Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0091

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/27010
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / KhaAD/WAD / personal and knowing participation / artikel 1F VSV.

Op grond van personal and knowing participation heeft verweerder eiser wegens het vervullen van meerdere hoge functies ten tijde van het communistische regime individueel aansprakelijk gehouden voor mensenrechtenschendingen in Afghanistan en op goede gronden artikel 1F VSV tegengeworpen. In het kader van de knowing participation test heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen stellen dat eiser gelet op zijn prominente positie binnen het repressieve regime geweten heeft of had moeten weten dat door de staatsveiligheidsdienst (KhAD/WAD) ernstige misdrijven werden begaan. Zo was eiser partijsecretaris van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA), voorzitter van het Provinciale Comité van twee provincies, lid van de Inspectie Commissie van het Centraal Comité en gouverneur van een provincie. De partijsecretaris had nauwe contacten met de staatsveiligheidsdienst. Vervolgens heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de personal participation test in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser mede omdat hij op grond van zijn lidmaatschap van de Inspectie Commissie over anderen aan de KhAD/WAD heeft gerapporteerd, de door de KhAD/WAD begane misdrijven direct heeft gefaciliteerd en daaraan in wezenlijke mate heeft bijgedragen zodat eiser als mededader dient te worden beschouwd. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/461

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudende te ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/27010

Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2006

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1951,

nationaliteit Afghaanse,

verblijvende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. P. Bouman,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde A. van Blankenstein.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2000 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling niet ingewilligd en ambtshalve besloten eiser geen vergunning tot verblijf te verlenen.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij uitspraken van 19 september 2001 en 29 maart 2002 en 11 november 2004 heeft deze rechtbank eisers beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond verklaard.

Op verzoek van verweerder is op 23 juni 1998, 2 april 1999 en 18 mei 2001 een individueel ambtsbericht uitgebracht.

Bij beslissing van 17 oktober 2003 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de beperking van de kennisneming van de in die uitspraak genoemde stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht van 18 mei 2001, gerechtvaardigd is.

Bij besluit van 10 juni 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 05/27012.

Het beroep en het verzoek zijn behandeld ter zitting van 9 mei 2006, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als getuige voor eiser zijn verschenen en gehoord [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Als tolk is verschenen A.Mir.

Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft ter zitting van 26 juni 2006 de verdere behandeling van het beroep plaats gevonden, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.P. Ufkes, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. A. Mir.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 10 juni 2005 in rechte stand kan houden.

2. Ter onderbouwing van zijn aanvraag en beroep heeft eiser - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

3. Eiser is gevlucht uit Afghanistan omdat hij belangrijke functies heeft vervuld ten tijde van de communistische regering. Na de val van Najibullah had hij geen toekomst meer in zijn land en was zijn leven in gevaar.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er volgens hem ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) aanhef en onder a, b en c, van het Verdrag van Genève van 28 Juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1967, 76) (hierna: Verdrag). Derhalve is het Verdrag niet op hem van toepassing en kan hij geen aanspraak maken op bescherming als vluchteling in de zin van het Verdrag. Evenmin kan hem ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) een verblijfsvergunning worden verleend op de onderdelen b, c en d van het eerste lid van artikel 29 van de Vw 2000.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de plaats getreden van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40), verder te noemen Vw (oud). Nu het bestreden besluit is bekendgemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende materiële recht van toepassing.

7. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder k en l, van die wet, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag.

8. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid van het Vb 2000 wordt, indien artikel 1(F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, als bedoeld in artikel 29 van die wet.

9. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de vreemdeling, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

10. In artikel 1(F) van het Verdrag is bepaald dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten, welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

11. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

12. Volgens paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) acht verweerder het zijn taak om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Verdrag valt. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag, past hij de "personal and knowing participation test" toe. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf of de betreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is kan betrokkene artikel 1 (F) worden tegengeworpen.

