijkt dat, indien de vrouw meer inkomsten uit arbeid en uit ouderdomspensioen gaat genieten dan ten tijde van het opstellen van het convenant het geval is, deze inkomsten, zolang deze een bedrag van € 2.200,-- x 12 = € 26.400,-- bruto per jaar niet te boven gaan, geen invloed zullen hebben op de hoogte van de alimentatie (artikel 2.1, 2e zin van het convenant). Indien voornoemde inkomsten dit bedrag van € 26.400,-- bruto per jaar wel te boven gaan, zal de alimentatie verminderd worden met 100% van het meerdere (artikel 2.1, 3e zin). Het in dit artikel genoemde bedrag van € 26.400,-- bruto per jaar wordt jaarlijks per 1 januari, voor het eerst per 1 januari 2003, verhoogd met hetzelfde percentage als waarmee de alimentatie ingevolge de in artikel 1.2 vastgestelde indexeringsregeling zal stijgen (artikel 2.1 laatste zin).

Het is de rechtbank gebleken dat bij het aangaan van de overeenkomst de man voor ogen stond dat bij de inkomensverrekening alle inkomsten van de vrouw meegenomen zouden worden in de berekening van haar jaarinkomen. De vrouw daarentegen stond voor ogen dat in dat kader alleen haar bruto basissalaris van belang zou zijn en dat emolumenten, overwerk, vakantiegeld, eenmalige bonussen en/of andere beloningen buiten beschouwing zouden blijven.

Ter terechtzitting heeft de man naar voren gebracht dat hij een procedure heeft gevoerd tegen de toenmalige echtscheidingsbemiddelaar bij de raad van discipline. De man heeft onbetwist gesteld dat de echtscheidingsbemiddelaar in deze procedure heeft verklaard dat met het bruto inkomen van de vrouw is bedoeld het inkomen inclusief vakantietoeslag. Volgens de man is de bemiddelaar dus uitgegaan van een inkomen inclusief emolumenten.

De eigen inkomstenregeling als bedoeld in artikel 2.1 houdt in dat het deel van het inkomen dat de vrouw genereert dat uitstijgt boven een (jaarlijks te indexeren) bedrag van € 26.400,-- per jaar in mindering wordt gebracht op de alimentatie. Nu niet uit de context van het convenant of anderszins is af te leiden dat de genoemde inkomsten slechts op het bruto basissalaris van de vrouw zien, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van het convenant met zich meebrengt dat partijen de intentie moeten hebben gehad een regeling te treffen om, indien het inkomen van de vrouw zodanig vermeerdert dat dit meer is dan het jaarlijks te indexeren bedrag van € 26.400,-- per jaar, de afgesproken alimentatie met ditzelfde bedrag zal worden verminderd.

Deze redelijke uitleg brengt naar het oordeel van de rechtbank eveneens mee dat bij de overeengekomen inkomensverrekening rekening moet worden gehouden met alle inkomsten van de vrouw inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat daarbij aan het standpunt van de vrouw voorbij dat enkel haar bruto inkomen meegeteld moet worden omdat vakantiegeld, emolumenten, inkomen uit andere bronnen ook inkomsten betreffen en - gelet op de zuiver taalkundige uitleg - in het convenant andere inkomstenbronnen van de vrouw niet zijn uitgezonderd, hetgeen als partijen dat hadden gewild wel in de rede had gelegen. De rechtbank wordt hierin gesterkt door het feit dat partijen in het convenant zijn overeengekomen dat de vrouw de hoogte van haar inkomsten over het betreffende kalenderjaar zal aantonen door overlegging van bewijsstukken aan de man zoals salarisstroken, jaaropgaven dan wel belastingaangiften. In deze stukken wordt het gehele jaarinkomen van de vrouw vermeld zodat de rechtbank van oordeel is dat de man er gerechtvaardigd van uit mocht gaan dat ook het vakantiegeld, emolumenten, bonussen en inkomsten uit overige werkzaamheden bij de inkomensverrekening in aanmerking zouden worden genomen.

De rechtbank zal over de periode van 1 januari 2003 tot 1 maart 2006 beoordelen of er sprake is van teveel door de vrouw ontvangen alimentatie. Indien zulks het geval blijkt heeft de vrouw op grond van het convenant (artikel 2.1 'Hetgeen zij teveel heeft ontvangen, wordt onverwijld door de vrouw aan de man terugbetaald.') als ook op grond van de wet (artikel 6:203 BW) de verplichting het teveel ontvangen bedrag alsnog terug te betalen en heeft de man het recht het zonder rechtsgrond betaalde alimentatiebedrag terug te vorderen. De rechtbank houdt hierbij rekening met de door partijen overeengekomen eigen inkomstengrens van de vrouw, welke jaarlijks wordt geïndexeerd.

