Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY8134

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/5262 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Werk en Bijstand, toestemming geweigerd om in het buitenland te verblijven.

beroep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende procesbelang

zie ook AY 8136

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/5262 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft verweerder eiser toestemming geweigerd om vanaf 25 maart 2005 in het buitenland te verblijven.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van 14 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 juli 2005, aangevuld bij brief van 1 september 2005, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is op 19 juli 2006 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.S.M. Koot, advocaat te Den Haag. Verweerder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

Motivering

Ingevolge artikel 13, eerste lid, onder d, van de WWB, heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aangesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland geen recht op bijstand.

Blijkens hoofdstuk 4 van thema III van het Werkboek van de gemeente Den Haag voert verweerder met betrekking tot vakanties van uitkeringsgerechtigden in het buitenland het beleid dat daarvoor vooraf toestemming moet worden gevraagd.

Niet in geding is dat eiser in de periode van 25 maart 2005 tot ongeveer 30 april 2005 in het buitenland heeft verbleven zonder daarvoor toestemming te hebben verkregen.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende beroep instellen bij de rechtbank. Dit houdt in dat de degene die beroep instelt voldoende belang moet hebben bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

De rechtbank ziet zich, omdat het hebben van voldoende procesbelang een aangelegenheid van openbare orde is, ambtshalve gesteld voor de vraag naar eisers procesbelang.

Om voldoende procesbelang te kunnen hebben moet eiser het doel dat hem met het indienen van zijn beroep voor ogen stond ook kunnen bereiken. Dat is in zijn geval naar het oordeel van de rechtbank, naar hierna zal blijken, niet langer mogelijk.

Ter zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat zijn belang is gelegen in het verkrijgen van bijstand over de periode van 1 april 2005 tot 2 mei 2005. Bij een gegrondverklaring van het onderhavige beroep zou het recht op bijstand in die periode herleven.

Vastgesteld moet echter worden dat, ook al zou de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep tot een gegrondverklaring leiden, eiser niettemin geen aanspraak zal kunnen maken op bijstand in de bewuste periode. Zijn recht op bijstand is bij besluit van 15 april 2005 en van 4 mei 2005 met ingang van 1 april 2005 opgeschort respectievelijk ingetrokken vanwege het onvoldoende meewerken aan een reïntegratietraject en het beroep tegen de handhaving van deze besluiten is bij uitspraak van deze rechtbank van 26 juli 2006 (AWB 05/6653) ongegrond verklaard. Eiser kan derhalve met het onderhavige beroep niet langer bereiken wat hij daarmee heeft beoogd en heeft daardoor onvoldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling ervan.

Nu voldoende procesbelang ontbreekt is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.