Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ0031

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/36395
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezinshereniging / verblijf hier te lande / verplaatsing hoofdverblijf / geen ontlening verblijfsrechten meer aan artikel 10, tweede lid, Vw.

Eiseres is in 1980 in Singapore geboren en in het bezit van de Singaporese nationaliteit. Kort na haar geboorte is zij met haar moeder naar Nederland gereisd. Van december 1985 tot december 1996 heeft zij vervolgens bij haar grootmoeder in Singapore verbleven. Nadien is eiseres wederom naar Nederland afgereisd en heeft zij alhier op 17 maart 1997 een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf met als doel gezinshereniging ingediend. Nadien heeft eiseres langdurig in Engeland verbleven vanwege een studie en in Singapore in verband met een stage. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen verblijfsrechten (meer) kan ontlenen aan de ‘artikel 10 lid 2 status’ en het in dit verband van toepassing zijnde overgangsrecht. Deze status is van rechtswege verloren gegaan ten gevolge van het vertrek van eiseres in december 1985 naar Singapore. Dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar ouders tijdens het verblijf in Singapore in stand is gebleven doet hieraan niet af. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de vraag of sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf, ook al is de gezinsband in stand gebleven, een rol speelt in de casus van eiseres. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de Afdelingsuitspraak van 31 mei 1991 (RV 1991, 32 en MR 1992, 27). In dit verband heeft de rechtbank verder onder meer redengevend geacht dat onder de oude Vreemdelingenwet verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Vw mede was gekoppeld aan verblijf hier te lande. Daargelaten of reeds van verplaatsing van het hoofdverblijf kan worden gesproken indien – zoals in de casus van de voornoemde uitspraak – het vertrek van een vreemdeling naar het buitenland uitsluitend is ingegeven door studiedoeleinden, is de rechtbank vervolgens van oordeel dat met het vertrek van eiseres naar Singapore op vijfjarige leeftijd in ieder geval sprake was van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland. Voorts kan het standpunt van verweerder dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde zoals genoemd onder b van artikel 3.24 Vb 2000 in rechte stand houden. Ook het beroep op artikel 8 EVRM en het zogenaamde driejarenbeleid regulier moeten falen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr. : AWB 05/36395

Inzake : [eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. W.M.J. Saes, advocaat te Roermond,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 10 augustus 2005 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 augustus 2005. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 3 juni 1998 tegen het besluit van 8 mei 1998 ongegrond verklaard.

Voorts heeft eiseres op 10 augustus 2005 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist. Dit verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 05/36396.

Op 9 september 2005 heeft eiseres de gronden van het beroep kenbaar gemaakt.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. De ingezonden stukken zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Zoals vooraf bij schrijven van 1 mei 2006 is aangekondigd, is eiseres niet in persoon verschenen, maar heeft zij zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. Saes. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Janssen. Tevens is ter zitting de moeder van eiseres, mw. [naam moeder], verschenen.

Voormeld verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is eveneens op 2 juni 2006 op een zitting behandeld.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de behandeling van het beroep op verzoek van de gemachtigde van eiseres met toepassing van artikel 8:64 van de Awb geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een nader standpunt in de onderhavige zaak kenbaar te maken. Om die reden is ook de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening geschorst.

De gemachtigde van eiseres heeft van de geboden gelegenheid tot het innemen van een nader standpunt gebruik gemaakt bij fax van 15 juni 2006. Verweerders reactie daarop is op 27 juni 2006 per fax ingezonden.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb om een nadere zitting ter zake van beroep achterwege te laten, waarna de rechtbank op 14 juli 2006 het onderzoek heeft gesloten en de uitspraak nader heeft bepaald op heden.

II. OVERWEGINGEN

Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1980 en is in het bezit van de Singaporese nationaliteit. Eiseres is in Singapore geboren. Kort na haar geboorte is zij met haar moeder naar Nederland gereisd. Tot 10 december 1985 heeft eiseres samen met haar ouders hier te lande gewoond. Tengevolge van het verblijf bij haar familie in Nederland is eiseres destijds onweersproken in het bezit gesteld van een zogenoemde ‘artikel 10 lid 2 status’. Vanaf 10 december 1985 tot december 1996 heeft zij vervolgens bij haar grootmoeder in Singapore verbleven. Nadien is eiseres naar Nederland afgereisd en heeft zij alhier op 17 maart 1997 een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf ingediend met als doel ‘gezinshereniging bij ouders en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf’. In september 1998 is eiseres vanwege studiedoeleinden vertrokken naar het Verenigd Koninkrijk. In juni 2001 is eiseres teruggekeerd naar Nederland. Vervolgens is eiseres in november 2001 in het kader van een stage vertrokken naar Singapore, waarna zij in december 2003 wederom is teruggekeerd naar Nederland. In augustus 2004 is eiseres begonnen met een universitaire studie in Tilburg.

