Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9085

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
AWB 06/11396
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering verlenging verblijfsvergunning regulier / ongewenstverklaring / vovo / belang.

Verzoeker heeft de Iraanse nationaliteit. De voorzieningenrechter kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat verzoeker geen belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Anders dan in de zaak waarover de Afdeling heeft geoordeeld in uitspraak 200510434/1 van 6 juli 2006, behelst het in deze procedure bestreden besluit naast een beslissing over de verblijfsvergunning tevens de beslissing tot ongewenstverklaring. Indien de ongewenstverklaring van verzoeker in bezwaar geen stand houdt, staat artikel 67, derde lid, Vw 2000 niet meer aan inwilliging van zijn aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning in de weg. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat verzoeker geen belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 11396

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 september 2006

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1968, van Iraanse nationaliteit,

verzoeker,

raadsman: mr. G. van der Steen, advocaat te Wassenaar,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Nardelli, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 23 augustus 2005 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel verblijf bij echtgenote [naam echtgenote]. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 9 februari 2006 afgewezen en verzoeker ongewenst verklaard. Verzoeker heeft tegen het besluit op 3 maart 2006 bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 2 maart 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 13 september 2006. Verzoeker is, vergezeld door zijn echtgenote, in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Regels over de toepassing hiervan zijn neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2.3 Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, Vw kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder meer worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Ingevolge het tweede lid van artikel 18 Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden in het eerste lid.

2.4 Ingevolge artikel 3.86, eerste lid, aanhef en onder c Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voorbepaalde tijd wegens gevaar voor de openbare orde worden afgewezen, indien de vreemdeling met een verblijfsduur korter dan drie jaar wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee of meer jaar is bedreigd, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of taakstraf is opgelegd en het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van die straf ten minste gelijk is aan de in het tweede lid bedoelde norm. Deze norm bedraagt ingevolge dat tweede lid bij een verblijfsduur van minder dan 1 jaar: 1 maand. In B1/2.2.4.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zijn beleidsregels omtrent de toepassing van artikel 3.86 Vb opgenomen.

2.5 In artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw is bepaald dat de vreemdeling door verweerder ongewenst kan worden verklaard, indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. In B1/2.2.4.4 Vc, zoals die paragraaf luidde ten tijde van het bestreden besluit, zijn beleidsregels opgenomen omtrent de toepassing van artikel 67 Vw.

2.6 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker is sedert 15 mei 2001 gehuwd met mevrouw [naam echtgenote] en verblijft sinds 7 november 2004 in Nederland. Op 22 november 2004 heeft verzoeker verzocht om afgifte van een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf bij echtgenote’. Op 20 januari 2005 is verzoeker in het bezit gesteld van de gevraagde vergunning met ingang van 22 november 2004, geldig tot 22 november 2005.

Op 5 juli 2005 heeft verzoeker een misdrijf gepleegd, waarvoor hij bij vonnis van 25 november 2005 door de politierechter wegens mishandeling en bedreiging is veroordeeld tot 60 uren werkstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het betreft een veroordeling voor overtreding van artikel 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht (mishandeling) en artikel 285 Wetboek van Strafrecht (bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht).

2.7 Verzoeker heeft niet betwist dat verweerder op grond van het voormelde wettelijk kader bevoegd is de verblijfsvergunning regulier van verzoeker niet te verlengen en verzoeker ongewenst te verklaren. Verzoeker heeft gesteld dat het niet verlengen van die vergunning en het besluit tot ongewenstverklaring leidt tot een ongerechtvaardigde inbreuk op het familie- en gezinsleven van verzoeker met zijn echtgenoot en haar twee meerderjarige kinderen. Om die reden is verzoeker van mening dat hem op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verder verblijf dient te worden toegestaan. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft verzoeker gesteld dat verweerder geen juiste afweging heeft gemaakt van de in het kader van artikel 8 EVRM volgens het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in aanmerking te nemen belangen. Bij die belangenafweging dient volgens verzoeker het volgende te worden betrokken.

De feiten waarvoor verzoeker is veroordeeld zijn niet dusdanig zwaar dat verzoeker is aan te merken als een gevaar voor de openbare orde. Verzoeker is veroordeeld vanwege mishandeling en bedreiging ten opzichte van zijn echtgenote. De echtgenote van verzoeker heeft tevergeefs geprobeerd de aangifte van deze misdrijven in te trekken. Het voorval is aan te merken als een incident in een verder goed huwelijk. Dat wordt onderschreven in een in bezwaar overgelegde brief van de echtgenote. De strafmaat duidt erop dat ook de strafrechter het delict als incident heeft beschouwd. Verzoeker heeft zich sinds het voorval uitstekend gedragen en is niet meer in aanraking geweest met politie of justitie. Voor de echtgenote van verzoekster is het niet mogelijk terug te keren naar Iran, omdat zij uit dat land is gevlucht vanwege problemen met het regime in dat land en zij in Nederland onder doktersbehandeling staat. De twee kinderen van de echtgenote van verzoeker beschouwen verzoeker als hun vader en hebben een normaal gezinsleven met hem. Beide kinderen hebben alleen de Nederlandse nationaliteit.

2.8 Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker geen belang heeft bij een voorlopige voorziening en het verzoek om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Immers, nu verzoeker ongewenst is verklaard kan hij, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen rechtmatig verblijf hebben. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2006 (200510434/1). Daarnaast heeft verweerder zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de inmenging in het familie- of gezinsleven van verzoeker, zijn echtgenote en haar twee kinderen gerechtvaardigd is op grond van de openbare orde.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.9 De voorzieningenrechter kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat verzoeker geen belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Anders dan in de zaak waarover de Afdeling heeft geoordeeld in zijn voormelde uitspraak van 6 juli 2006, behelst het in deze procedure bestreden besluit naast een beslissing over de verblijfsvergunning tevens de beslissing tot ongewenstverklaring. Indien de ongewenstverklaring van verzoeker in bezwaar geen stand houdt, staat artikel 67, derde lid, Vw niet meer aan inwilliging van zijn aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning in de weg. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat verzoeker geen belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

2.10 Er is aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, indien het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.11 Vast staat dat tussen verzoeker, zijn echtgenote en haar kinderen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM en dat de rechtsgevolgen die uit het bestreden besluit voortvloeien een inmenging opleveren in het gezinsleven van verzoeker. Beoordeeld dient te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die inmenging gerechtvaardigd is.

2.12 Ingevolge artikel 8, tweede lid, EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van het recht op gezinsleven toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.

2.13 In de uitspraak van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (JV 2001/254) zijn richtinggevende uitgangspunten (‘guiding principles’) geformuleerd ten aanzien van de vraag of een maatregel van uitzetting noodzakelijk is, en met name ten aanzien van de problemen die echtgenoten daardoor zouden ondervinden om samen te blijven en in het bijzonder de problemen voor een echtgeno(o)t(e) en/of kinderen om te gaan leven in het land van herkomst van de ander. Deze uitgangspunten betreffen:

- de aard en ernst van het vergrijp;

- de verblijfsduur;

- het verstreken tijdsverloop sinds het strafbare feit, alsmede het gedrag in die periode;

- de betrokken nationaliteiten;

- de gezinssituatie;

- andere factoren die uitdrukking geven aan de mate van effectiviteit van het huwelijk;

- de vraag of de echtgeno(o)t(e) al dan niet van het vergrijp op de hoogte was toen het gezinsleven ontstond;

- de aanwezigheid van kinderen en hun leeftijd; en

- de ernst van de moeilijkheden die de echtgeno(o)t(e) in het bestemmingsland naar verwachting zal ondervinden.

2.14 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de afweging aan de hand van de voormelde guiding principles antwoord moet geven op de vraag of inmenging in het gezinsleven van verzoeker en zijn echtgenote gerechtvaardigd is in relatie tot de openbare orde. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat in het onderhavige geval bepalend is dat verzoeker is veroordeeld wegens mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en dat hieraan een groter gewicht toekomt dan het persoonlijk belang van verzoeker. Daarbij heeft verweerder ook gewicht toegekend aan het feit dat de door verzoeker gepleegde strafbare feiten gericht waren tegen de persoon bij wie verzoeker voortgezet verblijf wenst. In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het gevaar voor recidive bij huiselijk geweld groot is, er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Iran uit te oefenen en niet gebleken is van meer dan normale emotionele banden tussen verzoeker en zijn stiefkinderen.

2.15 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom bij de te maken afweging van belangen bepalend is dat verzoeker is veroordeeld wegens mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de persoon bij wie hij voortgezet verblijf wenst. Het zijn naar hun aard en ernst weliswaar ernstige misdrijven, maar ze behoeven in het licht van de overige bij de belangenafweging in aanmerking te nemen criteria niet noodzakelijk bepalend te zijn. Ook aan de strafmaat, het verstreken tijdsverloop sinds de misdrijven en het door verzoeker en zijn echtgenote gestelde gedrag van verzoeker sindsdien, komt enig gewicht toe. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd hoe het gewicht van laatstgenoemde omstandigheden zich verhoudt tot het gewicht van de gepleegde misdrijven. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de echtgenote zich in de bezwaarfase niet alleen schriftelijk positief heeft uitgelaten over het gedrag van verzoeker sinds de gepleegde misdrijven, maar dat zij ook op de zitting van 13 september 2006 een gunstig beeld van verzoeker heeft geschetst, waarbij van de door verweerder in het verweerschrift gesuggereerde psychische druk door verzoeker niet is gebleken.

2.16 Op grond van zijn overwegingen in rechtsoverweging 2.15 is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.17 De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen.

2.18 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moet dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.19 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring worden opgeschort en verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen totdat op het bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2006 is beslist;

3.2 veroordeelt verweerder in de kosten ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem te voldoen;

3.3 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 141,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 27 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.