Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7884

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
KG 06/1023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Stichting Boogbrug Vianen vordert de Staat te gelasten dat hij ervoor zal zorgdragen dat de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel zal worden aangehouden totdat de periode van de voorbescherming in de zin van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de complexaanvraag - de aanwijzing als één gezamenlijk beschermd monument van de 12 stalen bruggen over de grote rivieren die gebouwd zijn in het kader van het Rijkswegenplan 1927 - in zijn geheel zal zijn verstreken. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de brug thans valt onder de voorbescherming. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht in dit verband om een oordeel kan worden gevraagd. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de onderhavige aanvraag tot complexbescherming de eerste in zijn soort is en als zodanig nog niet eerder in enige bestuursrechtelijke beroepsprocedure aan de orde is gesteld. Omdat de Staat zich beroept op een uitzondering op de regel van de Monumentenwet 1988 die voorbescherming tot gevolg heeft, acht de voorzieningenrechter de Staat de meest gerede partij om zijn visie ter toetsing aan de terzake bevoegde voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht voor te leggen. Totdat de ter zake bevoegde voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht een oordeel heeft gegeven dient de Staat ervoor te zorgen dat de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel zal worden aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 580

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 8 september 2006,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 06/1023 van:

de stichting

Stichting Boogbrug Vianen,

gevestigd te IJsselstein,

eiseres,

procureur mr. D.J.G. Timmermans,

advocaat mr. E.D.M. Verboom te Eindhoven,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. R.J.J. Aerts.

Partijen worden hierna ook 'de Stichting' en 'de Staat' genoemd.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 31 augustus 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij Zaltbommel liggen drie bruggen over de Waal, een spoorbrug uit 1869 en twee bruggen voor wegverkeer uit respectievelijk (circa) 1933 en 1996. De brug uit 1933 is gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927 maar wordt thans al ongeveer tien jaar niet meer gebruikt. Deze brug zal hierna kortweg 'de brug' of 'de brug over de Waal bij Zaltbommel' worden genoemd.

1.2. Tot 17 februari 2005 had de Stichting volgens haar statuten kort gezegd ten doel het behouden van een brug over de Lek bij Vianen.

1.3. In 2002 heeft de Stichting verzocht de brug over de Waal bij Zaltbommel aan te wijzen als beschermd (rijks)monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Bij besluit van 13 mei 2004 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna ook 'de staatssecretaris') dat verzoek afgewezen. De Stichting heeft vervolgens de (bestuursrechtelijke) rechtsmiddelen bezwaar, beroep en hoger beroep aangewend. Die rechtsmiddelen hadden echter geen resultaat vanwege, kort gezegd, de statutaire doelstelling die de Stichting tot 17 februari 2005 had.

1.4. Sinds 17 februari 2005 bepalen de statuten van de Stichting het volgende:

'De stichting heeft ten doel:

het behouden van de twaalf bruggen over de grote rivieren die gebouwd zijn in het kader van het Rijkswegenplan 1927;

het onder de aandacht brengen van de waarden en de schoonheid van deze bruggen;

voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn alles in de ruimste zin des woords.'

1.5. Van de in de (gewijzigde) statuten van de Stichting bedoelde twaalf bruggen (hierna ook 'de twaalf bruggen') zijn thans drie bruggen aangewezen als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988. Een van de twaalf bruggen is aangewezen als gemeentelijk monument.

1.6. Bij brief van 29 september 2005 heeft de Stichting de staatssecretaris verzocht om de twaalf bruggen (gezamenlijk) aan te wijzen als beschermd monument. Naar aanleiding van deze brief heeft de staatssecretaris op 13 oktober 2005 het besluit genomen om 'de brug over de Waal bij Zaltbommel' niet aan te wijzen als beschermd monument, op grond van het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onder verwijzing naar haar hiervoor genoemde besluit van 13 mei 2004. Bij brief van 21 november 2005 heeft de Stichting bezwaar gemaakt tegen dat besluit van de staatssecretaris. Hierop is bij brief d.d. 17 juli 2006 beslist, zoals hierna uiteengezet zal worden onder 1.9.

1.7. Bij verzoekschrift van 13 februari 2006 heeft de Stichting aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht verzocht enkele voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 Awb te treffen. Bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter onder meer als volgt beslist:

'De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek toe, in die zin dat het besluit van [de staatssecretaris] van 13 oktober 2005 wordt geschorst tot zes weken nadat [de staatssecretaris] een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument; [..]'

1.8. Op 9 augustus 2005 heeft de gemeente Neerijnen aan de Staat een vergunning verleend voor de sloop van het noordelijk deel van de brug. De werkingsduur van deze vergunning is recentelijk verlengd. Medio maart 2006 is met de sloop begonnen. Kort daarna is de sloop gestaakt. Vervolgens, kort na voormelde uitspraak van 28 maart 2006, is de sloop weer hervat. Bij vonnis van 11 april 2006 van de Voorzieningenrechter te 's-Gravenhage is de Staat geboden ervoor zorg te dragen dat de sloop van de brug zal worden aangehouden tot zes weken nadat de staatssecretaris een primaire beslissing heeft genomen ten aanzien van de (complex) aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de 12 bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument.