Bij besluit van 8 mei 1998 is de hiervoor vermelde aanvraag van eiseres van 17 maart 1997 afgewezen. Tegen dat besluit heeft eiseres op 3 juni 1998 een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft eiseres op 3 juni 1998 de president van de rechtbank (thans de voorzieningenrechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen teneinde uitzetting hangende het bezwaar te voorkomen.

Bij uitspraak van 15 maart 2000 heeft de president van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (AWB 98/5767) toegewezen.

Bij besluit van 14 september 2001 is het bezwaar van 3 juni 1998 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft eiseres op 10 oktober 2001 beroep ingesteld (AWB 01/52325). Vervolgens heeft eiseres op 12 oktober 2001 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen teneinde uitzetting hangende het beroep te voorkomen (AWB 01/52324).

Bij uitspraak van 27 mei 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, zittingsplaats Maastricht, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van 12 oktober 2001 toegewezen.

Bij uitspraak van 20 september 2002 heeft de rechtbank, zittingsplaats Maastricht, het beroep van 10 oktober 2001 vervolgens gegrond verklaard, het besluit van 14 september 2001 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

Bij besluit van 4 april 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 3 juni 1998 wederom ongegrond verklaard. Nadat verweerder bij schrijven van 14 september 2004 had meegedeeld het besluit van 4 april 2003 te hebben ingetrokken, heeft eiseres vervolgens het daartegen ingestelde beroep van 2 mei 2003 (AWB 03/26537) alsmede het op diezelfde dag ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (AWB 03/26535) ingetrokken.

Na eiseres bij monde van haar gemachtigde en in aanwezigheid van haar moeder op 8 juni 2005 te hebben doen horen door een ambtelijke commissie, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaar van 3 juni 1998 wederom ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich – voor zover voor de beoordeling van het geschil relevant – op het navolgende standpunt gesteld.

Niet langer staat ter discussie – zo is door verweerder ter zitting desgevraagd bevestigd – dat eiseres steeds feitelijk tot het gezin van haar ouders, bij wie zij verblijf beoogt, is blijven behoren.

De aanvraag van eiseres komt evenwel niet voor inwilliging in aanmerking omdat er sprake is van de algemene afwijzingsgrond als neergelegd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat deze tegenwerping komt te vervallen, voor zover daarbij is gesteld dat er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf als bedoeld in onderdeel B1/2.2.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). In zoverre is deze tegenwerping immers gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, welk artikel uitsluitend betrekking heeft op aanvragen tot het verlengen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. In het onderhavige geval is er evenwel sprake van een aanvraag tot het verlenen van een dergelijke vergunning.

Niettemin voldoet eiseres niet aan de beperking waaronder de vergunning gevraagd is, omdat achterlating van eiseres in haar land van herkomst geen onevenredige hardheid betekent, aldus verweerder.

Evenmin kan eiseres verblijfsrechten ontlenen aan de, onder de Vreemdelingenwet (Vw oud) geldende, zogenoemde ‘artikel 10 lid 2 status’ en het in dit verband van toepassing zijnde overgangsrecht. Volgens verweerder heeft eiseres deze status namelijk van rechtswege verloren, daar zij op 10 december 1985 naar Singapore is vertrokken en daarmee haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.

Met betrekking tot het driejarenbeleid heeft verweerder overwogen dat dit beleid in reguliere zaken inhoudt dat het mvv vereiste en het middelenvereiste niet langer tegen worden geworpen. De overige voorwaarden blijven echter wel gelden. Nu eiseres aan die overige voorwaarden niet voldoet, komt zij niet in aanmerking voor vergunningverlening op grond van het driejarenbeleid.