13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behoort de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die vaststelling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van de "personal and knowing participation test" eiser artikel 1 (F) dient te worden tegengeworpen.

15. Aangaande de “knowing participation test” overweegt de rechtbank als volgt.

16. Van 'knowing participation' is onder meer sprake indien betrokkene werkzaam was voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan dat op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag heeft gepleegd in de periode dat betrokkene daar werkzaam was.

17. Van algemene bekendheid is dat het voormalige communistische regime onder Najibullah zeer repressief is geweest en zich structureel en op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan marteling en andere mensenrechtenschendingen.

18. Eiser heeft verklaard dat hij van 1979 tot 1985 partijsecretaris was van de provincie Baghlan en van 1985 tot 1989 van de provincie Laghman. Uit hoofde van deze functie was eiser tevens voorzitter van het Provinciale Comité van respectievelijk Baghlan en Laghman. Van 1987 tot 1989 was hij daarnaast lid van de Inspectie Commissie van het Centraal Comité. In 1989 werd eiser bevorderd tot gouverneur van de provincie Laghman, hetgeen hij tot 1991 is gebleven. Ook is eiser zoals eveneens blijkt uit een individueel ambtsbericht van 2 april 1999 (DPC/AM/adm.nr.53021) tijdens de periode 1989 tot 1992 lid geweest van het Centraal Comité van de toenmalige Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA).

19. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op de omstandigheid dat eiser meerdere hoge en verantwoordelijke functies binnen het toenmalige communistische regime heeft vervuld, het vermoeden gerechtvaardigd is dat eiser op de hoogte was van de mensenrechtenschendingen die door het communistische regime zijn gepleegd. In dit verband heeft verweerder onder meer tegengeworpen dat de functie van partijsecretaris slechts was voorbehouden aan loyale, betrouwbare en volwaardige leden van de DVPA en dat deze functionaris verantwoordelijk was voor de gehele gang van zaken in de provincie. Ook onderhield de partijsecretaris nauwe contacten met de staatsveiligheidsdienst (KhAD/WAD). Personen waarover twijfel bestond met betrekking tot loyaliteit en betrouwbaarheid moesten aan de KhAD/WAD worden gerapporteerd. Ook was eiser in zijn functie van gouverneur binnen het kader van de wet in voorkomende gevallen voorzitter van de bijeenkomst van politie, leger en veiligheidsdienst. In zijn hoedanigheid als lid van de Inspectie Commissie van het Centraal Comité van 1987 tot 1989 was eiser verantwoordelijk voor het monitoren van staatorganen. Deze commissie was verantwoordelijk voor het functioneren, de mogelijke infiltratie door vijandige elementen en het opsporen van mogelijke corruptie. Voorts was het merendeel van de leden van het Centraal Comité waarvan eiser deel heeft uitgemaakt werkzaam bij het regeringsleger of een ministerie. In hun dagelijkse werkzaamheden waren zij nauw betrokken bij de besluitvorming op militair, politiek en wetgevend gebied. Zij moeten derhalve weet hebben gehad van de grove mensenrechtenschendingen die ten tijde van het communistische regime plaatsvonden.

Daarnaast blijkt uit het algemene ambtsbericht van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan dat het wrede karakter van de KhAD/WAD binnen Afghanistan algemeen bekend moet zijn geweest. Tevens blijkt uit andere gezaghebbende bronnen zoals de speciale rapporteur van de mensenrechten van de Verenigde Naties en Amnesty International dat de misdrijven, waarmee het terreurklimaat gepaard ging gedurende de gehele periode dat de KhAD/WAD bestond, op grote schaal en door het gehele land verspreid door deze organisatie werden gepleegd. Ook komt uit het eerdergenoemde ambtsbericht naar voren dat het klimaat van angst en terreur dat de KhAD/WAD teweegbrachten in de Afghaanse maatschappij ook binnen de diensten zelf heerste. Op grond van het voorgaande is het volgens verweerder niet geloofwaardig dat eiser gelet op de inhoud van eisers werkzaamheden en de contacten die eiser uit hoofde hiervan onderhield, geen weet zou hebben gehad van de begane misdrijven. Gelet op eisers prominente positie binnen het repressieve regime heeft eiser volgens verweerder geweten of had hij moeten weten dat door de KhAD/WAD ernstige misdrijven werden begaan.