1.9. Bij brief d.d. 17 juli 2006 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beslist op het bezwaarschrift van de Stichting van 21 november 2005. Het besluit van 13 oktober 2005 is herroepen en geoordeeld is dat:

'alsnog inhoudelijk op het verzoek d.d. 29 september 2005 tot aanwijzing van de 12 stalen bruggen over de grote rivieren, gebouwd in het kader van het Rijkswegenplan 1927, als één monument cq. Monumentencomplex [dient] te worden beslist.'

En de volgende alinea in deze brief luidt:

'Dienaangaande is inmiddels bij besluit van 1 juni 2006, kenmerk MS-2005-4330 etc. inhoudelijk beslist op het verzoek d.d. 29 september 2005 tot aanwijzing als groep van 12 bruggen, waaronder begrepen de voormalige verkeersbrug over de Waal bij Zaltbommel, zodat daarmee aan het advies van voornoemde commissie is voldaan. Ik moge u naar bedoeld besluit van 1 juni 2006, dat in de plaats komt van het thans herroepen besluit van 13 oktober 2005, verwijzen.'

1.10 De staatssecretaris heeft bij brief van 1 juni 2006 het verzoek van de Stichting van 29 september 2005 tot aanwijzing als één gezamenlijk beschermd monument met betrekking tot de groep van de 12 bruggen gelet op de artikelen 3 en 4 van de Monumentenwet 1988 afgewezen.

1.11 Bij brief van 11 juli 2006 heeft de Stichting bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit van 1 juni 2006 en op 14 augustus 2006 heeft zij terzake een (aanvullend) bezwaarschrift ingediend. Bij brief d.d. 18 augustus 2006 heeft de minister de Stichting laten weten dat het bezwaarschrift voor advisering aan de Commissie voor de bezwaarschriften van het ministerie zal worden voorgelegd.

1.12 Rijkswaterstaat heeft op 21 augustus 2006 een persbericht verspreid met de mededeling dat de sloopwerkzaamheden aan de brug zijn hervat. Per 23 augustus 2006 zijn deze werkzaamheden (wederom) gestaakt in verband met het door de Stichting aangespannen onderhavige kort geding.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

De Stichting vordert - zakelijk weergegeven - de Staat op straffe van een dwangsom te gelasten dat hij ervoor zal zorgdragen dat de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel zal worden aangehouden totdat de periode van de voorbescherming in de zin van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de complexaanvraag in zijn geheel zal zijn verstreken, met kostenveroordeling.

Daartoe voert de Stichting - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Op 1 juni 2006 heeft de staatssecretaris een besluit genomen ten aanzien van de complexaanvraag, in die zin dat de aanvraag is afgewezen. Dit besluit is een besluit in de zin van artikel 3 lid 3 van de Monumentenwet 1988 en om die reden valt de brug onder de voorbescherming als genoemd in artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (hierna: 'de voorbescherming'). Er is immers nog niet (onherroepelijk) vastgesteld of de brug al dan niet voor bescherming als rijksmonument in aanmerking komt aangezien de Stichting tegen het voornoemde besluit van 1 juni 2006 een bezwaarschrift heeft ingediend.

De Staat voert gemotiveerd verweer. Volgens de Staat kan de aanvraag om complexbescherming van de Stichting om formeel juridische redenen niet leiden tot voorbescherming omdat het stelsel van de Monumentenwet 1988 zich tegen een dergelijke aanvraag verzet. De Monumentenwet 1988 voorziet niet in de mogelijkheid om de twaalf bruggen aan te wijzen als één monument. De vraag of een complex van objecten voor bescherming in aanmerking komt, kan verder pas aan de orde komen indien elk onderdeel als zodanig zelfstandig als beschermd monument is aangewezen, aldus de Staat. De complexaanvraag is daarom door de Staat vertaald (geconverteerd) in individuele aanvragen tot bescherming van de tot het complex behorende objecten. Gelet hierop is er volgens de Staat geen sprake van voorbescherming van de brug over de Waal bij Zaltbommel nu reeds bij besluit van 13 mei 2004 onherroepelijk is beslist dat de waarden onvoldoende zijn om een aanwijzing als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet 1988 te rechtvaardigen.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De Stichting legt aan haar vordering ten grondslag dat de Staat jegens haar onrechtmatig handelt. De burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, is daarom bevoegd om van de vordering van de Stichting kennis te nemen. Nu vaststaat dat reeds met de sloop van de brug was begonnen, is daarmee het spoedeisend belang van de Stichting bij onderhavige vordering gegeven.

3.2. Partijen zijn het er over eens dat de primaire beslissing op de aanvraag van 29 september 2005 voorzover die ertoe strekt de twaalf bruggen als groep aan te wijzen als beschermd monument, inmiddels is genomen bij het besluit van 1 juni 2006. Daarmee staat vast dat in zoverre is voldaan aan het kort geding vonnis van 11 april 2006. Vast staat tevens dat de Stichting tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt binnen de termijn van zes weken. De vraag die partijen thans verdeeld houdt, is of de brug als gevolg daarvan thans valt onder de voorbescherming.

3.4. Of al dan niet sprake is van voorbescherming is van belang voor de vraag of de Staat thans gerechtigd is om de sloopwerkzaamheden te verrichten. Immers, indien de brug onder de voorbescherming valt, dient de Staat om schorsing van die voorbescherming te vragen teneinde tot het (verder) slopen van de brug over te kunnen gaan. Indien echter geen sprake is van voorbescherming is de Staat in beginsel gerechtigd om de sloopwerkzaamheden te verrichten tenzij de Stichting schorsing vraagt van het besluit van 1 juni 2006.

Zoals de Staat terecht heeft betoogd, betreft dit een discussie over een vraag van bestuursrechtelijke aard waarover (uiteindelijk) de bestuursrechter dient te oordelen. Immers de beantwoording van voormelde vraag hangt grotendeels af van het oordeel met betrekking tot de (juistheid van de) aan het besluit van 1 juni 2006 ten grondslag liggende visie van de Staat dat een verzoek tot complexbescherming, zoals door de Stichting ingediend, niet past binnen het stelsel van de Monumentenwet 1988.

3.5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht in dit verband kan worden verzocht om een oordeel. Tot op heden heeft geen der beide partijen een daartoe strekkende vordering ingediend, ieder vanuit hun insteek dat de ander daartoe gehouden is. Meer in het bijzonder heeft de Stichting in dit verband betoogd dat tijdens de mondelinge behandeling die heeft geleid tot voormeld vonnis van 11 april 2006, tussen partijen uitvoerig aan de orde is geweest dat de brug tengevolge van de primaire beslissing op de complexaanvraag alsnog onder de voorbescherming zou komen te vallen. Gelet hierop zal de bestuursrechter haar, als zij in dit verband om een voorlopige voorziening zou vragen, in haar vordering niet ontvankelijk verklaren, aldus de Stichting.

De Staat heeft de weergave van de Stichting van hetgeen tijdens voormelde mondelinge behandeling is besproken, niet betwist, doch stelt dat van zijn kant sprake is van voortschrijdend inzicht. Omdat de aanvraag tot complexbescherming als zodanig niet in behandeling genomen kan worden, kan deze aanvraag ook niet leiden tot voorbescherming zodat het, aldus de Staat, niet op zijn weg ligt om schorsing van die voorbescherming te vragen. De Staat is verder steeds bereid geweest de sloopwerkzaamheden op te schorten totdat de bestuursrechter een voorlopig oordeel heeft gegeven over de vraag of het besluit van 1 juni 2006 de toets der kritiek kan doorstaan, aldus de Staat, doch de Stichting heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

3.6. Gegeven het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat alvorens definitief de sloophamer in de brug kan worden gezet, de bestuursrechter alsnog de gelegenheid moet krijgen nader te oordelen over de juistheid van de door de Staat voorgestane interpretatie van de Monumentenwet 1988 en de daaruit voortvloeiende consequenties voor de brug. Hierbij wordt meegewogen dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de onderhavige aanvraag de eerste in zijn soort is en als zodanig nog niet eerder in enige bestuursrechtelijke beroepsprocedure aan de orde gesteld is geweest. Verder past het binnen het stelstel van de Monumentenwet 1988 dat eerst het oordeel van de bestuursrechter wordt gevraagd alvorens tot feitelijke uitvoering van een voorgenomen sloop wordt overgegaan.

Zonder daarmee een oordeel te vellen over de juistheid van de standpunten over en weer, acht de voorzieningenrechter de Staat de meest gerede partij om zijn visie ter toetsing aan de terzake bevoegde voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht voor te leggen. De Staat beroept zich immers op een uitzondering op de regel van de Monumentenwet 1988 die voorbescherming tot gevolg heeft. In afwachting daarvan zal thans op na te melden wijze wordt beslist dat de sloopwerkzaamheden dienen te worden opgeschort.

3.7. Nu de vordering in voormelde zin toewijsbaar wordt geacht, zal de Staat, als de op dit punt in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

gebiedt de Staat ervoor zorg te dragen dat de sloop van de brug over de Waal bij Zaltbommel zal worden aangehouden totdat de terzake bevoegde voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht op verzoek van de Staat een oordeel heeft gegeven met betrekking tot het besluit van 1 juni 2006 en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen;

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Stichting begroot op € 1.148,87,-, waarvan € 816,- aan salaris procureur, € 248,- aan griffierecht en € 84,87 aan explootkosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.G.M. van Rens en uitgesproken ter openbare zitting van 8 september 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

ks