Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9163

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
AWB 06/45666 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Bewaring / minderjarig kind in detentie / belangenafweging / voortvarendheid.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, omdat de bewaring van eiseres niet in strijd is met de Nederlandse wet- en regelgeving en ook de door eiseres ingeroepen bepalingen in internationale verdragen niet aan de bewaring in de weg staan. Dat de minderjarige zoon van eiseres, aan wie de maatregel van bewaring niet is opgelegd, bij zijn moeder in het detentiecentrum verblijft, maakt het voorgaande niet anders, maar brengt wel mee dat de minister met uiterste voortvarendheid moet werken aan de uitzetting van eiseres en haar zoon. De minister kan niet volstaan met de gebruikelijke op uitzetting gerichte inspanningen. Vast staat dat de onderwijs- en speelvoorzieningen in het detentiecentrum beperkt zijn en dat een langdurig verblijf van kinderen in het detentiecentrum ontoelaatbaar is. Op dit moment bestaat echter, mede gelet op de nog korte duur van de bewaring, geen grond voor het oordeel dat de minister de belangen van de zoon van eiseres onvoldoende heeft meegewogen. Hoelang het verblijf van een kind in het detentiecentrum precies mag duren, zal mede afhangen van de mate waarin de minister de voorzieningen afstemt op de leeftijd en behoeften van het kind. De minister zal zulks telkens in haar belangenafweging hebben te betrekken en daarvan in een eventueel vervolgberoep zo nodig rekenschap moeten geven. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2006/414
JNVR 2006/179

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: AWB 06/45666 VRONTN

Datum uitspraak: 29 september 2006

UITSPRAAK

op het beroep tegen de maatregel van bewaring, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1981,

van Chinese nationaliteit,

V-nummer 2006085047,

eiseres, mede namens haar minderjarige zoon

[minderjarige zoon van eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1998,

verblijvende in Detentiecentrum Zeist te Soesterberg,

gemachtigde: mr. M.A. Collet, advocaat te Rotterdam,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

verweerder,

gemachtigde: D.A. Riezebos, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2006 is eiseres in vreemdelingenbewaring gesteld.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 september 2006 beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 september 2006. Eiseres is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minderjarige zoon van eiseres is eveneens verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Ter zitting was een tolk aanwezig.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 De Minister heeft bij brief van 23 januari 2004 (TK, 2003-2004, 19 637 en 29 344, nr. 793, pp. 1-7) het beleid met betrekking tot de terugkeer van de groep langdurig in Nederland verblijvende asielzoekers, die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning en die zich nog in de reguliere asielopvang bevinden, uiteengezet. In beginsel gaat het - aldus de Minister - om vreemdelingen die hun (eerste) asielaanvraag voor 1 april 2001 hebben ingediend. Besloten is om een extra inspanning te doen om de terugkeer van deze groep te realiseren. Voor die groep zal worden overgegaan tot intensieve facilitering van de terugkeer vanuit de gemeentelijke woning of COA-voorziening. Indien de terugkeer niet is gerealiseerd vanuit de opvang wordt vervolgens, afhankelijk van individuele omstandigheden en mogelijkheden, een periodieke meldingsplicht, beperking van de bewegingsvrijheid, vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming opgelegd.

Het beleid is nader uitgewerkt - aldus de Minister - in het Handboek Project Terugkeer van december 2004. In fase 1 vindt de vertrekfacilitering plaats in een opvanglocatie. In deze fase vinden twee vertrekgesprekken plaats. In fase 2 vindt de vertrekfacilitering plaats in een vertrekcentrum.

2.3 De Minister heeft bij brief van 27 juni 2006 (TK, 2005-2006, 29 344, nr. 57, p. 3) naar voren gebracht dat alleen in bepaalde uitzonderingsgevallen tot inbewaringstelling van ouders met minderjarige kinderen zal worden overgegaan. Voorts is in die brief, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Indien één van deze uitzonderingssituaties van toepassing is en het gehele gezin toch in bewaring moet worden genomen, dient de duur per definitie zo kort mogelijk te zijn. De inspanning van alle betrokkenen moet er vanaf het eerst moment reeds op gericht zijn die situatie zo spoedig mogelijk te beëindigen. Daarnaast zullen de zorgvuldigheidsnormen nauwgezet in acht worden genomen. Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de specifieke behoefte van de kinderen en hun ouders, maar ook met de fase waarin de bewaring noodzakelijk is. Indien het bijvoorbeeld bewaring betreft in verband met een op handen zijnde uitzetting, zijn bepaalde voorzieningen zoals scholing minder geïndiceerd dan wanneer het gezin langer in bewaring zal verblijven. Als dat laatste het geval is, wordt zorggedragen voor een leeftijdgerelateerd voorzieningenniveau, zoals bijvoorbeeld het aanbieden van onderwijs en het ter beschikking stellen van voldoende spel- en leermiddelen.”