Ook een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) faalt volgens verweerder, nu het bestreden besluit er niet toe strekt haar een verblijfstitel te ontnemen die haar in staat stelde tot het uitoefenen van familie-of gezinsleven in Nederland. Bovendien is er niet gebleken van “more than emotional ties” tussen eiseres en haar ouders. Het Nederlands belang van een restrictief toelatingsbeleid dient volgens verweerder derhalve niet te wijken voor het belang van eiseres en er bestaat geen positieve verplichting om eiseres uit het recht op respect voor haar gezinsleven verblijf hier te lande toe te staan.

Eiseres heeft dit standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

In deze procedure dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vw oud, Stb. 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna te noemen Vw 2000). De Vw oud, Stb. 1965, 40 is per deze datum ingetrokken. Op grond van de ex nunc toetsing in bezwaar en bij gebreke van – relevante – andersluidende overgangsbepalingen, heeft verweerder het bestreden besluit terecht gebaseerd op de Vw 2000.

Niettegenstaande het voorgaande ziet de rechtbank zich echter allereerst gesteld voor de vraag of het standpunt van verweerder, dat de ‘artikel 10 lid 2 status’ van eiseres – welke zoals gezegd zijn grondslag vindt in de Vw oud – van rechtswege verloren is gegaan ten gevolge van haar vertrek naar Singapore op 10 december 1985, in rechte stand kan houden. In artikel 115, vijfde lid, van de Vw 2000 is immers bepaald dat een toelating krachtens artikel 10, tweede lid, van de Vw oud, zoals dit luidde ten tijde van de inwerkingtreding van de Vw 2000, wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000. Bevestigende beantwoording van vorengenoemde vraag leidt alsdan derhalve tot het oordeel dat eiseres op het moment van de onderliggende aanvraag reeds in het bezit was van een vergunning op basis waarvan het eiseres is toegestaan om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven.

Overwogen wordt als volgt.

In artikel 10, eerste lid, van de Vw oud, zoals dat artikellid gold ten tijde hier van belang, is bepaald dat het aan houders van een vergunning tot vestiging en toegelaten vluchtelingen is toegestaan om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven.

Daarnaast is in artikel 10, tweede lid, van de Vw oud, zoals dat artikellid gold ten tijde hier van belang, bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan bepaalde categorieën vreemdelingen kan worden toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven.

Tot 7 januari 1994 waren deze categorieën geregeld in artikel 47, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit oud (Vb oud). Het betrof de echtgenoot of echtgenote en kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar die feitelijk behoren tot het gezin van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Vw oud.

Bij Koninklijk Besluit van 30 december 1993, Staatsblad 1994, nr. 8, inwerking getreden op 7 januari 1997 (het KB), is het Vb oud gewijzigd en is artikel 47 van het Vb oud vervallen. Hoewel hiermee een eind was gekomen aan het van rechtswege verkrijgen van de ‘artikel 10 lid 2 status’, heeft de wetgever in artikel III van het KB voorzien in een overgangsbepaling in verband met het vervallen van artikel 47 van het Vb oud. Het eerste lid van artikel III bepaalt dat het vreemdelingen, aan wie het op de dag onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van het KB krachtens artikel 10, tweede lid, van de Vw oud was toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven zolang zij voldoen aan de voorwaarden op grond waarvan hun dit verblijf voor onbepaalde tijd was toegestaan.

In onderdeel A4/9 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994), zoals dat gold ten tijde hier van belang, zijn nadere regels omtrent het verblijfsrecht van vreemdelingen met de ‘artikel 10 lid 2 status’ opgenomen.

In onderdeel A4/9.5 van de Vc 1994 is het volgende opgenomen:

“Voorwaarde voor het behouden van het verblijfsrecht krachtens artikel 10, tweede lid, Vw juncto artikel 47 Vb (oud) is derhalve steeds het feitelijk behoren tot het gezin van:

- een in Nederland wonende Nederlander; of

- een houder van een vergunning tot vestiging; of

- een als vluchteling toegelaten vreemdeling.

Het gaat daarbij vanzelfsprekend om de feitelijke gezinsband met de persoon op grond waarvan het verblijfsrecht is ontstaan.”