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het voorgaande in redelijkheid deze gevolgtrekking kon maken. De rechtbank baseert dat oordeel met name op hetgeen haar bekend is uit voornoemd ambtsbericht van 29 februari 2000 dat als een deskundigenbericht moet worden aangemerkt in samenhang bezien met de hoge functies die eiser bekleed heeft. In alle redelijkheid is verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook voorbijgegaan aan eisers stelling dat hij van de mensenrechtenschendingen geen weet had nu hij hiërarchisch niet verantwoordelijk was voor de KhAD/WAD.

21. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat ten aanzien van eiser sprake is van ‘knowing participation’ de rechterlijke toets kan doorstaan.

22. Aangaande de “personal participation test” overweegt de rechtbank als volgt.

23. Onder 'personal participation' wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van het misdrijf, maar ook het door betrokkene direct faciliteren hiervan, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate tot het misdrijf heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf te voorkomen.

24. Volgens verweerder komt uit het onderzoek naar voren dat eiser marteling, buitengerechtelijke detentie en buitengerechtelijke executie heeft gefaciliteerd. Uit eisers verklaringen, bezien in het licht van de informatie uit het individuele ambtsbericht van 18 mei 2001 en het eerdergenoemde algemene ambtsbericht van 29 februari 2000 komt naar voren dat het handelen van eiser in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen dat de KhAD/WAD marteling, buitengerechtelijke detentie en – executie heeft gepleegd.

25. Zo blijkt volgens verweerder uit het individuele ambtsbericht van 18 mei 2001 onder meer dat eiser in de hoedanigheid van partijsecretaris verantwoordelijk was voor de gehele gang van zaken in de provincie en nauwe banden onderhield met de KhAD/WAD. Personen waarover twijfel bestond met betrekking tot loyaliteit en betrouwbaarheid moesten aan de KhAD/WAD gerapporteerd worden. Ook had de partijsecretaris de bevoegdheid zelf tot arrestatie over te gaan indien iemand van staatsvijandig gedrag werd verdacht. De Inspectie Commissie/Central Auditing Commision, die direct aan het Centraal Comité rapporteerde, was verantwoordelijk voor het monitoren van staatsorganen. Het betreft hier de wijze van functioneren, mogelijke infiltratie door vijandige elementen en het opsporen van corruptie. Uit eisers benoeming in deze functie blijkt dat hij als zeer betrouwbaar en loyaal werd beschouwd.

Uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 blijkt van het meedogenloze karakter van KhAD/WAD en het grootschalige karakter van de door deze dienst gepleegde mensenrechtenschendingen. Volgens verweerder heeft eiser door het rapporteren aan de KhAD/WAD over personen aan wiens loyaliteit werd getwijfeld in zijn hoedanigheid van partijsecretaris de door de KhAD/WAD begane misdrijven direct gefaciliteerd. Daarnaast concludeert verweerder dat eiser als lid van de Inspectie Commissie van het Centraal Comité rapporteerde aan dit Comité omtrent mogelijke infiltratie door vijandige elementen en corruptie. Omdat de KhAD/WAD tijdens het communistische regime in Afghanistan verantwoordelijk was voor de vervolging van (vermeende) tegenstanders neemt verweerder aan dat de personen over wie eiser rapporteerde aan het Centraal Comité uiteindelijk aan de KhAD/WAD werden overgelaten. Verweerder concludeert daaruit dat ook hiermede eiser de door de KhAD/WAD begane misdrijven direct heeft gefaciliteerd en daaraan in wezenlijke mate heeft bijgedragen zodat eiser als mededader dient te worden beschouwd.

26. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het voorgaande in redelijkheid deze gevolgtrekking kon maken.

27. In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij – anders dan uit de ambtsberichten zou blijken – nooit heeft gerapporteerd aan de KhAD/WAD over personen aan wier loyaliteit werd getwijfeld en dat hij dus ook geen door de KhAD/WAD begane misdrijven heeft gefaciliteerd. Tevens ontkent eiser – aldus begrijpt de rechtbank – dat hij door zijn positie en functie omstandigheden heeft geschapen waardoor de KhAD/WAD genoemde misdrijven heeft kunnen plegen.

28. De rechtbank stelt hierbij voorop dat volgens vaste rechtspraak (individuele) ambtsberichten aangemerkt dienen te worden als deskundigenberichten waarbij dient te worden uitgegaan van de juistheid en volledigheid daarvan. Het is vervolgens aan eiser om dit te weerleggen.

29. Ter onderbouwing van zijn hiervoor weergegeven standpunt heeft eiser ter zitting vier getuigen doen horen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verklaringen van deze getuigen niet afdoen aan hetgeen in voornoemde ambtsberichten is neergelegd.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat geen van de getuigen ooit aanwezig is geweest bij een overleg tussen eiser en de KhAD/WAD, zodat getwijfeld moet worden aan de waarde van de verklaringen dat eiser nooit namen zou hebben doorgegeven aan de KhAD/WAD. Voorts heeft getuige [getuige 3] bevestigd dat hij vanaf begin 1990 met eiser heeft samengewerkt. De rechtbank oordeelt dat de verklaring van deze getuige reeds hierom buiten beschouwing kan blijven, nu de personal participation-test ziet op functies en een tijdsbestek, die daarvoor zijn gelegen.

Daarenboven zijn de getuigenverklaringen niet aan te merken als een objectieve bron. Immers, de getuigen hebben allen verklaard eiser persoonlijk te hebben gekend ten tijde van het toenmalige communistische regime en hebben zij, evenals eiser, prominente functies bekleed binnen dat regime.

30. De rechtbank concludeert dat eiser noch met voornoemde getuigenverklaringen, noch anderszins argumenten heeft aangedragen die een begin van twijfel aan de juistheid van voornoemde ambtsberichten in zich hebben.

31. Eisers stelling dat betreffende getuigen wel zijn toegelaten in Nederland ondanks hun prominente functie binnen het schrikbewind, acht de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast is het de rechtbank ambtshalve bekend dat leden van het toenmalige regime die op vergelijkbare wijze samen werkten met de KhAD/WAD, eveneens artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

32. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat ten aanzien van eiser sprake is van ‘personal participation’ de rechterlijke toets kan doorstaan.

33. Nu eiser blijkens al het voorgaande voldoet aan de voorwaarden voor ‘personal and knowing participation’ heeft verweerder eiser op goede gronden individueel aansprakelijk gehouden voor de mensenrechtenschendingen in Afghanistan ten tijde van het communistisch regime. Verweerder heeft derhalve op goede gronden artikel 1 (F) van het Verdrag aan eiser tegengeworpen.

34. Omdat artikel 1(F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, heeft verweerder eiser terecht op de voet van artikel 3.107, eerste lid van het Vb 2000 eiser een verblijfsvergunning onthouden op één van de andere gronden, als bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser het beroep op de overige gronden van artikel 29 Vw niet nader heeft onderbouwd. Derhalve laat de rechtbank het beroep daarop buiten beschouwing.

35. Verweerder heeft derhalve eiser terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning op grond van één der in artikel 29 Vw 2000 genoemde gronden.

36. Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

37. Het beroep is derhalve ongegrond.

38. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

39. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als voorzitter en mr. J.R. van Es - de Vries en mr. H. Benek als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. W. Smeding als griffier op 25 september 2006.

Ingevolge artikel 120 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

Afschriften verzonden: