Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7981

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
12-09-2006
Zaaknummer
AWB 04/295 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft een uitspraak van verweerster als bedoeld in artikel 9.44 van de WHW - Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (interpretatiegeschil); bestreden bindende uitspraak van verweerster kan in rechte stand houden. Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 04/295 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft, gevestigd te Delft, eiser,

en

de commissie voor geschillen inzake universitaire medezeggenschapsaangelegenheden te Woerden, verweerster.

Derde-partij: de facultaire studentenraad van de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica (EWI) van de Technische Universiteit Delft te Delft.

Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft bij brief van 19 augustus 2003 een interpretatiegeschil inzake een medezeggenschapsaangelegenheid, gerezen tussen de derde-partij en de decaan van de Faculteit EWI, aan verweerster ter beslissing voorgelegd.

Op 10 december 2003 heeft verweerster in het geschil uitspraak gedaan.

Tegen deze uitspraak heeft eiser bij brief van 16 januari 2004, ingekomen bij de rechtbank op 19 januari 2004, beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De derde-partij heeft bij brief van 28 maart 2006 een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het beroep is op 26 juni 2006 ter zitting behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].

Verweerster heeft zich later vertegenwoordigen door haar gemachtigde [gemachtigde 3].

De derde-partij werd vertegenwoordigd door [gemachtigde 5], bijgestaan door [gemachtigde 6]

Motivering

De rechtbank heeft ambtshalve de vraag onder ogen gezien of zij bevoegd is van het onderhavige beroep kennis te nemen.

Ingevolge artikel 9.30, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) besluit het college van bestuur:

a. dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is op de universiteit, dan wel

b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de universiteit.

Ingevolge artikel 9.30, derde lid, van de WHW stelt het besluit, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, de paragrafen 1 tot en met 6 van titel 2 van de WHW buiten werking voor de betreffende universiteit en gaat dit besluit gepaard aan de vaststelling door het college van bestuur van een medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten binnen de universiteit en haar faculteiten, die tenminste gelijkwaardig is aan het bepaalde in de paragrafen 1 tot en met 5 van titel 2 van de WHW.

De TU Delft is een openbare universiteit waarop de Wet op de ondernemingsraden (voor het personeel) van toepassing is. Eiser heeft de instelling en bevoegdheden van de studentenraad en facultaire studentenraad EWI vastgelegd in het reglement Studentenraad en het faculteitsreglement Informatietechnologie en systemen (thans geheten: EWI; hierna te noemen: het Faculteitsreglement.)

Ingevolge artikel 5.6 van het reglement Studentenraad worden geschillen, bedoeld in hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 3, van de WHW voorgelegd aan de Commissie voor geschillen bedoeld in artikel 9.39 WHW en zijn op de behandeling van het geschil de artikelen 9.40 tot en met 9.45 WHW van toepassing.

Ingevolge artikel 9.39, eerste lid, van de WHW is er een commissie voor geschillen inzake universitaire medezeggenschapsaangelegenheden.

Ingevolge artikel 9.40, eerste lid, aanhef en onder d, van de WHW neemt de commissie van geschillen kennis van geschillen in de volgende gevallen: op verzoek van het college van bestuur of van de universiteitsraad, indien het college van bestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.

Ingevolge artikel 9.40, vijfde lid, van de WHW wordt een uitspraak van de commissie voor geschillen, bedoeld in artikel 9.41, voor de toepassing van artikel 7.1 van de Awb gelijkgesteld met een besluit genomen in administratief beroep.

Ingevolge artikel 9.44 van de WHW doet de commissie voor geschillen op een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel d, de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34 dient te worden gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de commissie voor geschillen inzake universitaire medezeggenschapsaangelegenheden als bedoeld in artikel 9.39 van de WHW niet is aan te merken als een administratieve rechter als bedoeld in artikel 8:6, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank acht zich daarom in beginsel bevoegd van het geschil kennis te nemen.

Het geschil betreft een uitspraak van verweerster als bedoeld in artikel 9.44 van de WHW (interpretatiegeschil). In artikel 9.40, vijfde lid, van de WHW is bepaald dat een uitspraak van verweerster, bedoeld in artikel 9.41 (geschil instemmingsbevoegdheid), voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Awb wordt gelijkgesteld met een besluit, genomen in administratief beroep. Nu deze gelijkstelling uitdrukkelijk alleen is bepaald ten aanzien van uitspraken als bedoeld in artikel 9.41, stelt zich derhalve de vraag of uitspraken van verweerster als bedoeld in de artikelen 9.42, 9.43 en 9.44 van de WHW niet gelijkgesteld worden met een besluit genomen in administratief beroep voor de toepassing van artikel 7.1 van de Awb. Indien deze vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, is de conclusie dat tegen de thans bestreden uitspraak eerst bezwaar had moeten worden gemaakt, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank heeft echter in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken 24 646 inzake de modernisering van de universitaire bestuursorganisatie en Kamerstukken 23 944 inzake de bestuursorganisatie van en medezeggenschap in hogescholen) geen enkele steun kunnen vinden voor de opvatting dat de wetgever met het bepaalde in artikel 9.40, vijfde lid, van de WHW heeft beoogd het rechtstreekse beroep op de rechtbank van uitspraken van de commissie te beperken tot uitspraken van die commissie als bedoeld in artikel 9.41 met betrekking tot geschillen inzake instemmingsbevoegd-heid. Wel heeft de rechtbank aanwijzingen gevonden voor het tegendeel. In de parallelle bepaling ten aanzien van openbare hogescholen, artikel 10.27, vierde lid, van de WHW, is zonder enige restrictie bepaald dat een uitspraak van een commissie voor geschillen van openbare hogescholen voor de toepassing van afdeling 7.1 van de Awb wordt gelijkgesteld met een besluit genomen in administratief beroep. Dit geldt derhalve ook voor uitspraken als bedoeld in artikel 10.31 van de WHW met betrekking tot interpretatiegeschillen, welke bepaling het equivalent is van artikel 9.44 van de WHW ten aanzien van de universiteiten. De rechtbank concludeert dat de verwijzing in artikel 9.40, vijfde lid, van de WHW naar (uitsluitend) artikel 9.41 van de WHW op een omissie berust, althans niet de strekking heeft geschillen met betrekking tot uitspraken van de commissie op grond van de artikelen 9.42, 9.43 en 9.44 niet gelijk te stellen met een besluit in administratief beroep.

De rechtbank concludeert dat zij bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.

In verband met het streven om de studievoortgang van eerstejaarsstudenten te bevorderen, heeft de Decaan van de faculteit EWI in het voorjaar van 2003 aan de derde-partij meegedeeld voornemens te zijn om met ingang van het studiejaar 2003-2004 voor een aantal vakken in het eerste semester van het eerste studiejaar een zogenoemd quizzensysteem in te voeren. Dit systeem houdt in dat het tentamen wordt vervangen door het verplicht bijwonen van col- en instructies en verplichte deelname aan af te nemen toetsen in het eerste semester van het eerste studiejaar.

In geschil is of het voorgenomen besluit de instemming behoeft van de facultaire studentenraad EWI dan wel of aan deze raad slechts adviesbevoegdheid toekomt.

Eiser heeft het quizzensysteem ingevoerd door middel van wijziging van artikel 12 van het (opleidingsgebonden deel van het) Studentenstatuut EWI (hierna: Studentenstatuut) en van artikel 11 van de Onderwijs- en examenregeling EWI (hierna: OER EWI).

Ten aanzien van de wijziging van artikel 11 van de OER EWI zijn de volgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 7.2, aanhef en onder b, van het reglement Studentenraad behoeft de decaan de instemming van de studentenraad voor elk ter zake voorgenomen besluit met betrekking tot de onderwijs- en examenregeling bedoeld in artikel 7.13 van de WHW met uitzondering van onderwerpen genoemd in het tweede lid van artikel 7.13, onderdelen a t/m d.

Ingevolge artikel 8.2, aanhef en onder b, van het Faculteitsreglement heeft de facultaire studentenraad in ieder geval instemmingsrecht over de vaststelling en wijziging van de onderwijs- en examenregeling, met uitzondering van de onderdelen genoemd in artikel 7.13, tweede lid, onderdelen a tot en met g, van de WHW.

Ingevolge artikel 7.13, tweede lid, van de WHW - voor zover hier van belang - worden in de onderwijs- en examenregeling, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld:

h. het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden;

j. waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waarbinnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid wordt geboden tot het afleggen van tentamens en examens.

Ten aanzien van de wijziging van artikel 12 van het (opleidingsgebonden deel van het) Studentenstatuut zijn de volgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid (onder het hoofd 'Instemmingsrecht 9.33 en 9.34.2 WHW'), aanhef en onder a, van het reglement Studentenraad behoeft het College van Bestuur de instemming van de studentenraad voor elk terzake voorgenomen besluit met betrekking tot het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59 WHW.

In het tweede lid van artikel 5.1 zijn onder a tot en met e de aangelegenheden opgesomd terzake waarvan het adviesrecht geldt.

Ingevolge artikel 7.2, aanhef en onder c, van het reglement Studentenraad behoeft de decaan de instemming van de studentenraad voor elk ter zake voorgenomen besluit met betrekking tot het opleidingsdeel van het studentenstatuut.

Ingevolge artikel 7.3 van het reglement Studentenraad oefent de studentenraad op facultair niveau tegenover de decaan van de faculteit het instemmingsrecht en adviesrecht uit die toekomen aan de studentenraad op instellingsniveau, voorzover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend.

Ingevolge artikel 8.2, aanhef en onder c, van het Faculteitsreglement heeft de facultaire studentenraad in ieder geval instemmingsrecht over de vaststelling en wijziging van het opleidingsdeel van het studentenstatuut.

Artikel 11, eerste lid, onder a, van de OER EWI luidt, na wijziging in verband met de invoering van het quizzensysteem, als volgt:

Tot het afleggen van de tentamens van de opleiding wordt tweemaal per jaar de gelegenheid gegeven:

- de eerste maal aansluitend op de onderwijsperiode waarin het onderdeel werd onderwezen en afgerond, danwel door een combinatie van toetsen verspreid gedurende de onderwijsperiode al dan niet in combinatie met een toetsing aan het eind van de onderwijsperiode;

- de tweede maal in een latere tentamenperiode in dat cursusjaar, de herhalingsperiode in augustus inbegrepen;

Artikel 11, eerste lid, onder c, van de OER EWI luidt, na wijziging in verband met de invoering van het quizzensysteem, als volgt:

De combinatie van onderwijsvormen met aanwezigheidsverplichting en toetsvormen met gespreide toetsing (zonder mogelijkheid van een alternatieve toetsvorm) blijft beperkt tot het eerste semester van het eerste jaar van de bacheloropleidingen, tenzij dit uitdrukkelijk anders is geregeld in de Uitvoeringsregeling.

Artikel 12, tweede en derde alinea, van het Studentenstatuut luidt, na wijziging in verband met de invoering van het quizzensysteem, als volgt:

Ook wordt in bepaalde colleges onderwijsparticipatie gestimuleerd door het geven van huiswerkopgaven die door de docent kunnen worden beoordeeld of getoetst. Deze beoordeling of toetsing kan onderdeel zijn van de tentaminering. Dit wordt verder geregeld in de OER of CER en staat vooraf in de bachelorgids of master's programme handbook vermeld. Indien het meedoen aan huiswerktoetsen of het inleveren van huiswerkopgaven invloed heeft op de bepaling van het eindcijfer is dit eveneens geregeld in de OER en staat dit eveneens vermeld in de bachelorgids of master's programme Handbook.