Uit onderdeel B2/2.1.2 van de Vc 1994 juncto onderdeel B2/2.1.3 van de Vc 1994, zoals deze beleidsonderdelen golden ten tijde hier van belang, blijkt – voor zover thans van belang – dat van verbreking van de gezinsrelatie, zoals vereist voor het vervallen van de ‘artikel 10 lid 2 status’, sprake is indien de vreemdelingen niet langer in gezinsverband samen wonen met degene bij wie verblijf is toegestaan, doordat zij elders zijn gaan wonen en in hun eigen levensonderhoud zijn gaan voorzien. In Nederland buitenshuis wonende kinderen die een volledige dagopleiding volgen (al dan niet met studiebeurs) behouden hun afhankelijke verblijfstitel.

De rechtbank overweegt vervolgens als volgt.

Ter zitting op 2 juni 2006 is de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (de Afdeling Rechtspraak) van 31 mei 1991aan de orde gesteld, welke uitspraak is gepubliceerd in RV 1991, 32 en MR 1992, 27. Partijen zijn bij toezending van de schorsingsbeslissing van 2 juni 2006 in het bezit gesteld van de tekst van deze uitspraak.

In deze uitspraak is, voor zover thans relevant, als volgt geoordeeld:

“Waar appellant (..) heeft betoogd dat hij (..) zijn aan artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet ontleende status had behouden, overweegt de Afdeling dat deze status, ondanks het voortbestaan van de feitelijke gezinsband tussen appellant en zijn ouders, van rechtswege was vervallen doordat appellant (..) zijn hoofdverblijf naar Marokko had verplaatst.”

Het oordeel dat en waarom er sprake was van verplaatsing van het hoofdverblijf is door de Afdeling Rechtspraak als volgt gemotiveerd:

“(..) Weliswaar is onbetwist gesteld dat appellant in de tijd waarin hij in Marokko studeerde zijn vakanties van ongeveer drie maanden jaarlijks in Nederland doorbracht, doch deze omstandigheid duidt er op zichzelf niet op dat appellant, wiens maatschappelijke leven gedurende ruim vijf jaren was geconcentreerd rondom zijn studie en verblijf in Marokko, feitelijk zijn hoofdverblijf in Nederland had behouden. Dat bij appellant (..) steeds de bedoeling heeft voorgestaan om na het beëindigen van zijn opleiding naar Nederland terug te keren, doet hieraan niets af. (..)”

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Arnhem, van 30 januari 2002 (AWB 00/5380; LJN AW0026) – welke uitspraak een vreemdeling betrof die enkele jaren buiten Nederland, in Marokko heeft verbleven in verband met studie – heeft de gemachtigde van eiseres in de faxbrief van 15 juni 2006 deze visie van de Afdeling Rechtspraak weersproken. Zijdens de gemachtigde is hiertoe gesteld dat bij de beoordeling van de vraag of een ‘artikel 10 lid 2 status’ van rechtswege is komen te vervallen, gelet op het toenmalige beleid, uitsluitend doorslaggevend is of de gezinsband al dan niet intact is gebleven door het vertrek van de vreemdeling naar het buitenland. Volgens de gemachtigde van eiseres blijkt uit voornoemde uitspraak dat de rechtbank, bij haar oordeel dat door verweerder niet afdoende gemotiveerd was dat er sprake was van verbreking van de gezinsband, met name van belang heeft geacht dat de ouder van de vreemdeling in het financiële onderhoud van de vreemdeling is blijven voorzien tijdens diens verblijf in het buitenland. Voor de situatie van eiseres betekent het vorenbedoelde oordeel derhalve dat niet tevens, zoals de Afdeling Rechtspraak klaarblijkelijk heeft voorgestaan, bepalend is of met het vertrek van eiseres naar Singapore sprake is geweest van verplaatsing van het feitelijke hoofdverblijf.

Hierbij heeft de gemachtigde van eiseres tevens gesteld dat het oordeel van de Afdeling Rechtspraak discriminatoir is, daar kinderen van vreemdelingen hier te lande die in het buitenland gaan studeren dientengevolge nagenoeg altijd hun ‘artikel 10 lid 2 status’ verliezen, terwijl studeren en wonen in Nederland buiten de woonplaats van de ouders volgens vorenvermeld beleid ongehinderd kan, zelfs indien de student in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

Nu verweerder ter zitting heeft erkend dat – gelet op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Maastricht, van 20 september 2002 – de gezinsband tussen eiseres en haar ouders steeds is blijven bestaan, moet de ‘artikel 10 lid 2 status’ van eiseres derhalve geacht worden te zijn blijven voortbestaan, aldus is door de gemachtigde van eiseres geconcludeerd.

