Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9305

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
AWB 06/6082 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek voorlopige voorziening

strafontslag medewerker Tweede Kamer na ernstig plichtsverzuim (verzoeker heeft aan meerdere personen beloften en toezeggingen gedaan om reis- en/of verblijfsdocumenten te regelen in ruil voor grote sommen geld)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 06/6082 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[naam verzoeker], wonende te 's-Gravenhage, verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 30 juni 2006 van de Griffier van de Tweede Kamer der Staten Generaal, verweerder, waarbij verzoeker met ingang van 15 juli 2006 strafontslag is verleend.

Zitting

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 30 augustus 2006 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Geraedts.

Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. J. van Zanten en mr. J.C. Punt.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. Voor de behandeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter samengevat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker was sedert 7 april 1987 werkzaam bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in de functie van Kamerbode.

2.2. Bij besluit van 31 januari 2006 is verzoeker met onmiddellijke ingang de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en/of het werk, dan wel het verblijf aldaar ontzegd en tevens in zijn ambt geschorst. Aanleiding voor deze maatregelen was het vermoeden van verweerder dat verzoeker zich schuldig had gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestond daarin dat verzoeker aan meerdere personen beloften en toezeggingen zou hebben gedaan om reis- en/of verblijfsdocumenten te regelen in ruil voor grote sommen geld. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.3. Op 14 februari 2006 is namens verweerder aangifte gedaan jegens verzoeker, omdat het vermoeden bestond dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan oplichting.

2.4. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij voornemens is verzoeker met ingang van 1 juni 2006 strafontslag te verlenen.

2.5. Verzoeker heeft op 24 mei 2006 mondeling zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.

2.6. Bij besluit van 30 juni 2006 is verzoeker met toepassing van artikel 116, eerste lid, onder l, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (hierna: ARSG) met ingang van 15 juli 2006 strafontslag verleend.

2.7. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 19 juli 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens heeft hij bij brief van 21 juli 2006 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

3.1. Verweerder heeft aan het in geding zijnde strafontslag ten grondslag gelegd dat verzoeker meerdere personen, te weten een kennis van de heer [persoon 1], de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3], heeft opgelicht door deze personen de toezegging te doen verblijfsdocumenten te regelen in ruil voor geld. In het geval van de kennis van de heer [persoon 1] en de heer [persoon 2] is € 1750,-- betaald. In het geval van de neef van verzoeker, de heer [persoon 3], is € 1750,-- gevraagd, doch slechts € 1000,-- aanbetaald. In alle gevallen heeft verzoeker niet de beloofde documenten geleverd en het betaalde geld onder zich gehouden. Daarbij komt nog dat verzoeker het vertrouwen van evengenoemde personen heeft gewekt door te verwijzen naar zijn contacten in de Tweede Kamer.

Daarnaast heeft verweerder verzoeker nog verweten dat herhaaldelijk telefonische contacten met betrekking tot de gevallen van oplichting op het werk hebben plaatsgevonden en dat hij voorts de heer [persoon 1] en zijn naasten heeft bedreigd.

3.2. Verzoeker heeft - kort samengevat - aangevoerd dat hij iedere betrokkenheid bij de beweerdelijk gestelde gedragingen ontkent. Hij heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan het doen van beloftes aan derden, laat staan dat hier enige betaling tegenover zou hebben gestaan.

Verzoeker heeft verder aangevoerd dat verweerder zich uitsluitend op de belastende verklaringen van derden heeft gebaseerd. Verzoeker is van oordeel dat er alle reden is om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze derden, zowel voor wat betreft hun persoon als hun verklaringen. Verzoeker heeft dit uitvoerig toegelicht.

Daarnaast heeft verzoeker aangegeven dat de voorbereiding en de totstandkoming van het bestreden besluit onzorgvuldig zijn geweest. Verweerder heeft niet willen wachten op de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek en is zelf overgegaan tot het verrichten van onderzoek. Dit eigen onderzoek is evenwel slecht uitgevoerd.