Een andere vorm van stimulering van onderwijsparticipatie kan bestaan uit het houden van deeltoetsen, terugkoppeltoetsen e.d. tijdens de (verplichte) werkcolleges, colstructie of instructie. Ook hiervoor geldt dat de toetsen een onderdeel kunnen uitmaken van de totale toetsing, dat dit geregeld is in de OER of de CER en dat de hierbij behorende waarderingsregeling vermeld staat in de bachelorgids of het master's programme handbook.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster op goede gronden heeft geoordeeld dat de aldus aangebrachte wijzigingen onderwerpen betreffen als bedoeld in de onderdelen h en j van artikel 7:13, tweede lid, van de WHW en niet het onderwerp betreft als bedoeld in onderdeel a van artikel 7:13, tweede lid, van de WHW. De inhoud van hetgeen onderwezen wordt verandert immers niet.

Met die vaststelling is reeds gegeven dat, gelet op het bepaalde in artikel 7.2, aanhef en onder b, van het reglement Studentenraad in verbinding met artikel 8.2, aanhef en onder b, van het Faculteitsreglement, de derde-partij instemmingsrecht heeft ten aanzien van de voorgenomen wijziging van de OER EWI. Het betreft immers een formele wijziging van de OER EWI met betrekking tot onderwerpen die genoemd zijn in artikel 7:13, tweede lid, onder h en j van de WHW.

De vraag of de aangebrachte wijziging in materieel opzicht een wijziging betekent ten opzichte van de oude bepaling - waarover partijen van mening verschillen - is daarbij niet van belang. Het is aan de derde-partij om te beoordelen of de voorgestelde wijziging van de OER EWI, met betrekking tot een onderwerp ten aanzien waarvan hij instemmingsrecht heeft, van zodanig inhoudelijk gewicht is dat er aanleiding is om instemming te onthouden. Daaraan voegt de rechtbank toe dat indien de derde-partij op een in redelijkheid niet houdbare grond instemming zou onthouden - bijvoorbeeld omdat de wijziging in de OER EWI een ondergeschikt punt zou betreffen - eiser zich daarbij niet hoeft neer te leggen, maar het geschil kan voorleggen aan verweerster, die daarover een bindende uitspraak kan doen (artikel 5.6 van het reglement Studentenraad jo. 9.41 WHW). Aan het bestaan van het instemmingsrecht op zichzelf doet dit echter niet af. Verweerster heeft terecht opgemerkt dat, indien eiser zich aan de instemmingsvereiste zou kunnen onttrekken door het standpunt in te nemen dat de wijziging van de OER EWI met betrekking tot onderwerpen genoemd in artikel 7:13, tweede lid, onder j en h van de WHW materieel geen wijziging inhoudt, het recht van instemming illusoir wordt.

Met betrekking tot de wijziging van artikel 12 van het opleidingsgebonden deel van het Studentenstatuut is de rechtbank van oordeel dat uit voornoemde bepalingen, te weten artikel 5.1 en 7.2 van het reglement Studentenraad en artikel 8.2, aanhef en onder c, van het Faculteitsreglement, rechtstreeks volgt dat de derde-partij ten aanzien van het besluit tot wijziging van artikel 12 van dat statuut instemmingsrecht toekomt. Deze bepalingen zijn niet onduidelijk of voor een andere uitleg vatbaar. Uit de stelling van eiser dat het Studentenstatuut een declaratoir karakter heeft (wat daar verder van zij) volgt niet dat aan de derde-partij geen instemmingsrecht toekomt ten aanzien van een voorgenomen wijziging als in geschil.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de bestreden bindende uitspraak van verweerster in rechte stand kan houden. Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.W. de Wit, mr. drs. M.Th. Boerlage en mr. S. Verheijen en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.