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit tot oplegging aan eiseres van de maatregel van vreemdelingenbewaring wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting toetsing in rechte doorstaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres – zoals ook in het besluit is aangegeven en niet door haar bestreden – niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, zich niet gehouden heeft aan haar vertrektermijn en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Reeds hierom heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het vermoeden bestaat dat eiseres zich aan haar uitzetting zal onttrekken. De rechtbank stelt verder vast dat bij uitspraak van 13 april 2000 (AWB 99/8226) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, in rechte is komen vast te staan dat eiseres op asielgerelateerde gronden noch op grond van het door verweerder gevoerde beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers hier te lande verblijf toekomt. Bij uitspraak van 4 februari 2004 (AWB 03/5136) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, is voorts in rechte komen vast te staan dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel “conform beschikking minister”. Hieruit volgt dat op eiseres de rechtsplicht rust Nederland met haar minderjarige zoon te verlaten en dat zij gelet daarop haar actieve en volledige medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de voor haar vertrek noodzakelijke documenten. Op grond van de diverse met eiseres in het kader van Project Terugkeer gevoerde vertrekgesprekken heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres daaraan niet heeft voldaan en verweerder heeft dat mede aan haar inbewaringstelling ten grondslag mogen leggen.

Voor het oordeel dat verweerder eiseres niet in bewaring heeft mogen stellen, nu zij zich, naar zij ter zitting heeft aangevoerd, al lange tijd niet heeft gehouden aan haar vertrekplicht en zij desondanks niet door verweerder is uitgezet, biedt de wet geen grondslag.

Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 november 2005 (200507769/1) overweegt de rechtbank dat door eiseresses inbewaringstelling de mogelijkheid van uitzetting wordt veiliggesteld, doordat permanent kan worden toegezien op de van eiseres te verlangen inspanningen tot terugkeer. Het zicht op uitzetting wordt hierdoor verscherpt en bevorderd. Tevens bestaat er geen grond voor het oordeel dat de Chinese autoriteiten niet bereid zijn een laissez-passer te verstrekken, indien de desbetreffende vreemdeling van Chinese nationaliteit, juiste en volledige gegevens verstrekt. De rechtbank wijst in dat verband op een uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2006 (200600747, JV 2006/131). De stelling van eiseres ter zitting dat de maatregel van bewaring met een ander doel aan haar is opgelegd dan waarvoor die maatregel is gegeven, slaagt dan ook niet.

2.5 Eiseres heeft aangevoerd dat de belangen van haar minderjarige kind zich verzetten tegen haar inbewaringstelling, waarbij ter zitting een beroep is gedaan op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK).

De rechtbank stelt voorop dat zij dient te oordelen over het beroep van eiseres tegen het besluit waarbij haar een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Aan de minderjarige zoon van eiseres, voor wie elders opvang mogelijk was, is een dergelijke maatregel niet opgelegd. Dat de minderjarige zoon van eiseres gedurende de bewaring bij haar verblijft, maakt dit niet anders. Overigens onderkent de rechtbank dat van alleenstaande ouders, als eiseres, die door verweerder in bewaring worden gesteld, niet gevergd kan worden het minderjarige kind elders te laten onderbrengen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (waaronder de uitspraak van 13 september 2005, JV 2005/409) bevat de ingeroepen bepaling van het IVRK, alsook de artikelen 2, 22 en 37 van dat verdrag, gelet op de formulering, geen normen die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn. Kinderen, van wie de ouders rechtmatig in bewaring zijn gesteld, zoals in het geval van eiseres, noch die ouder(s) zelf, kunnen aan die bepaling dan ook aanspraak ontlenen op opheffing van die bewaring. Bovendien heeft de Afdeling bij uitspraak van 4 juli 2003 (JV 2003/368) geoordeeld dat het door eiseres ingeroepen verdrag geen aanspraken schept voor kinderen van ouders aan wie op grond van de Nederlandse vreemdelingenwet en –regelgeving geen verblijf wordt toegestaan. Dit betekent echter niet – zoals de Afdeling bij evenvermelde uitspraak van 13 september 2005 reeds heeft overwogen – dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van eiseres aan de belangen van de minderjarige zoon van eiseres geen gewicht kan worden toegekend.

Door verweerder is ter zitting allereerst aangegeven dat, alvorens de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiseres is opgelegd, op het niveau van verweerders procesdirectie is gesproken over de vraag of eiseres al dan niet in vreemdelingenbewaring moest worden gesteld, waarbij ook de belangen van haar minderjarige zoon zijn meegewogen. Eiseres heeft naar voren gebracht dat de gemaakte belangenafweging voor haar niet kenbaar is, nu deze niet blijkt uit het procesdossier. De rechtbank overweegt dat uit de verslagen van de met eiseres in het kader van het Project Terugkeer gevoerde vertrekgesprekken blijkt dat zij op de hoogte was van de omstandigheid dat en waarom zij op zeker moment in bewaring zou kunnen worden gesteld, waarbij tevens is gesproken over (belangen van) haar zoon. Eiseres is zowel tijdens deze gesprekken als tijdens het gehoor direct voorafgaand aan de inbewaringstelling in de gelegenheid geweest te reageren op de (mogelijke) inbewaringstelling. Bovendien heeft zij de belangen van haar minderjarige zoon in beroep naar voren kunnen brengen en dat ook uitvoerig gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de stelling van eiseres geen grond is gelegen dat haar inbewaringstelling, gelet op de daarmee gediende belangen, onrechtmatig is.