Verweerders heeft vervolgens bij fax van 27 juni 2006 naar voren gebracht dat hij het standpunt in het bestreden besluit van 3 augustus 2005 handhaaft, dat de zogenoemde ‘artikel 10 lid 2 status’ van eiseres van rechtswege is komen te vervallen door verplaatsing van het hoofdverblijf naar Singapore op 10 december 1985. In dit verband heeft verweerder redengevend geacht dat het een welbewuste keuze is geweest van de ouders van eiseres om eiseres op voornoemde datum naar Singapore terug te sturen en onder de hoede te brengen van haar grootmoeder. Sindsdien heeft eiseres in ieder geval gedurende meer dan elf jaren de facto geen deel meer uitgemaakt van het gezin van haar ouders in Nederland en is er evenmin tussentijds geprobeerd om eiseres naar Nederland te laten overkomen. De door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling Rechtspraak biedt steun voor vorenvermeld standpunt, zo is door verweerder geconcludeerd.

In het door de gemachtigde van eiseres gestelde ziet de rechtbank onvoldoende grond om te komen tot het oordeel dat verweerders standpunt dat, hoewel de gezinsband tussen eiseres en haar ouders in tact is gebleven, er sprake is van het verval van rechtswege van de ‘artikel 10 lid 2 status’ per 10 december 1985 wegens het verplaatsen van het hoofdverblijf van eiseres naar Singapore, niet overeind kan blijven. De rechtbank ziet zich bij haar oordeelsvorming in de onderhavige zaak gesteund door de ter zitting op 2 juni 2006 aangehaalde uitspraak van de Afdeling Rechtspraak. In het door de gemachtigde van eiseres gestelde acht de rechtbank geen termen aanwezig om de overwegingen uit de uitspraak van voornoemd rechtscollege niet mutatis mutandis van toepassing te achten in de situatie van eiseres. De rechtbank volgt verweerder aldus in zijn standpunt dat de vraag of sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf een rol speelt in de casus van eiseres. In dit verband acht de rechtbank onder meer redengevend dat onder de Vw oud verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Vw oud mede was gekoppeld aan verblijf hier te lande. Zo is in artikel 14, tweede lid, van de Vw oud, zoals dat artikellid gold ten tijde hier van belang, bepaald dat een vestigingsvergunning wordt ingetrokken indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland vestigt. Voorts kan blijkens artikel 15, derde lid, van de Vw oud, zoals dat artikellid gold ten tijde hier van belang, de toelating als vluchteling worden ingetrokken in gevallen waarin de vreemdeling door gewijzigde omstandigheden in de gelegenheid is zich zonder gevaar voor vervolging buiten Nederland te vestigen. Dat de Afdeling Rechtspraak voor de vraag of sprake is van verval van rechtswege van de ‘artikel 10 lid 2 status’ van belang heeft geacht of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, acht de rechtbank derhalve niet onlogisch.

Daargelaten of reeds van verplaatsing van het hoofdverblijf kan worden gesproken indien – zoals in de casus van de voornoemde uitspraak – het vertrek van een vreemdeling naar het buitenland uitsluitend is ingegeven door studiedoeleinden, is de rechtbank vervolgens van oordeel dat met het vertrek van eiseres naar Singapore op vijfjarige leeftijd – daarbij in aanmerking nemende de duur van dat verblijf nadien buiten Nederland – in ieder geval sprake was van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland. In dit verband wijst de rechtbank verder nog op de onbestreden gebleven overweging in het bestreden besluit, dat het verweerder uit de bescheiden van de korpschef van het regionaal politiekorps Limburg-Noord is gebleken dat eiseres per 10 december 1985 is afgemeld met de mededeling dat eiseres slechts enkele weken hier te lande zal verblijven als toerist. Hieruit blijkt naar dezerzijds oordeel niet dat er met het vertrek van eiseres naar Singapore op 10 december 1985 op voorhand sprake was van een intentie om na verloop van (kortere) tijd naar Nederland terug te keren.