De man heeft - onweersproken - gesteld de volgende bedragen ten titel van partneralimentatie aan de vrouw te hebben voldaan:

2003 € 12.945,--

2004 € 5.591,53

2005 € 2.199,96

2006€ 860,--

middels loonbeslag € 9.573,54

Totaal € 31.170,03

Voor het jaarinkomen van de vrouw over de betreffende periode gaat de rechtbank uit van de door haar overgelegde belastingaangiften over 2003, 2004 en 2005 en de salarisspecificaties van april tot en met 2006 waarop haar bruto jaarinkomen over 2006 is vermeld. Hieruit blijkt dat de vrouw over de periode 1 januari 2003 tot 1 maart 2006 een substantieel hoger inkomen heeft genoten dan de in het convenant overeengekomen eigen inkomstengrens. Het verschil tussen het werkelijk genoten inkomen van de vrouw en de tussen partijen overeengekomen eigen inkomstengrens dient, zoals reeds eerder overwogen, conform artikel 2.1. van het convenant in mindering te worden gebracht op de door de man te betalen partneralimentatie.

De rechtbank gaat uit van de volgende bedragen:

jaar

2003 eigen inkomen vrouw € 41.815,--,

eigen inkomstensgrens (geïndexeerd) € 27.429,60,

verschil € 14.385,40,

alimentatieverplichting ogv. art 1.1 convenant (geïndexeerd) € 17.455,20.

2004 eigen inkomen vrouw € 40.000,--,

eigen inkomstensgrens (geïndexeerd) € 28.115,34,

verschil € 11.884, 66,

alimentatieverplichting ogv. art 1.1 convenant (geïndexeerd) € 17.891,58.

2005 eigen inkomen vrouw € 44.901,--,

eigen inkomstensgrens (geïndexeerd) € 28.424,16,

verschil € 16.476,36,

alimentatieverplichting ogv. art 1.1 convenant (geïndexeerd) € 18.088,39.

2006 ( jan+ feb) eigen inkomen vrouw € 8.720,50,

eigen inkomstensgrens (geïndexeerd) € 4.780,08,

verschil € 3.940,42,

alimentatieverplichting ogv. art 1.1 convenant (geïndexeerd) € 3.041,86.

Over 2003 had de vrouw recht op € 17.455,20 -/- € 14.385,40 = € 3.069,80

Over 2004 had de vrouw recht op € 17.891,58 -/- € 11.884,66 = € 6.006,98

Over 2005 had de vrouw recht op € 18.088,39 -/- € 16.476,36 = € 1.612,03

Over 2006 had de vrouw volgens de uitleg van het echtscheidingsconvenant per saldo geen recht op partneralimentatie.

Gelet op het vorenstaande had de vrouw over de betreffende periode recht op totaal € 10.688,81 aan partneralimentatie. Door de man is een bedrag van € 31.170,03 betaald. Dit leidt tot de conclusie dat de man een bedrag van € 20.481,22 onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald, hetgeen meebrengt dat de vrouw dit bedrag aan de man terug dient te betalen.

Gelet op de hoogte van het terug te betalen bedrag en rekening houdend met de mogelijkheid dat de ontvangen (en geïncasseerde) alimentatiebedragen inmiddels verbruikt zijn, zal de rechtbank op de voet van artikel 1:402 lid 3 BW de vrouw toestaan dit bedrag in maandelijkse termijnen van € 250,-- terug te betalen. De rechtbank zal derhalve beslissen als na te melden.

Wettelijke rente

De rechtbank zal het verzoek van de man de terug te betalen partneralimentatie te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de in deze te wijzen beschikking tot aan de dag van algehele voldoening als op de wet gegrond (artikel 6:119 BW) toewijzen doch enkel voor de maandelijkse termijnen die de vrouw terzake van haar terugbetalingsverplichting aan de man verschuldigd is.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING, met wijziging in zoverre van voormelde beschikking en het echtscheidingsconvenant d.d. 23 juli 2002:

De rechtbank:

bepaalt de door de man met ingang van heden (12 september 2006) te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarig kind 2] op € 250,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend;

bepaalt de door de man met ingang van heden (12 september 2006) te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil;

bepaalt de partneralimentatie voor de periode 1 maart 2006 tot heden (12 september 2006) op het bedrag dat in feite is betaald;

bepaalt dat de vrouw aan de man de door haar teveel ontvangen partneralimentatie dient terug te betalen en bepaalt dit bedrag op € 20.481,22;

bepaalt dat de vrouw dit bedrag met ingang van 1 oktober 2006 dient af te lossen met € 250,-- per maand, te betalen voor de eerste van elke maand en te vermeerderen met de wettelijke rente van dit bedrag over de tijd dat de vrouw met de voldoening daarvan in verzuim is geweest;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th.G. Lautenbach, tevens kinderrechter, bijgestaan door

P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2006.