4.1. Artikel 115, eerste lid, van het ARSG bepaalt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid van artikel 115 van het ARSG omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, welk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

4.2. Artikel 116 van het ARSG regelt welke disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid, onder l, van dit artikel kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ontslag worden verleend.

5.1. Volgens vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim terzake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake moet zijn van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

5.2.1. De gegevens die verweerder ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder door eigen onderzoek vergaard. De voorzieningenrechter heeft voorlopig geen aanknopingspunten dat dit onderzoek niet met de benodigde zorgvuldigheid en objectiviteit zou zijn verricht. In dat kader is van belang dat verweerder zijn onderzoek niet alleen heeft beperkt tot het meerdere malen zelf horen van de getuigen, doch tevens de processen-verbaal van aangifte van oplichting die opgemaakt zijn door de politie Haaglanden in zijn onderzoek heeft betrokken. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzing dat die aangiften valselijk zijn gedaan.

5.2.2. Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming gebruik heeft mogen maken van de gegevens die uit zijn eigen onderzoek naar voren zijn gekomen.

5.3. Verzoeker zijn op basis van evengenoemd onderzoek meerdere gedragingen verweten die door verweerder als ernstig plichtsverzuim zijn aangemerkt. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.3.1. Verzoeker is allereerst verweten dat hij de heer [persoon 1] ten onrechte heeft voorgespiegeld dat hij in ruil voor een som geld een verblijfsdocument zou kunnen regelen voor een Turkse kennis van hem, een zekere [A.], en dit geld na het niet gestand doen van deze belofte niet heeft gerestitueerd. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat dit feit, evenals de bedreigingen richting de heer [persoon 1] en zijn naasten, voldoende aannemelijk is gemaakt. Ook de misleidende beloften aan de heer [persoon 3] en de heer [persoon 2] om verblijfsdocumenten te leveren in ruil voor geld, de dienaangaande betaalde en nooit meer gerestitueerde sommen geld, staan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoende vast. Dit geldt eveneens voor de in dit kader veelvuldig vanaf het werk gepleegde telefoontjes.

5.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zich met de onder 5.3.1. weergegeven gedragingen niet heeft gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen. Verzoeker heeft met zijn gedragingen het aanzien van de Tweede-Kamer der Staten-Generaal ernstig geschaad. Temeer nu hij zich tegenover de personen onder 5.3.1. heeft beroepen op zijn functie en contacten binnen de Tweede Kamer en daarnaast veelvuldig vanaf zijn werklocatie telefonisch met deze personen overleg heeft gevoerd over de beloofde verblijfsdocumenten.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoeker op grond van zijn functie had moeten beseffen dat door zijn gedragingen de voor de vervulling van zijn functie vereiste integriteit niet meer was gewaarborgd. Van een ambtenaar als verzoeker mag worden verwacht dat hij begrijpt aan welke gedragsnormen hij zich heeft te houden. Eens te meer nu in het recente verleden een collega wegens vergelijkbare gedragingen strafontslag is verleend.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker zich, gelet op het vorenstaande, schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

5.5. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat er geen aanleiding is het geconstateerde plichtsverzuim niet toerekenbaar te achten. Verweerder heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht verzoeker met betrekking tot het hiervoor vastgestelde plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.

5.6. Dit betekent dat nu nog ter beoordeling staat of sprake is van onevenredigheid tussen het aan verzoeker opgelegde strafontslag en het jegens hem vastgesteld plichtsverzuim. Gelet op de aard en ernst van de aan verzoeker verweten gedragingen in onderlinge samenhang bezien, de betekenis hiervan voor het functioneren van verzoeker binnen de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de eisen die met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit aan medewerkers binnen deze organisatie worden gesteld, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat deze gedragingen tezamen ernstig plichtsverzuim opleveren. De voorzieningenrechter acht de straf van disciplinair ontslag dan ook niet onevenredig aan de ernst van het door verzoeker gepleegde plichtsverzuim.

6. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.

7. Er is evenmin aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. G.P. Kleijn, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.J. Heesen.