Voorts overweegt de rechtbank, gelet op het vorenstaande ten overvloede, nog dat de ‘artikel 10 lid 2 status’ van eiseres – zo de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 1991 niet gevolgd zou hebben – naar dezerzijds oordeel in ieder geval van rechtswege verloren is gegaan bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd van eiseres op [geboortedatum] 1998, welke datum is gelegen voor de datum van het bestreden besluit. Met het bereiken van deze leeftijd wordt immers niet langer aan de voorwaarden voldaan op grond waarvan het verblijf is toegestaan ingeval er sprake is geweest van verblijf als minderjarig kind bij een in Nederland wonende Nederlander, een houder van een vergunning tot vestiging of een als vluchteling toegelaten vreemdeling.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt, dat eiseres geacht wordt de ‘artikel 10 lid 2 status’ van rechtswege te hebben verloren, in rechte stand kan houden. Vervolgens overweegt de rechtbank ten aanzien van de overige geschilpunten als volgt.

Verlening van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, is een discretionaire bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank ter zake slechts een beperkte toetsing toekomt. Dat brengt mee, dat de rechtbank het besluit van verweerder heeft te respecteren, tenzij gezegd moet worden, dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien:

a. internationale verplichtingen daartoe nopen;

b. met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of

c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. In artikel 3.4 van het Vb 2000 is in het eerste lid bepaald dat de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband houden met de onder a tot en met y genoemde doelen.

Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Het tweede lid van artikel 16 van de Vw 2000 bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de toepassing van de gronden als bedoeld in het eerste lid. Deze hiervoor bedoelde regels zijn gesteld in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Op grond van het bepaalde in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming verleend, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

In artikel 3.24 van het Vb 2000 is, voor zover in dit geding van belang, bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging kan worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander dan de echtgenoot/echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien:

a. de vreemdeling naar het oordeel van verweerder feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en

b. de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een onevenredige hardheid zou betekenen.

In onderdeel B2/8.5 van de Vc 2000 is – onder meer – uitgewerkt dat de verblijfsvergunning in het kader van verruimde gezinshereniging niet wordt verleend, indien de achterlating van het gezinslid in het land van herkomst geen onevenredige hardheid betekent. Het betreft hier gevallen waarin door bijzondere omstandigheden de algemene belangen die zijn gediend met een restrictief toelatingsbeleid opwegen tegen de belangen van de vreemdeling bij verblijf in Nederland bij de hier gevestigde familieleden. In het algemeen kan die onevenredigheid slechts aanwezig zijn, indien sprake is van een of meer zeer bijzondere individuele omstandigheden, die bovendien tot gevolg hebben dat de achterlating van de vreemdeling in het land van herkomst een schrijnende situatie zou opleveren.

Vooreerst oordeelt de rechtbank dat, nu eiseres ten tijde van het thans bestreden besluit de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, verweerder de onderliggende aanvraag op goede gronden (mede) heeft getoetst aan de bepalingen en het beleid met betrekking tot verruimde gezinshereniging. Dat eiseres ten tijde van de aanvraag en de primaire beslissing nog minderjarig was, doet hieraan niet af. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 maart 2003, gepubliceerd in JV 2004/32, waarin voor zover thans relevant het volgende is overwogen:

“(..)

2.3. In grief 1 wordt geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten aanzien van de aanvraag van appellante sub 1, nu zij ten tijde van de aanvraag nog niet meerderjarig was, ten onrechte het beleid inzake verruimde gezinshereniging heeft toegepast. Appellanten betogen dat uit artikel 3.103 van het Vb 2000 volgt dat de aanvraag moest worden beoordeeld aan de hand van het recht dat gold op het tijdstip, waarop die aanvraag ingediend.

2.3.1. De grief faalt. Doordat appellante sub 1 hangende de besluitvorming meerderjarig is geworden, is een wijziging opgetreden in de voor die besluitvorming van belang zijnde feiten. Artikel 3.103 van het Vb 2000 heeft daarop geen betrekking. Nu appellante sub 1 ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar meerderjarig was, heeft de rechtbank terecht toepassing van het beleid inzake verruimde gezinshereniging niet onjuist geacht. (..)”

In het door de gemachtigde van eiseres gestelde, acht de rechtbank geen termen gelegen om dit oordeel van de Afdeling niet te volgen. Hierbij overweegt de rechtbank voorts nog, in weerwil van het door de gemachtigde van eiseres in paragraaf 11 van de gronden van het beroep van 9 september 2005 gestelde, dat verweerder hiermee evenmin in strijd met, door de gemachtigde overigens niet nader geduide, algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

In artikel 7:11 van de Awb is vastgelegd dat een volledige heroverweging op grondslag van het bezwaar dient plaats te vinden. Naar dezerzijds oordeel staat dit artikel er in beginsel niet aan in de weg dat bij het besluit op bezwaar de weigering van het gevraagde, in casu de verlening van een verblijfsvergunning, (mede) wordt gestoeld op een andere grond dan die waarop in eerste aanleg de weigering is gebaseerd. Er is daarmee aldus (ook) geen sprake van reformatio in peius, voor zover de gemachtigde van eiseres dat (mede) heeft beoogd te betogen.

Dat de rechtbank, zittingsplaats Maastricht, in haar uitspraak van 20 september 2002 niet is uitgegaan van de voor verruimde gezinshereniging geldende regelgeving, maakt evenmin dat vorenstaande oordeel van de Afdeling niet gevolgd zou moeten worden. Weliswaar is de uitspraak van 20 september 2002 onherroepelijk van karakter, doch uit deze uitspraak valt naar dezerzijds oordeel niet af te leiden dat uitsluitend toetsing aan de voor gezinshereniging – niet (tevens) zijnde verruimde gezinshereniging – geldende bepalingen in de rede lag. Er is met toepassing van die bepalingen aldus ook geen sprake van strijdigheid met het beginsel van de rechtszekerheid, welk beginsel maakt dat oordelen vervat in de in rechte onaantastbare uitspraak dienen te worden eerbiedigd en aldus dienen te prevaleren boven toepassing van na die uitspraak gewijzigde rechtspraak.

Vervolgens overweegt de rechtbank ten aanzien van verweerders standpunt, dat niet wordt voldaan aan alle voorwaarden als gesteld in artikel 3.24 van het Vb 2000, als volgt.

Indien niet wordt voldaan aan de beide in artikel 3.24 van het Vb 2000 – cumulatief – genoemde voorwaarden ontstaat er voor verweerder geen bevoegdheid om een verblijfsvergunning in het kader van de zogeheten verruimde gezinshereniging te verlenen.

Nu onbestreden is dat eiseres voldoet aan de voorwaarde zoals genoemd onder a van artikel 3.24 van het Vb 2000, staat enkel nog ter discussie de vraag of achterlating van eiseres in Singapore van een onevenredige hardheid zou getuigen. De rechtbank is van oordeel dat de ontkennende beantwoording van deze vraag door verweerder in rechte stand kan houden. Overwogen wordt als volgt.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat de lange duur van de onderhavige procedure evenals de omstandigheid dat eiseres ten tijde van de aanvraag als ook ten tijde van het primaire besluit van 8 mei 1998 nog minderjarig was, verweerder niet hebben hoeven leiden tot de conclusie dat daarmee de achterlating van eiseres op het moment van het thans bestreden besluit een schrijnende situatie als bedoeld in vorenvermeld beleidsonderdeel B2/8.5 oplevert.

Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat de omstandigheid dat zij destijds naar Nederland is gekomen omdat haar oma niet langer voor haar kon zorgen evenmin maakt dat eiseres in Singapore in een schrijnende situatie komt te verkeren. Hierbij heeft verweerder bovenal in aanmerking kunnen nemen dat eiseres, gelet op haar leeftijd ten tijde van het bestreden besluit, geacht kan worden zich zelfstandig te handhaven. Bovendien zal zij niet verstoken blijven van sociaal-maatschappelijk contact, nog daargelaten of hieronder tevens dient te worden verstaan verzorging door derden, nu er nog andere familieleden dan haar grootmoeder in Singapore woonachtig zijn en eiseres onder meer aldaar gestudeerd heeft. Dat achterlating van eiseres in Singapore betekent dat zij niet in de nabijheid kan verkeren van haar ouders en zusters, aan wie allen op enige grond verblijf in Nederland is toegestaan, maakt het vorenstaande niet anders.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er, gelet op het bepaalde in artikel 3.24 van het Vb 2000, geen bevoegdheid is om de gevraagde vergunning te verlenen.

Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde van eiseres dat hij met het beroep op de bijzondere omstandigheden waarin eiseres volgens hem (thans) verkeert tevens een beroep beoogt te doen op het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb, overweegt de rechtbank in navolging van de Afdeling in de uitspraak van 28 april 2004, gepubliceerd in JV 2004/242, als volgt. Artikel 3.24 van het Vb 2000 is een algemeen verbindend voorschrift, dat ook verweerder bindt, zodat er geen ruimte meer is voor toepassing van een inherente afwijkingsbevoegdheid. Indien niet is voldaan aan de (cumulatieve) voorwaarden, is er op grond van artikel 3.24 van het Vb 2000 geen bevoegdheid voor verlening van een vergunning.

Zijdens eiseres is voorts nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM.

Verweerder heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schending van het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Weliswaar acht verweerder ‘family life’ aanwezig tussen eiseres en haar ouders, maar is er volgens hem geen sprake van inmenging. Evenmin acht verweerder in casu een situatie aanwezig waarin uit het recht op respect voor familie of gezinsleven voor verweerder de positieve verplichting voortvloeit om eiseres verblijf in Nederland toe te staan.

De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder.

In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie of gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, het economisch welzijn, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

Blijkens vaste jurisprudentie is geen sprake van inmenging in de uitoefening van het recht op familie en gezinsleven indien de bestreden beschikking er niet toe strekt de vreemdeling een verblijfstitel te ontnemen die hem tot uitoefening van het familie en gezinsleven in staat stelde. Aangezien het in dit geval gaat om een aanvraag om eerste toelating, is geen sprake van inmenging, hetgeen ook verder niet ter discussie staat.

Evenmin is sprake van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden, dat uit het recht op het respect voor familie of gezinsleven voor verweerder de positieve verplichting voortvloeit om eiser verblijf hier te lande toe te staan.

Ingevolge vaste jurisprudentie kan over familierelaties tussen meerderjarigen de bescherming van artikel 8 EVRM slechts worden ingeroepen indien sprake is van “elements of further dependency, involving more than the normal emotional ties”. Dat van een dergelijke band in dit geval sprake is, acht de rechtbank met verweerder niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat eiseres, zoals gesteld in de gronden van het beroep van 9 september 2005, als meerderjarige dochter nog steeds bij haar ouders woont, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

In dit verband overweegt de rechtbank nog dat haar uit de processtukken is gebleken dat eiseres ook sedert haar terugkeer naar Nederland veelvuldig voor langere periodes in het buitenland heeft verbleven, zonder de aanwezigheid van haar ouders.

Gelet op het vorenstaande moet ook het beroep op artikel 8 van het EVRM falen.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op het zogenaamde driejarenbeleid regulier overweegt de rechtbank voorts als volgt.

Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan het driejarenbeleid, zoals dat is neergelegd in hoofdstuk B1/2.2.11 van de Vc 2000. Hierin is kort gezegd bepaald dat een aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of vanwege het niet (meer) beschikken over zelfstandige en duurzame middelen van bestaan, indien op de aanvraag drie jaren na ontvangst ervan niet onherroepelijk is beslist, terwijl de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad. De overige afwijzingsgronden blijven van toepassing.

Gelet op het vorenoverwogene diende eiseres te voldoen aan de voorwaarden van het driejarenbeleid zoals neergelegd in de Vc 2000, ten gevolge waarvan zij aan alle voorwaarden met uitzondering van het vereiste om te beschikken over een mvv en het middelenvereiste diende te voldoen die zijn gesteld aan de inwilliging van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking van ‘verruimde gezinshereniging’. Zoals hierboven reeds is overwogen, voldeed eiseres ten tijde van het bestreden besluit niet aan de bij wet gestelde voorwaarden. Reeds deze omstandigheid brengt met zich mee dat het beroep op drie jaar relevant tijdsverloop niet kan slagen, daargelaten of eiseres ten tijde van het bestreden besluit al dan niet in Nederland verbleef en de gevolgen van een eventueel verblijf buiten Nederland voor vergunningverlening op grond van het driejarenbeleid regulier. Tevens overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder in dit verband gebruik had dienen te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

Gelet op vorenstaande moet het beroep voor ongegrond worden gehouden.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op: 11 oktober 2006.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.