Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-09-2006
Zaaknummer
AWB 05/5039 AW G BB
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep tegen afwijzing FPU-arrangement voor 55 jarige ambtenaar ongegrond, geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 05/5039 AW G BB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[A.], wonende te [B.], eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1. Bij besluit van 21 december 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem met toepassing van artikel 94a Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en de Regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) met ingang van 1 december 2005 ontslag te verlenen, afgewezen.

2. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 januari 2005 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

3. Op 10 mei 2005 heeft de Adviescommissie Bezwaarschriftprocedure Personeel OCW (de Commissie) advies uitgebracht aan verweerder.

4. Bij besluit van 14 juni 2005 heeft verweerder de bezwaren van eiser, in overeenstemming met het advies van de commissie, ongegrond verklaard en de motivering van het besluit van 21 december 2004 aangevuld.

5. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 juli 2005 beroep ingesteld.

6. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 25 augustus 2005 een verweerschrift ingediend.

7. Het beroep is op 8 juni 2006 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, vergezeld van mr. I. de Vink. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde] en mr. [gemachtigde].

Motivering

1. De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij eisers bezwaren tegen de afwijzing van zijn aanvraag om gebruik te maken van het FPU-arrangement ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kan houden.

2. Eiser heeft in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de beleidswijziging van verweerder dat het FPU-arrangement in principe niet wordt aangeboden aan 55- en 56 jarigen niet dan wel onvoldoende voor hem kenbaar was. Dit beleid is niet gepubliceerd of anderszins kenbaar gemaakt. Eiser mocht er op vertrouwen dat alleen de circulaire als toetsingskader zou dienen en op grond van die circulaire kwam hij - als 55-jarige - wel in aanmerking voor een FPU-arrangement. Eisers aanvraag is afgewezen omdat verweerder geen precedent wilde scheppen. Na de beleidswijziging kon in uitzonderlijke gevallen toch een precedent geschapen worden zodat dit argument niet meer op gaat. Tot slot had verweerder moeten onderzoeken of bij eiser, indien de beleidswijziging in eisers geval toch van toepassing was, sprake was van bijzondere omstandigheden.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Ten behoeve van reorganisaties die verband houden met het Hoofdlijnen-akkoord 2003 is met de centrales van overheidspersoneel een Sociaal Flankerend Beleid voor de sector Rijk overeengekomen dat een werkingsduur heeft van 1 maart 2004 tot en met 31 december 2007. Dit beleid is vastgesteld in de Circulaire van 8 april 2004 van de Minister van Binnenlandse Zaken (Stcr. 2004/115, hierna: Circulaire) en nadien vastgelegd in het Tijdelijk besluit Sociaal Flankerend Beleid sector Rijk 2004 van 31 december 2004 (Stb. 2005/29, hierna: Tijdelijk besluit).

4. Het Sociaal Flankerend Beleid bevat onder andere een vertrekregeling voor oudere werknemers, die er op is gericht het ontslag van jongere werknemers te voorkomen, het zogenoemde FPU-arrangement. Blijkens de Circulaire is het doel dat door gebruikmaking van het FPU-arrangement het gedwongen reorganisatieontslag van een herplaatsingskandidaat binnen de sector Rijk wordt voorkomen. Een FPU-arrangement kan worden aangeboden aan ambtenaren van 55 jaar en ouder.

5. Ingevolge punt 19, van paragraaf III 'facultatieve voorziening' van de Circulaire kan de secretaris-generaal in de periode tot 1 januari 2005 op individueel niveau een zogeheten FPU-arrangement aanbieden aan een FPU-gerechtigd ambtenaar, mits daardoor het gedwongen reorganisatieontslag van een niet FPU-gerechtigd ambtenaar wordt voorkomen. Dit arrangement dient in te gaan uiterlijk 1 december 2005.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Uit de formulering van punt 19 van paragraaf III 'facultatieve voorzieningen' blijkt dat het bevoegd gezag een ruime bevoegdheid toekomt met betrekking tot de uitvoering van de FPU-regeling. Zoals namens verweerder terecht is opgemerkt kan verweerder het FPU-arrangement aanbieden wanneer aan de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. Verweerder is daartoe niet verplicht. De besluitvorming zal wel in overeenstemming dienen te zijn met het beleid en de genoemde randvoorwaarden.

7. Uit de preambule van het SBK Rijk blijkt dat het SBK Rijk ook van toepassing is op personeel van OCW. Het SBK Rijk en het SBK OCW verschillen in de FPU-arrangementen. Op grond van het SBK OCW dient een ambtenaar 57 jaar en ouder te zijn om in aanmerking te komen voor een FPU-arrangement terwijl op grond van het SBK Rijk een ambtenaar van 55 jaar en ouder reeds in aanmerking kan komen voor FPU. Als gevolg hiervan is OCW in overleg getreden met Departementaal Georganiseerd Overleg (DGO) over de vraag hoe de verschillende convenanten zich tot elkaar verhouden. In de vergadering van 8 juli 2004 is overeenstemming bereikt met DGO, inhoudende dat medewerkers van OCW in beginsel in aanmerking komen voor een FPU-arrangement conform SBK Rijk. Door DGO is onderschreven dat de secretaris-generaal op dit vlak een discretionaire bevoegdheid heeft en dat de medewerker dus geen absoluut recht heeft op een arrangement. Door OCW is aan deze bevoegdheid uitwerking gegeven door in overleg met het DGO als beleid aan te houden dat in principe geen arrangementen worden toegekend aan 55- en 56-jarigen.

8. Gelet op de ruimte die verweerder in deze gelet op voornoemde Circulaire heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de keuze heeft mogen maken om 55- en 56 jarigen in principe geen FPU-arrangement aan te bieden.

9. Het beleid dat aan 55- en 56-jarigen in principe geen FPU-arrangement werd aangeboden werd reeds gevoerd op het moment dat eiser zijn verzoek op 17 augustus 2004 indiende.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat dit beleid op intranet is geplaatst. Voorts heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat dit beleid meerdere malen aan eiser kenbaar is gemaakt. Er is een voorlichtingsbijeenkomst geweest waarbij is aangegeven dat het mogelijk is voor 55- en 56 jarigen om een FPU-arrangement aan te vragen doch dat de kans dat het verzoek zou worden toegewezen erg klein was. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat zij ook meerdere malen telefonisch contact heeft gehad met eiser. Eiser heeft ter zitting erkend dat telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen hem en verweerder.

10. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het beleid niet heeft gewijzigd. Voorts is het beleid voldoende kenbaar gemaakt.

11. In het besluit van 21 december 2004 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen onder de vermelding dat er tot op dat moment aan geen enkele 55- en 56-jarige een FPU-arrangement was aangeboden. In het bestreden besluit heeft verweerder de motivering aangevuld in die zin dat aan 55- en 56-jarigen in principe geen FPU-arrangement wordt aangeboden.

12. Volgens verweerder impliceren de woorden 'in principe' dat uitzonderingen op de regel mogelijk zijn. Volgens verweerder zijn schrijnende situaties denkbaar, bijvoorbeeld bij langdurige arbeidsongeschiktheid, waarbij de vooruitzichten op een succesvolle terugkeer in het arbeidsproces zowel naar het oordeel van werkgever als van werknemer dermate slecht zijn dat dit geen reële optie is. In die gevallen kan, indien de werknemer eveneens aan de overige voorwaarden om voor een FPU-arrangement in aanmerking te komen voldoet, een FPU-arrangement worden toegekend ook al is de werknemer nog geen 57 jaar.

13. Gelet op hetgeen onder r.o. 7 is overwogen is deze nadere invulling van verweerder geen beleidswijziging.

14. Eiser heeft aangevoerd dat in drie gevallen 55- en 56-jarigen wel in aanmerking zijn gekomen voor een FPU-arrangement. Zijn aanvraag had dus niet afgewezen mogen worden op de grond dat verweerder geen precedent wilde scheppen. Eiser doet aldus een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Dit beroep faalt omdat eiser niet nader heeft onderbouwd waarom sprake zou zijn van gelijke gevallen.

15. Eiser kan slechts in aanmerking komen voor een FPU-arrangement indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is daar geen sprake van.

Eiser heeft in dat kader aangevoerd dat hij arbeidsongeschikt is geweest. Voorts heeft hij stukken overgelegd van de bedrijfsarts waarin de bedrijfsarts adviseert dat partijen tot een oplossing komen. Ter zitting heeft eiser aangegeven weer arbeidsgeschikt te zijn en sinds enige tijd weer aan het werk te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook in alle redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

16. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M.M.F. Holtrop en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2006, in tegenwoordigheid van de griffier C.A.Y. Morison-Libourel.