Voor zover eiseres ter zitting naar voren heeft gebracht dat verweerder onvoldoende op de uitzetting gerichte inspanningen heeft verricht, overweegt de rechtbank dat, mede gelet op het korte tijdsverloop tussen eiseresses inbewaringstelling op 19 september 2006 en de behandeling ter zitting van het beroep op 27 september 2006, (vooralsnog) geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder niet voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres en haar minderjarige zoon. Gelet op de toezegging van verweerder, als aangehaald in rechtsoverweging 2.3, acht de rechtbank wel van groot belang dat verweerder, die ervoor heeft gekozen de maatregel van bewaring aan eiseres op te leggen in de wetenschap dat eiseres haar kind gedurende die bewaring bij zich wilde houden, met uiterste voortvarendheid werkt aan de uitzetting van eiseres en haar minderjarige zoon. Verweerder kan in het onderhavige geval dan ook niet volstaan met de gebruikelijke op uitzetting gerichte inspanningen. Dat het opvoeren van de rappelfrequentie mogelijk zal leiden tot problemen met de Chinese autoriteiten bij wie ten behoeve van eiseres om afgifte van een laissez-passer is verzocht, en dat de kansen op afgifte van een laissez-passer daardoor mogelijk worden verkleind, zoals ter zitting door verweerder – overigens zonder nadere onderbouwing – is gesteld, doet aan het voorgaande niet af.

Door eiseres is, mede namens haar zoon, aangevoerd dat de omstandigheden in detentiecentrum Zeist niet geschikt zijn voor kinderen, waarbij in het bijzonder is gewezen op het ontbreken van onderwijs en speelvoorzieningen. Door de gemachtigde van verweerder is ter zitting daarentegen op basis van telefonisch contact met detentiecentrum Zeist naar voren gebracht dat daar voldoende voorzieningen voorhanden zijn, waaronder scholing, vergelijkbaar met de voorzieningen in het Uitzetcentrum Zestienhoven. Hoewel over het voorzieningenniveau door verweerder geen exacte gegevens zijn verstrekt en dienaangaande verschil van mening bestaat, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vaststaat dat de beschikbare voorzieningen beperkt zijn en dat een langdurig verblijf van kinderen in het detentiecentrum ontoelaatbaar is. Anders dan eiseres betoogt, is er op dit moment, mede gelet op de nog korte duur van de bewaring, echter geen grond voor het oordeel dat de belangen van haar zoon niet voldoende zijn meegewogen door verweerder, dan wel dat daaraan onvoldoende betekenis is gehecht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2006 (JV 2006/197), waar als volgt is overwogen: “Zoals de Afdeling eerder (...) heeft overwogen, bestaat in een situatie waarin de desbetreffende vreemdelingen zelf hun kinderen, aan wie de bewaring niet is opgelegd, tijdens de bewaring bij zich willen houden, geen grond voor het oordeel dat bij de oplegging van de maatregel met de belangen van de kinderen onvoldoende rekening is gehouden. Daarbij is mede van belang dat het centrum, naar de vreemdelingen niet hebben weersproken, in beperkte mate over voorzieningen voor kinderen beschikt.”

Hoelang het verblijf van een kind in het detentiecentrum precies mag duren, zal mede afhangen van de mate waarin verweerder de voorzieningen afstemt op de leeftijd en behoeften van het kind. Verweerder zal zulks telkens in zijn belangenafweging hebben te betrekken en daarvan in een eventueel vervolgberoep zo nodig uitdrukkelijk rekenschap moeten geven.

2.6 In hetgeen overigens is aangevoerd, vindt de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bewaring in redelijkheid niet (langer) gerechtvaardigd is.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op vrijheid of veiligheid van zijn persoon en mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in het geval van rechtmatige detentie van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitzettingsprocedure hangende is en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure.

Gelet op het bovenstaande is sprake van een rechtmatige vrijheidsbenemende maatregel, zodat, anders dan ter zitting aangevoerd, niet kan worden gesproken van schending van het bepaalde in artikel 5 EVRM.

Voor zover eiseres heeft betoogd dat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 4 juli 2003 (JV 2003/368) heeft overwogen, kan detentie een inmenging zijn van het recht op respect voor het (privé- en) gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, zodat niet is uitgesloten dat naar aanleiding van een maatregel van vreemdelingenbewaring, als thans aan de orde, een beroep op dit artikel kan worden gedaan.

Zoals hierboven door de rechtbank is geconcludeerd heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het algemeen belang de inbewaringstelling van eiseres vorderde. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder aan dat algemeen belang een zodanig gewicht toekennen, dat op grond daarvan de inbewaringstelling en de daarmee mogelijk gepaard gaande inmenging in het privé- en gezinsleven op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM gerechtvaardigd is.

2.7 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.8 De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. E.H.T. Rademaker en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2006 in tegenwoordigheid van drs. P.F. Lammers als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Afschrift verzonden op: